Hersenen vol vooroordelen

30 maart 2012 door RV

Als u in een fractie van een seconde zou moeten beslissen om iemand die gewapend lijkt, wel of niet neer te schieten, zou u dan de trekker overhalen?

Vorige maand schoot een burgerwacht uit het Amerikaanse Sanford een zwarte tiener dood omdat hij dacht dat de jongen een wapen bij zich had. Racistische motieven van een blanke paranoïde wannabe-politieagent, denken we gauw, maar zelfs de keurigste student of zakenman zou wellicht op dezelfde manier hebben gereageerd, wijzen verschillende studies uit.

In veel Amerikaanse steden werd afgelopen weekend gedemonstreerd omdat de schutter, George Zimmerman, de 17-jarige Trayvon Martin zou hebben doodgeschoten uit racistische motieven. De New Black Panthers, een radicale zwarte organisatie, heeft zelfs 10.000 dollar gezet op het hoofd van de burgerwacht, die intussen is ondergedoken. Maar de oorzaak van deze moord reduceren tot het racisme van één persoon gaat voorbij aan hoe vooroordelen in ieders brein zijn ingebakken.

Dat Zimmerman, blank, zo snel aannam dat Martin, Afro-Amerikaan, een wapen droeg – Martin had alleen snoep in de zak van zijn trui – doet wel vermoeden dat hardnekkige vooroordelen een rol hebben gespeeld. Hij had trouwens 911 al herhaaldelijk opgebeld om melding te maken van verdacht uitziende Afro-Amerikanen. De ongelukkige moord doet denken aan een gelijkaardig geval tien jaar geleden. Een zwarte New Yorkse straatverkoper, Amadou Diallo, wordt door blanke agenten van de Street Crime Unit tegengehouden omdat hij op een verkrachter lijkt die ze aan het zoeken zijn. Als ze hem aanhouden, steekt Diallo zijn hand in zijn zak en haalt er iets zwarts uit. De Unit opent meteen het vuur: 41 schoten, Diallo sterft ter plekke, met een portefeuille in zijn hand.

Wapens die er niet zijn
En u? Als u in een fractie van een seconde zou moeten beslissen om iemand die gewapend lijkt, wel of niet neer te schieten, zou u dan de trekker overhalen? En zou huidskleur of ras van de persoon tegenover u daarbij een rol spelen? Een onderzoek uit 2002 van Joshua Corell van Colorado University over dit zogenoemde Police Officer’s Dilemma suggereert alvast dat de meest doordeweekse universiteitsstudent in de meeste gevallen op dezelfde manier reageert als Zimmerman of als de politiemannen uit New York.

Studenten werd verteld dat ze een reeks personen in virtual reality op het scherm zouden zien. Die droegen ofwel een wapen ofwel een neutraal object zoals een horloge, een blikje of een mobieltje. Zodra de persoon op het scherm verscheen moesten de proefpersonen beslissen om te schieten of niet. Een gewapend personage neerschieten leverde 10 punten op, een ongewapend niet neerschieten 5. Een ongewapende tegenligger neerschieten kostte 20 punten, maar een gewapende niet neerknallen betekende een puntenaftrek van 40.

Wat de proefpersonen niet werd gezegd, is dat de personages op het scherm zwart of blank zouden zijn. Wat bleek na vier rondjes spelen: de meeste studenten schoten verkeerdelijk meer zwarte ongewapende personages neer dan ongewapende blanke. Onze hersenen zien dus vaker onterecht een wapen bij zwarte passanten dan bij blanke. Verrassend aan het onderzoek is dat zelfs de meest tolerante studenten die zich sterk bewust waren van de negatieve stereotiepen over zwarten, vaker ongewapende zwarte personages neerhaalden. Besluit: racisme kan Zimmerman ertoe gebracht hebben Martin neer te schieten, maar je hoeft geen racist te zijn om in een fractie van een seconde te beslissen een ongewapende zwarte te doden.

Onderhuids
Het beeld van onszelf dat we nauwelijks bevooroordeeld zijn, klopt in de meeste gevallen niet met wat we onbewust denken. Sinds 1998 kan iedereen nagaan hoe sterk zijn impliciete vooroordelen zijn met de IAT-test (Impliciete Associatie Test) van Harvard University (zie link onderaan). Uit de test, die reactietijden meet, blijkt dat het onze hersenen veel meer moeite kost om ‘zwart en goed’ met elkaar te associëren dan ‘blank en goed’.

Bijna alle studies met de IAT-test leggen gemiddeld een negatieve attitude bloot tegenover zwarte mensen. ‘Zelfs kinderen van zes jaar zijn al impliciet pro-blank en anti-zwart, even sterk als op volwassen leeftijd’, zegt sociaal psycholoog Ron Dotsch van Radboud Universiteit Nijmegen. ‘Het verschil zit in de uitingen. ‘Kinderen van zes uiten de vooringenomenheid expliciet. Op tienjarige leeftijd is dat al minder en als volwassene hebben ze gemiddeld een expliciete positieve instelling tegenover zwarten.’ Opmerkelijk is dat ook zwarten een automatische voorkeur hebben voor blank, zoals blijkt uit een studie van sociaalpsycholoog Brian Nosek (University of Virginia) uit 2002. Dat is volgens Laurie Rudman van Rutgers University te verklaren doordat minderheden hun lagere status onbewust goedpraten door negatieve ideeën in de maatschappij over hun groep te eigen te maken.

Onze IAT-score voorspelt ook beter dan onze zelfgerapporteerde mening (‘Ik ben tolerant!’) hoe we ons gedragen in het echte leven of in virtual reality. Dotsch: ‘Uit ons eigen onderzoek in het Virtual Reality Lab in Nijmegen blijkt dat de score op een IAT-test met Marokkaanse namen, en niet iemands expliciete mening, voorspelt in welke mate een proefpersoon meer afstand houdt tot een virtuele Marokkaan, hoe hard hij gaat zweten en hoe snel zijn hartslag is.’ En ook in de hersenen is het effect van de impliciete vooroordelen zichtbaar. ‘Amerikaans onderzoek liet zien dat ons angst-centrum in het brein, de amygdala, sterker actief is bij het zien van zwarte gezichten dan bij blanke gezichten naarmate de proefpersoon meer impliciet bevooroordeeld is.’

Voor(oor)deel
Als de impliciete vooroordelen tegenover andere rassen zo sterk zijn en zo wijdverspreid, komt Darwin op de proppen. Dotsch: ‘Er is een evolutionair nut, hoewel het theoretisch van aard is. Echt empirisch werk is moeilijk te vinden. De gedachte is dat categoriseren en generaliseren onze voorouders het leven hebben gered toen ze oog in oog kwamen te staan met gevaarlijke dieren. Zij die het beest categoriseerden als leeuw en kennis over leeuwen generaliseerden liepen er met een grote boog omheen, overleefden en konden zich voortplanten. Net zoals de mens heeft geleerd om gevaarlijke dieren te ontlopen, heeft de mens ook geleerd om mensen uit gevaarlijke groepen te ontlopen. De vraag is of de kennis over de groep wel klopt. In de meeste gevallen bestaat de betreffende groep zelfs niet: de genetische variabiliteit binnen zogenaamde rassen is vaak groter dan de genetische variabiliteit tussen rassen. Dat houdt in dat je zwarte buurman misschien wel meer genen met je gemeen heeft dan je blanke buurman.’