Dat Europa in 1495 geteisterd werd door een syfilisuitbraak, staat vast. Franse soldaten raakten met de ziekte besmet tijdens een belegering van Napels en van daaruit woedde de ziekte over het vasteland met zo’n vijf miljoen overlijdens tot gevolg. Er wordt veelal verondersteld dat de Franse soldaten besmet raakten door contact met Spaanse huurlingen die de ziekte hadden opgedaan in Amerika enkele jaren eerder. Dit staat bekend als de Columbiaanse theorie.
Een ander verhaal, de precolumbiaanse theorie, beweert daarentegen dat Europeanen syfilis al veel langer kenden. In 2000 ontdekten paleontologen in Noord-Engeland sporen van de ziekte op mensen die overleden waren nog vóór Columbus was geboren, en eenzelfde ontdekking werd deze week gepubliceerd in Current Biology¹. Een team van twintig wetenschappers zocht naar sporen van de bacterie Treponema pallidum op negen skeletten uit Nederland, Estland en Finland.
Die sporen vonden ze, net als andere bacteriën uit het Treponemageslacht. Op de vermalen beenderen werden ook sporen gevonden van ziekteverwekkers van Framboesia – die nu nog uitsluitend in de tropen voorkomt – en een ziekte waarvan geen hedendaagse versie bestaat. Johannes Krause, een van de auteurs van het onderzoek, concludeert hieruit dat ofwel Columbus een hele verzameling aan ziektestammen introduceerde aan Europa, ofwel de kiemen al aanwezig waren in de Europese bevolking – zo verwoord, de meest logische keuze.
Hoewel dit opsporen van Treponema-DNA geprezen wordt, zijn andere onderzoekers kritisch tegenover het onderuithalen van de Columbiaanse theorie. De beenderen werden aan de hand van koolstofdatering gesitueerd tussen 1400 en 1600, een heel brede marge. De overledenen zouden dus perfect na Columbus hebben geleefd, en zo kan de Columbiaanse theorie niet weerlegd worden. Het onderzoek van Krause is met andere woorden nog niet ten einde.
Noten
Schrijf je in op onze nieuwsbrief
En blijf op de hoogte van de laatste inzichten in wetenschap en technologie.

