Een architect ontwerpt gebouwen, toch? Dat niet alleen. Een architect kan ook mensen helpen om hun verlies een plaats te geven. Zo ontstaan persoonlijke herdenkingsplekken die betekenisvol blijven, ook al worden deze nooit gebouwd.
Foto: © Eva Demuynck (2022)
Toen ze vijf was, ging Jinte regelmatig spelen bij een vriendinnetje. Op de weg tussen hun twee huizen stond een klein kapelletje, met een poortje aan de ene kant en een verborgen deur aan de andere. Het werd al snel een plek waar ze samen vol verwondering op ontdekking gingen. Tot plots het zusje van haar vriendinnetje overleed. Erover praten was moeilijk, wachten aan de voordeur werd ineens spannend en wat ongemakkelijk. Jaren later ontmoette ik Jinte als één van de deelnemers aan mijn doctoraatsonderzoek over architectuur, rouw en troost.
“Ah, dus je onderzoek gaat over het ontwerp van monumenten en begraafplaatsen?” is een vraag die ik vaak krijg. Het antwoord is neen. Wanneer we het hebben over gedenkplekken vergeten we vaak dat verlies ook diepe sporen nalaat op onze dagelijkse leefomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een woning waar één van de gezinsleden overleden is. Bepaalde kamers voelen plots leeg aan terwijl de persoonlijke bezittingen van de overledene nu pijnlijke herinneringen oproepen. Na het afscheidsmoment met vrienden en familie zijn het nochtans die plekken waar we het meest mee in aanraking komen.
Ik onderzocht daarom hoe we via architectuurontwerp zulke pijnlijke plekken kunnen omvormen tot troostende omgevingen. Vanuit mijn achtergrond als architect begeleidde ik mensen bij het ontwerpen van hun eigen, persoonlijke herdenkingsplek. Via interviews, observaties en vragenlijsten ontdekte ik dat het ontwerpen van deze plekken de deelnemers hielp om hun verlies een plaats te geven. Sterker nog: geen van de uiteindelijke ontwerpen hoefde daarvoor ooit gebouwd te worden. Het ontwerpproces zelf bleek al betekenisvol. De moeite waard dus om hier wat dieper op in te gaan.
Eerst vroeg ik de deelnemers om eens stil te staan bij de plekken waar hun verlies het meest aanwezig voelde. Vervolgens visualiseerden ze deze elk op hun eigen manier. Jinte maakte bijvoorbeeld een tekening van de voordeur van haar vriendinnetje. Daarna kozen we voor ieder ontwerp een passende plek. Tot slot dachten we samen na over vragen als ‘Hoe past het ontwerp in zijn omgeving? Welke kleur of textuur hebben de materialen? Wat zie je als je naar buiten kijkt? Hoe kom je binnen?’. Zo werd iedere ontwerpbeslissing week na week zorgvuldig overwogen en beladen met persoonlijke betekenissen.
Tijdens de één-op-één begeleiding en de groepsgesprekken maakten we gebruik van tekeningen en maquettes. Met deze tastbare voorstellingen van hun ontwerpen konden de deelnemers op een minder directe manier over hun verlies spreken. “Ik vond het gemakkelijker om mijn kwetsbare kant te tonen via het maken van tekeningen”. (Fien, 2022) Het delen van hun ervaringen creëerde bovendien ruimte voor erkenning en sociale ondersteuning. “Het zorgde ervoor dat ik naast 'het stilstaan' ook bestaansrecht kon geven aan pijnlijke rouwervaringen en omdat het er mocht zijn ervaarde ik het ook als iets moois en helend.” (Liesbeth, 2023)
Van de therapiestoel naar de tekentafel
Het resultaat? Een even grote verscheidenheid aan herdenkingsruimtes als aan verlieservaringen. Zo vertaalde Jinte de wandeling uit haar kindertijd naar drie opeenvolgende ruimtes. De eerste, de ruimte voor bewustwording, vormt een nieuwe ingang tot een begraafplaats. Een familie kan er in intieme kring samenkomen rond de kist van de overledene. De tweede, de ruimte voor verwondering, verwijst naar Jinte’s herinneringen aan het kappelletje, én naar het moment waarop het samen spelen ophield. Daar gaat de wandeling over naar een ondergrondse tunnel, vanaf waar ze de rest van de tocht alleen moet afleggen.
Voor de derde en laatste ruimte liet Jinte zich inspireren door hoe ze als kind tekeningen maakte om haar vriendinnetje te troosten. Deze ruimte voor de verbeelding vormt dan ook een plek waar ze in alle rust kan tekenen en kan terugblikken op de afgelegde weg.
Jinte besteedde tijdens haar ontwerpproces ook in het bijzonder aandacht aan de overgangszones tussen de verschillende ruimtes. Hiermee kon ze haar herinneringen aan het onzekere wachten aan de voordeur als kind een plaats geven. Zo bedacht ze voor de ruimte rond de kist een katrolsysteem dat de deur richting de begraafplaats symbolisch opent wanneer iemand de inkomdeur achter zich sluit. “Ik wilde de kinderlijke verwondering herontdekken die ik al die jaren geleden voelde.” (Jinte, 2022)
De weg hier naartoe was niet altijd vanzelfsprekend. “Tijdens dit proces had ik moeite met het vertalen van mijn verlieservaring. Ik werd geconfronteerd met het feit dat zowel ikzelf als de mensen om mij heen hier nog steeds veel emoties rond voelen.” (Jinte, 2022). Ook de andere deelnemers vonden het een uitdaging om eerst deze pijnlijke gevoelens toe te laten en om ze daarna te vertalen naar een ontwerp. Daarom bestudeerde ik naast de ontwerpprocessen, ook de resulterende ontwerpen. Zo kon ik uiteindelijk een lijst met 7 terugkerende thema’s samenstellen.
Bij elk thema horen een aantal deelthema’s en vragen die mensen kunnen uitnodigen om vanuit verschillende invalshoeken over een eigen herdenkingsplek na te denken. Zo is er het thema ‘afmetingen’ waarbij zaken als lengte, breedte, hoogte, diepte, dikte, en gewicht aan bod komen. Concreet kan dit bijvoorbeeld gaan over betekenis geven aan de lengte van een ruimte, zoals bij Jinte’s tunnel. Therapeuten en architecten kunnen deze thema’s dus gebruiken als gespreksstarters. Zo wil ik het anderen makkelijker maken om – net zoals Jinte – hun eigen manier te vinden om met verlies om te gaan.
Dus, gaan we binnenkort allemaal in rouwtherapie bij een architect? Niet noodzakelijk. In een samenleving waarin mensen steeds vaker op zoek gaan naar alternatieve manieren om met verlies om te gaan, biedt dit onderzoek wel nieuwe inzichten en handvaten voor mensen die hun verlies ruimtelijk en creatief een plaats willen geven. Bovendien toont het aan dat architectuur, ook in zijn ongebouwde vorm, meer kan betekenen voor ons welzijn dan we misschien zouden verwachten.
Wanneer we op 1 november onze dierbaren herdenken, nodig ik u dan ook graag uit om eens extra stil te staan bij de plekken waar u hun nabijheid voelt. Misschien ontdekt u dan dat die zich eigenlijk dichterbij bevinden dan u nu vermoedt.
Eva Demuynck dingt mee naar de Vlaamse PhD Cup 2026. Ontdek meer over dit onderzoek op www.phdcup.be.