Natuur & Milieu

Pleidooi voor netjes en bokalen

De natuur vormt een prima voedingsbodem voor alerte wetenschap. Maar we geven ons steeds minder over aan observeren en exploreren. Hoogleraar gedragsecologie Hans Van Dyck houdt een betoog voor hernieuwd contact met de natuur. ‘Als kind voor het eerst een salamander zien: onvergetelijk.’

Dit is een artikel van:
Eos Wetenschap

Dit artikel verscheen in oktober in Eos magazine.

Jonge en minder jonge lui doen het almaar minder. Nochtans zijn experts het erover eens dat het hun deugd zou doen: lichaam en geest onderdompelen in een natuurlijk decor, ofwel natuurcontact. Niet alleen dieren, planten en bijzondere leefgebieden staan onder druk of sterven uit. Geregeld natuurcontact lijkt hetzelfde lot beschoren. De vakliteratuur spreekt van extinction of experience

De geestelijke vader van de uitdrukking is Robert Pyle. De Amerikaanse vlinderbioloog is een begeesterd man, die met zijn avonturen een groot publiek weet te onderhouden. In het boek Chasing Monarchs brengt hij een boeiend reisverhaal in het kielzog van migrerende monarchvlinders. Ieder jaar trekken de grote oranje vlinders tot duizenden kilometers doorheen Noord-Amerika, om uiteindelijk te stranden in enkele Mexicaanse bossen. Het zijn vlinders die de zon en het magnetisch veld inschakelen als kompas. Een winter lang decoreren ze de bomen met een dikke sprei van op elkaar gepakte vlinders. Het boek overstijgt de heerlijke anekdotiek en trakteert de lezer op een grondig begrip van de levende wereld langsheen de trektocht. 

Pyle is een bijzonder naturalist. Enkele jaren geleden schreef hij een opmerkelijk stuk in een nieuwsbrief van The American Lepidopterist’s Society, een club voor vlinderfanaten. De kop luidde: ‘The beauty of butterfly nets’. Het netje als symbool voor bijzonder natuurcontact. Wie het netje hanteert kijkt anders naar de omgeving. De natuur is niet langer een decor. Er gaat een wereld open van nieuwe hoofdrolspelers. De actie verandert het vizier en de beleving. 

Ik ervoer het ook meer dan tien jaar geleden tijdens een verjaardagsfeestje van onze kinderen. In die periode waren binnenspeeltuinen erg populair. Wij wilden wat anders en trokken met een schare klasgenootjes naar een educatieve vijver. Een meute netjes en enkele bokalen in de hand. Geen schoolse aanpak voor het vijverfeestje, maar ‘gewoon’ salamanders en libellenlarven scheppen als avontuurlijk amusement. Geen van de acht- tot tienjarigen had al in levenden lijve een salamander gezien en al zeker niet in de hand gehouden. Een duidelijk voorbeeld van de shifting baseline voor natuurcontact en -beleving. Over de ongewone ontmoeting met de alpenwatersalamander en kleine watersalamander praten de jongelui nog steeds. Het was een beklijvende zintuiglijke en emotionele ervaring. 

In 2018 verscheen een salamanderstuk van Zweedse onderzoekers in het vakblad Frontiers of Psychology. De wetenschappers volgden een groep van kinderen die deelnamen aan een salamanderproject in het Olovslunds Park nabij Stockholm. Enkele poelen vormden hier het leefgebied van de imposante kamsalamander. Ieder jaar worden de kinderen van een naburige school uitgenodigd om tijdens hun middagpauze te helpen bij observaties en acties voor de beschermde soort. 

De mentale invloeden van natuurcontact zou je kunnen omschrijven als een psychologische ecosysteemdienst

Er werd gewerkt met fuiken om salamanders te vangen uit tijdelijke poelen met ongeschikt leefgebied om ze te verplaatsen naar geschikte waterpartijen. De kinderen kwamen in contact met de dieren en konden ze goed observeren. Bovendien leverden ze een bijdrage aan de bescherming. De jeugdige salamanderkijkers werden ook zelf geobserveerd, en de onderzoekers interviewden hen herhaaldelijk tot twee jaar na hun deelname aan het project. 

De studie onderstreept het belang van direct zintuiglijk contact, zoals dieren van nabij bekijken of in de hand houden. Door de fysieke actie en directe betrokkenheid groeide hun begrip en inzicht in de problemen van een andere levensvorm. Daar kan een excursie met gids niet tegenop. 

De experts onderstrepen het belang van zulke interacties en contact met andere levensvormen. Ze prikkelen zintuigen en emoties. De verrijking van de zintuiglijke leefwereld van jongelui biedt bijzondere opportuniteiten tot individueel en sociaal leren. Natuurbeleving door exploratie en direct contact blijken vooral van belang bij zes- tot elfjarigen. Vanaf elf jaar spelen ook sociale relaties een grotere rol.   

Biofobie

Over de rol van jeugdig natuurcontact voor belangstelling voor natuur en natuurbehoud wordt de jongste jaren vaker gerapporteerd en gediscussieerd in de vakliteratuur. Los daarvan groeit onze kennis gestaag over de fysieke en mentale gezondheidseffecten van natuurcontact. Dat geldt niet alleen voor kinderen. In een recent reviewartikel in het tijdschrift Science Advances worden de gunstige mentale invloeden van natuurcontact treffend omschreven als een psychologische ecosysteemdienst. Invloeden hebben bijvoorbeeld betrekking op een verminderde stress, verhoogde creativiteit en aandacht, verbeterd werkgeheugen, betere nachtrust en indicatoren van subjectief welbevinden en geluk. 

Tot nog toe lag de klemtoon van ‘nuttige’ natuur vooral op materiële (beschikbaar water, hout) en regulerende ecosysteemdiensten (bestuiving). Vanuit diverse vakgebieden gaan er stemmen op om toegang tot natuur als een essentieel onderdeel te zien van maatschappelijke nutsvoorzieningen zoals elektriciteit, water en wegeninfrastructuur.

Kinderlijke verwondering is een fundamenteel ingrediënt voor iedere vorm van wetenschap

De frequentie en duur van natuurcontact nemen af. Er zijn geen betrouwbare cijfers voor Vlaanderen, maar tendensen in Groot-Brittannië, de Scandinavische landen en Japan tonen een beduidende krimp. Eerder dit jaar verscheen een Japanse studie over toenemende angst bij kinderen voor natuurelementen. Biofobie als nieuw zorgenkind. Onze levensstijl wordt meer urbaan, binnenskamers en virtueel. Daarnaast verdwenen er in Vlaanderen vele nabije stukjes natuur door de nauwelijks te stuiten verkavelings- en betonneringsdrang.

De overheid is zich bewust van het probleem. Eerder dit jaar verscheen een ‘Praktijkgericht Actieplan Natuur en Gezondheid’, een samenwerking van het Agentschap Natuur & Bos en Bosforum. Een belangrijke stap, maar er is ook nood aan meer kansen voor synergie met beleidsdomeinen zoals onderwijs en vooral STEM-initiatieven. Natuurstudie in het veld blijkt een bijzondere vorm van contact die gunstig is voor cognitieve ontwikkeling en zin in wetenschap. 

Het bijhouden van een dagboek van fauna, flora en andere natuurfenomenen van een bepaalde plaats is een eenvoudige opstap naar natuurstudie. Zelfs wanneer de soortenkennis erg bescheiden is helpen herhaalde bezoeken met observaties, schetsen, foto’s, enzovoort om een andere, diepere kijk te krijgen op een omgeving en zijn bewoners. De omgeving overstijgt de rol van achtergrond. Dan vergroot de kans op verwondering en vraagstelling. Kinderlijke verwondering is een fundamenteel ingrediënt voor iedere vorm van wetenschap.

Kweekvijvers voor wetenschap

Soortenkennis is geen overbodige luxe, maar almaar betere apps voor de identificatie van planten, zwammen en dieren lijken het investeren in klassieke determinatie van soorten overbodig te maken. Herkennen is slechts een eerste stap. Iedere soort heeft ook een ecologisch profiel. Natuur is veel meer dan een soortenlijst. Het is een kluwen van complexe netwerken van soorten die in wisselwerking treden via diverse ecologische relaties: prooi-predator, parasiet-gastheer, plant-bestuiver, concurrentie tussen en binnen soorten, enzovoort.

Bovendien gaat het niet alleen om wisselwerkingen tussen levensvormen onderling, maar ook tussen levensvormen en het abiotisch of niet-levend milieu; denk aan temperatuur, vochtigheid of bodemtype. Er is in de natuur meer te ervaren dan een waardevol contact met een salamander. Ecologische relaties zijn niet altijd eenvoudig te zien. Het vergt studiewerk door herhaalde observaties en metingen om inzichten af te leiden. 

Om nieuwe biologiestudenten te laten proeven van de complexiteit van ecologische wisselwerkingen bedachten we enkele jaren geleden een eenvoudig maar effectief veldpracticum. Ieder groepje kreeg een reeks potten met opgekweekte pinksterbloemen. Met de planten trokken ze naar een grasland- en bosbiotoop op een steenworp van de campus. De missie luidde: onderzoek waar een pinksterbloem het best gedijt, in een grasland of een bos? 

Pinksterbloemen worden vaak gezien als witte lentebloemen in vochtige hooilanden, maar forse exemplaren kom je ook tegen in vochtig bos. Hoe anders is het leven voor de plant in of buiten bos? In open grasland krijgt de plant meer licht voor fotosynthese, maar in schaduwrijk bos heeft ze misschien minder last van vraatschade door insecten die vaak warmteminnend zijn.  

De planten werden in een periode van enkele weken opgevolgd. De hoogte, het aantal bladeren, de mate van vraatschade, de hoeveelheid bloemen en vruchten: alles werd herhaaldelijk opgemeten en genoteerd. Daarnaast werden digitale thermometers in het veld geïnstalleerd. Dat leverde inzicht in de manier waarop temperatuur en relatieve vochtigheid veranderen doorheen de dag, tussen dagen en tussen biotopen. 

Deze eenvoudige vorm van natuurstudie opende hun ogen voor een van de sleuteleigenschappen van de natuur: ruimtelijke en temporele variatie. Als lesgever kan je dat uitleggen, maar zelf ervaren heeft meer impact. Het toont het belang van semiautonoom veldonderwijs. Omdat we bewust zuinig waren met richtlijnen, werden veel fouten gemaakt. Zonder heldere afspraken bleek de ene student anders te meten dan de andere. Dat was natuurlijk ons opzet. Wat je fout doet, onthoud je beter. Bij de gezamenlijke einddiscussie van het practicum was niet alleen het enthousiasme gegroeid voor biologische complexiteit, maar ook voor het belang van de wetenschappelijke methode. 

Er zijn ook niet-schoolse kweekvijvers voor natuurstudie. De Jeugdbond voor Natuur & Milieu (JNM) maakte er zijn handelsmerk van (zie kaderstuk). Ook minder jonge mensen hebben tal van kansen om deel te nemen aan citizenscienceprojecten of kunnen zelfstandig aan uiteenlopende vormen van natuurstudie doen. Het draagt bij tot kennisvergroting, maar ook tot individuele ontplooiing, plezier, bewustwording en zingeving. Voor sommige ecologische gegevens rekenen onderzoekers op vrijwillige burgerwetenschappers. Denk aan verspreidingsonderzoek van planten en dieren.     

Als jongeren minder vaak gerekruteerd worden voor natuurstudie als burgerwetenschap heeft dat soms verrassende effecten. De Deense broedvogeltellingen leverden een hilarisch voorbeeld. Het project loopt sinds 1975 en hanteert een punttellingmethode waarbij vogelsoorten worden waargenomen op zicht of geluid. Bij een analyse over een tijdspanne van veertig jaar waren er winnaars en verliezers. Het goudhaantje bleek beduidend achteruit te gaan. Dat wekte argwaan want onderzoek waarbij vogels geringd werden toonde geen achteruitgang. Wat bleek? In 1975 was de gemiddelde leeftijd van de vogeltellers 35 jaar. In 2015 was dat 65 jaar. De achteruitgang van deze vogel met hoge zang die op geluid wordt waargenomen, had meer te maken met het gehoor van de tellers dan met werkelijke populatiedynamiek.   

Pionierswerk

Het pleidooi voor het belang van natuurstudie is niet nieuw. Vanaf de overgang naar de 20ste eeuw kenden de Verenigde Staten een nature study movement. De invloedrijke beweging stond voor een progressieve, educatieve methode die wetenschap wilde bijbrengen door directe ervaring in de natuurlijke wereld. ‘Study nature, not books’ luidde het credo van pionier Louis Agassiz (1807-1873). De in Zwitserland geboren Amerikaanse bioloog en geoloog had zelf nog les gekregen van Alexander von Humboldt en pleitte voor directe observatie en het belang van natuurkennis. Als overtuigd creationist trok hij trouwens fors van leer tegen Darwin.

De beweging kende invloedrijke vrouwen, zoals Anna Botsford Comstock (1854-1930). Ze schreef The Handbook of Nature Study. In 1911 tekende ze op: ‘Natuurstudie cultiveert de verbeelding van het kind omdat er zoveel prachtige en waargebeurde verhalen zijn die het met zijn eigen ogen kan lezen, die zijn verbeelding zal beïnvloeden als sprookjes. Tegelijk zorgt natuurstudie voor een perceptie en respect voor wat waar is en de kracht om het uit te drukken. Natuurstudie biedt het kind praktische en nuttige kennis.’ 

Philmont museum

De jeugd­ organisatie Woodcraft Indians. Voor auteur Ernest Seton waren indianen door hun natuurcon­ tact, ­respect en ­kennis een rolmodel voor kinderen.

Er verschenen meer dan twintig edities van het boek. Comstock was kunstenaar, onderwijsexpert en natuurbeschermer en werd de eerste vrouwelijke professor van Cornell University. Mede door haar toedoen werd natuurstudie toen in tal van staten een verplicht vak voor de lagere school.    

Emotie en wetenschap hoorden erg samen. Er zaten romantische tot soms spirituele elementen in de beweging, maar evengoed wetenschappelijke moderniteit. Natuurstudie zou leiden tot intellectuele en psychische gezondheid en tot respect en behoud van natuur en natuurlijke hulpbronnen. Natuurstudie werd in die periode geassocieerd met parken, populaire historische kennis, verhalende boeken over wildernis, outdoorrecreatie en natuurbehoud.

Een andere opmerkelijke figuur uit de beweging was Ernest Thompson Seton (1860-1945). ‘A child is born a naturalist’, stelde de schrijver, kunstenaar en wetenschapper. Hij richtte een jeugdorganisatie op, de Woodcraft Indians. Natuurstudie was toegankelijk voor alle sociale klassen, hij nodigde ook criminele jongeren uit op natuurkamp. Wat later stichtte hij samen met Badem-Powell de Scoutsbeweging. Na enkele jaren scheidden hun wegen: Seton vond dat het militarisme te veel de bovenhand kreeg in het nadeel van natuurstudie. De natuurstudiebeweging was populair en invloedrijk van 1890 tot 1930, maar verdween vervolgens van het educatieve toneel. 

We moeten bepaalde zones afschermen voor bezoek en toegankelijkheid verstandig doseren

In de Lage Landen werd in dezelfde periode pionierswerk verricht rond natuurstudie en haar maatschappelijke popularisering. Ook hier werden passie, verwondering, enthousiaste educatie en wetenschap verweven. De invloed van de bevriende Nederlandse schrijvers, onderwijzers en natuurbeschermers Jac. P. Thijsse (1865-1945) en Eli Heimans (1861-1914) valt moeilijk te overschatten. In 1896 startten ze het blad De Levende Natuur. De ondertitel luidde Tijdschrift voor natuursport

In België speelde Jean Massart (1865-1925) een voorname pioniersrol. Hij was professor biologie aan de Franstalige Vrije Universiteit van Brussel (ULB). Hij pleitte al in het begin van de 20ste eeuw voor de oprichting van reservaten op basis van wetenschappelijke criteria. Hij beklemtoonde dat de teloorgang van de natuur grote kansen ontnam voor studie. Massart trok België rond om belangrijke gebieden te bestuderen en fotograferen. Het zorgde voor een unieke baseline voor veranderingen in natuur en landschap (zie (www.recollectinglandscapes.be).        

Gemengde gevoelens

In een regio met weinig natuur zorgt een pleidooi voor meer natuurcontact en -studie voor gemengde gevoelens bij natuurbeschermers. Kwetsbare vegetaties zijn niet gediend met platgelopen paden en de laatste exemplaren van een bedreigde vlinderpopulatie worden beter niet herhaaldelijk gevangen door enthousiaste aspirant-onderzoekers of schoolkinderen. Het is een spanningsveld. 

Bovendien laat de wetgeving niet toe om in reservaten zonder vergunning aan de slag te gaan met netjes en bokalen. Ondanks de vraag tot meer natuurcontact is het belangrijk om bepaalde zones af te schermen voor bezoek en toegankelijkheid verstandig te doseren. Het versterkt de vraag om ook buiten beschermde reservaten vaker creatief aan de slag te gaan om natuur te laten ontwikkelen. Naast ‘speelbos’ kan die natuur dienstdoen als openluchtlaboratorium. Dergelijke kweekvijvers voor studie kunnen in stadsparken, wilde tuinen of ander groen bij scholen, op universiteitscampussen of nabij bezoekerscentra van reservaten. 

Ruimte is belangrijk, maar er is meer nodig om leerzame blootstelling aan biodiverse plekjes opnieuw kansen te bieden. Het is tijd voor creatief weerwerk tegen de extinction of experience-golf. 

Honderd jaar Jeugdbond voor Natuurstudie

Dit jaar viert de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie zijn eeuwfeest. Reeds honderd jaar lang trekken enthousiaste jongelui samen op excursie en op kamp om fauna en flora te bestuderen en van elkaar te leren. Geen uniformen bij deze club, maar verrekijkers en netjes. Bovendien gingen meisjes en jongens altijd gemengd op natuurpad. Een losse sociale omgeving met veel ruimte voor peer-to-peer contact, natuurbeleving en sociaal leergedrag over natuur en milieu. Nederlands bioloog, Nobelprijswinnaar en founding father van de ethologie of gedragsbiologie, Niko Tinbergen (1907-1988) was lid. Vanuit de NJN ontstonden vanaf 1939 ook afdelingen over de grens in België. Sinds 1983 heet de organisatie in Vlaanderen Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubescherming (JNM). Enkele jaren geleden werd de naam verkort tot Jeugd voor Natuur en Milieu. De wieg van meerdere natuurstudieprojecten stond in de JNM. Zo startte het Vlaams verspreidingsonderzoek van dagvlinders met veel jeugdig enthousiasme in deze club. Jaarlijks trekken jongeren tussen 8 en 25 jaar op natuur- en milieukamp. Het maakt JNM tot een bijzondere kweekvijver voor natuurstudie.