Op taalsafari in het hoofd van Frans-Vlamingen

Frans-Vlaanderen

Het landelijke Frans-Vlaanderen gezien vanaf de Kasselberg.

In het landelijke Frans-Vlaanderen ga ik regelmatig op zoek naar zeldzame soorten. Geen otters, rugstreeppadden of everzwijnen, maar speciale soorten zinnen die niet in handboeken voorkomen. Dialecten en taalvariatie bestuderen in plaats van standaardtaal is vergelijkbaar met wilde dieren bestuderen in plaats van dieren in een zoo. Net buiten de gebaande paden liggen vaak de interessantste taalkundige vondsten, die ons soms anders doen kijken naar wat menselijke taal allemaal kan.

Delen:

Ruisscheure, ze zijn ook raar de Vlamingen

Wanneer ik die zin voor het eerst terughoor in een opname uit Frans-Vlaanderen, maakt mijn hart een sprongetje. Wat voor de meeste mensen wellicht als zomaar een dialectzin van dertien in een dozijn klinkt, voelt voor mij eerder alsof ik tijdens een safari plots een dier zie dat niet in de veldgids van de streek is opgenomen.

De zin werd opgenomen in het kleine Frans-Vlaamse dorpje Zerkel in de jaren 60 van de vorige eeuw en betekent ‘In Ruisscheure, daar zijn de Vlamingen zeldzaam’. Ruisscheure zelf is een klein dorp een paar kilometer verderop. Het opmerkelijke is dat er in die zin twee dingen ontbreken die Nederlandstaligen normaal zouden verwachten. Ten eerste ontbreekt het voorzetsel in voor Ruisscheure. Ten tweede ontbreekt ook een terugverwijzend woordje zoals daar. Toch begrijpt iedereen onmiddellijk wat de spreker bedoelt. De verbinding tussen Ruisscheure en de rest van de zin wordt dus niet gelegd door een expliciet woord in de zin zelf, maar lijkt als het ware vanzelf tot stand te komen.

Tijdens mijn onderzoek ontdekte ik dat die bijzondere zinstypes in het Frans-Vlaams geen geïsoleerde gevallen zijn. Zo vond ik heel wat gevallen van speciale soorten zinnen waarin sprekers een deel van de verbanden niet expliciet uitdrukken, maar overlaten aan betekenis, context of intonatie. Zulke fenomenen werden in dialecten van het Nederlands tot nog toe nauwelijks onderzocht of zelfs niet opgemerkt. Ze tonen dat menselijke taal soms veel flexibeler werkt dan grammatica's doen vermoeden en geven tegelijk een inkijk in hoe sprekers in hun hoofd verbanden leggen tussen verschillende delen van een zin.

Als ik mensen vertel dat ik dialectologisch veldwerk doe, stellen ze zich soms voor hoe ik gewapend met knielange gummilaarzen, schop en emmer door de modder ploeter. Hoewel ik inderdaad soms langs afgelegen landwegen struin, bestaat mijn uitrusting vooral uit een audiorecorder, een koptelefoon, reservebatterijen en een notitieboekje. Daarmee trek ik het landelijke Frans-Vlaanderen in, op zoek naar taal in het wild. Ik maak er opnames waarin dialectsprekers spontaan vertellen in hun dialect. Daarnaast leg ik sprekers zinnen voor en vraag ik of die natuurlijk klinken. Hun antwoorden helpen mij na te gaan welke constructies deel uitmaken van hun taalgevoel en welke niet.

In dit filmpje vertel ik meer over wat dialectologisch veldwerk precies inhoudt.

Ik onderzoek het Frans-Vlaams, een groep West-Vlaamse dialecten die nog steeds gesproken worden in het noorden van Frankrijk. Omdat de taal sinds de tweede helft van de vorige eeuw vrijwel niet meer als moedertaal wordt doorgegeven aan jongere generaties, neemt het aantal sprekers zienderogen af. Het dialect wordt er vaak als immaterieel erfgoed beschouwd. Dat is het natuurlijk ook, maar voor mij is Frans-Vlaams nog iets anders: een boeiende habitat waar af en toe bijzondere zinnen tevoorschijn komen die ons iets kunnen leren over menselijke taal in het algemeen. Doordat het Frans-Vlaams eeuwenlang afgesneden was van de andere Nederlandse dialecten en van de opkomende Nederlandse standaardtaal, bleven sommige taalverschijnselen er opvallend goed bewaard, terwijl andere zich net in een eigen richting ontwikkelden.

Vaak zijn grammaticale theorieën gebaseerd op standaardtalen: taalvormen die beschreven worden in grammatica's, aangeleerd worden op school en gestuurd worden door taalnormen. Dat levert ontzettend waardevolle inzichten op, maar het betekent ook dat we vooral kijken naar taal die al sterk genormaliseerd is. Juist in dialecten en spontane gesprekken duiken taalvormen op die in meer genormaliseerde taalvarianten verdwenen zijn of nooit zijn opgemerkt. Mijn interessantste bevindingen komen dus zelden uit zorgvuldig geconstrueerde voorbeeldzinnen. Ze duiken meestal op wanneer mensen gewoon aan het vertellen zijn over hun jeugd, het werk op de boerderij, de oorlog, de buren... Terwijl iemand een verhaal vertelt, steekt soms plots een grammaticale constructie de kop op die volgens de bestaande beschrijvingen, als die er al zijn, eigenlijk niet zou (mogen) bestaan.

Een typische opnamesetting in Frans-Vlaanderen: een informant vertelt vrij over allerlei onderwerpen in eigen woonkamer. Ik volg het gesprek samen met een tussenpersoon die het lokale dialect heel goed spreekt. Om te vermijden dat de informant zijn/haar taal aanpast, moet hij zich goed in zijn vel voelen in een vertrouwde setting.

Een deel van mijn onderzoek gebeurt in Frans-Vlaanderen tijdens het veldwerk waarin ik opnames maak: aan de keukentafel, in de bezoekruimte van een lokaal rusthuis of buiten op een bankje bij een oude hoeve. Een ander deel gebeurt achter mijn computer, waar ik historische opnames uit de jaren 60 en 70 beluister, transcribeer, van extra taalkundige informatie voorzie (woordsoorten bijvoorbeeld) en vergelijk met materiaal dat ik recent verzamelde. Samen maken die gegevens deel uit van het Gesproken Corpus van de zuidelijk-Nederlandse Dialecten (https://gcnd.ivdnt.org/), een online databank met gesproken dialectmateriaal die ik mee hielp uitbouwen. In al die gesprekken zit een schat aan informatie verborgen. Niet alleen over het dagelijkse leven van de sprekers, maar ook en vooral over de manier waarop taal werkt.

Soms hoef je om nieuwe soorten te ontdekken dus niet naar een tropisch regenwoud, maar volstaat een koffietje aan de keukentafel net over de Franse grens, waar de zeldzaamste exemplaren zich vaak verschuilen in een terloops uitgesproken zin die bijna niemand opmerkt.

Delen:

Dit is een artikel van:

Scicomm Academy van SciMingo

advertentie fti festival

Maatschappij & cultuur

OpinieMaatschappij & cultuur

Weg met de journalistieke helden

The Social Reckoning is weer een film over journalistieke helden. Vier jaar onderzoek naar de representatie van journalistiek in fictie suggereert nochtans dat dit misschien net het laatste is wat we nodig hebben als we willen nadenken over een duurzamer journalistiek model.

En blijf op de hoogte van de laatste inzichten in wetenschap en technologie.

Nieuwsbrieven