Hoe de inspectieparadox conflicten veroorzaakt

Hoe de inspectieparadox conflicten veroorzaakt

Delen:

Het blijft uitzonderlijk, zodat ik me de laatste ruzie feilloos herinner. We stonden op een straathoek na te praten over een punt dat op de vergadering niet was opgelost. Mijn collega van de Jonge Academie en ik waren zeker van ons stuk. Maar de ervaren universiteitsbestuurder tegenover ons was dat ook.

Mijn collega en ik beweerden dat postdoctorale onderzoekers gemiddeld te lang in dat statuut blijven hangen, zonder door te stromen naar een proffenstatuut. Zij beweerde dat het percentage langdurige postdocs verwaarloosbaar is en dat het beleid niet afgestemd kan worden op deze uitzonderingen. We raakten het niet eens en beenden vervolgens – lekker dramatisch – elk een andere straat in, overtuigd van ons eigen gelijk.

Enkele weken na deze weinig elegante confrontatie besefte ik plots hoe onze visie, op basis van gesprekken met postdocs, perfect kon samengaan met die van de bestuurder, die de personeelstabellen op haar duimpje kende. Het is een geval van de inspectieparadox!

Als inspecteurs een school bezoeken, kunnen ze een lijst opvragen van het aantal leerlingen per klas en op basis daarvan de gemiddelde klasgrootte berekenen. Maar als ze willekeurige leerlingen op de speelplaats zouden vragen hoe groot hun klas is en daar het gemiddelde van zouden nemen, krijgen ze een hogere uitkomst. Liegt de school of overdrijven de leerlingen?

Geen van beide: tenzij alle klassen exact even groot zijn, levert willekeurige klassen selecteren of willekeurige leerlingen bevragen niet hetzelfde resultaat. De kans om een leerling te selecteren uit een grotere klas is namelijk groter! Als je de gemiddelde klasgrootte wil kennen, dan levert de eerste, externe methode het juiste antwoord, maar als je geïnteresseerd bent in de gemiddelde ervaring van leerlingen op een school, dan geeft de steekproef op de speelplaats je een veel betere indicatie.

Postdoctorale onderzoekers wachten niet, ze werken keihard verder aan hun wetenschappelijke carrière

Een ander voorbeeld: veel mensen hebben de indruk dat zij altijd in de traagste rij staan. We hebben weliswaar een bias, waardoor we toch al vatbaarder zijn voor negatieve indrukken, maar er is meer aan de hand: we hebben nu eenmaal meer herinneringen aan rijen die traag vooruitgaan dan wanneer we meteen aan de beurt zijn. Ook al staan we niet vaker in de traagste rij, we staan er effectief langer in. Het gaat er dus opnieuw om wat je meet. Als een winkelketen de ervaring van haar klanten willen verbeteren, moet ze de gemiddelde wachttijd die mensen ervaren verbeteren. Om dat te doen kunnen ze gebruik maken van wachtrijtheorie: ‘de wiskunde van de ergernis’, zoals Eveline Brandt het in 1996 zo treffend noemde in haar stuk voor De Groene Amsterdammer.

Die ergernis ervaar je soms ook als je op de tram staat te wachten. Als trams gemiddeld om de tien minuten aan jouw halte komen, en jij op een willekeurig moment arriveert, dan zou je kunnen verwachten dat je gemiddeld de helft van die tien minuten moet wachten – vijf minuten dus. In de praktijk zijn de tijdsintervallen niet precies gelijk: ervaren reizigers kennen het fenomeen van de overvolle tram die te laat aankomt, kort daarna gevolgd door een bijna lege. Je kans om aan te komen tijdens het bovengemiddeld lange interval vóór die eerste tram is groter dan je kans om aan te komen tijdens het korte interval tussen de eerste en de tweede. Hierdoor sta je er gemiddeld meer dan vijf minuten.

Postdoctorale onderzoekers wachten niet, ze werken keihard verder aan hun wetenschappelijke carrière, in de hoop op meer werkzekerheid. Toch is ook op hen deze inspectieparadox van toepassing. Van alle postdocs die op een bepaald moment aan een universiteit werken, is er slechts een beperkt aantal mensen dat meer dan zes jaar in dit statuut werkt. De bestuurder leest in haar tabellen dus een klein percentage af. Maar als je aan postdocs zelf vraagt hoe lang ze al in dit statuut werken, drijft die minderheid het gemiddelde flink op. Het enige conflict dat er overblijft, gaat over de vraag of het beleid daar dan echt geen rekening mee moet houden.

Delen:

Francis Halzen ontvangt de Nobelprijs voor Fysica 2026 voor zijn voortrekkersrol in het onderzoek naar hoog-energetische neutrino's met ijs. De fysicus werkt aan de University of Wisconsin, maar groeide op in België. Hij is de tweede Belg die de Nobelprijs voor Natuurkunde wint, na François Englert in 2013.

BlogNatuurwetenschappen

Er lag een krokodil in de kast

125 jaar geleden kocht de KU Leuven een collectie fossielen die ze nooit meer heeft bekeken. Voor het eerst is een groep studenten op zoek gegaan naar krokodilachtige botten. Zij vonden aanwijzingen voor Diplocynodon, de oudste alligatorachtige.

In de klas kun je het misschien verbieden. Toch blijkt het in de praktijk nog knap lastig om delen door nul altijd te vermijden.

Vorige week liet OpenAI weten dat zijn model een van de moeilijkste wiskundige problemen, het Navier-Stokesprobleem over vloeistofbewegingen, had opgelost. De claim moet nog bevestigd worden, maar welke doorbraak is de volgende? En wat betekent dat voor andere mysteries uit de wetenschap?

ColumnNatuurwetenschappen

De kracht van kruisbestuiving

Soms heeft een schilder een wiskundige nodig en soms heeft een wiskundige, zoals ik, een kunstenaar nodig om te zien hoe wonderlijk wiskunde voor niet-wiskundigen werkelijk is.

In China is barnsteen gevonden van maar liefst 385 miljoen jaar oud. Het stamt uit een tijd waarin insecten nog niet de grootste vijanden van planten waren.

Toen de Chicxulub-asteroïde 66 miljoen jaar geleden insloeg, was dat misschien nog maar het begin van de ramp. Nieuw onderzoek suggereert dat een wereldwijde stofdeken de hitte van de inslag vasthield en terugkaatste naar de aarde. Het gevolg? Wereldwijde natuurbranden die het einde van de dinosauriërs mogelijk al binnen enkele uren bezegelden.

ColumnNatuurwetenschappen

Bron van quantumkansen

Honderd zomers geleden deden kansen hun intrede in de quantummechanica. Dit gebeurde zonder veel fanfare: in een kort artikel van de theoretische fysicus Max Born uit Göttingen. Wetenschapsfilosoof Sylvia Wenackers schrijft over wat dit teweegbracht in de decennia daarna.

De ruimterots die 66 miljoen jaar geleden de dinosauriërs van de aardbodem veegde, blijkt veel zeldzamer te zijn dan gedacht. Onderzoekers identificeren haar als een uitzonderlijke meteorietsoort die nauwelijks op aarde gevonden wordt. Dat zet de deur open naar een nieuwe verklaring voor de massa-extinctie.

En blijf op de hoogte van de laatste inzichten in wetenschap en technologie.

Nieuwsbrieven