'We moeten de liefde telkens opnieuw uitvinden'

09 augustus 2013 door IT

Psyche & Brein nodigde klinisch psycholoog en psycho-analyticus Paul Verhaeghe (UGent) en schrijver Leo Bormans - beiden succesauteurs - uit voor een gesprek over liefde.

Al eeuwenlang wordt ze bezongen door dichters en beschreven door filosofen. Maar nog steeds is de liefde ongrijpbaar en mysterieus. De wetenschap heeft zich pas een paar decennia geleden op liefde en verliefdheid gestort en presenteert nu met de regelmaat van de klok wonderlijke stofjes of hyperactieve breingebieden die bij die universele kracht betrokken blijken.

Aan het andere eind van het spectrum blijft de populaire cultuur intussen zoete clichés, veelbelovende handleidingen – vaak overgoten met een pseudowetenschappelijk sausje – en verraderlijke idealen over ons uitstorten. Rationele wetenschap en oppervlakkige beelden bepalen ons beeld van de liefde. Maar intussen vergeten we dat er tussen die twee uitersten nog heel wat andere benaderingen liggen.

Klinisch psycholoog en psychoanalyticus Paul Verhaeghe is hoogleraar aan de Universiteit Gent en staat bekend om zijn hedendaagse lezing van Sigmund Freud en de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan. Daarnaast verdiept hij zich in de invloed van maatschappelijke tendenzen, vooral de neoliberale ideologie, op onze psyche. Dat doet hij bij uitstek in zijn recentste boek Identiteit (2012), maar het komt ook aan bod in de herwerkte versie van zijn bestseller, Liefde in tijden van eenzaamheid (2010).

Schrijver en inspirator Leo Bormans vond eerder wereldwijd weerklank met The World Book of Happiness en werkte onlangs The World Book of Love (2013) af. Daarin laat hij 100 experts uit 50 landen telkens in 1000 woorden hun visie op liefde neerschrijven. Niet alleen kenners uit de Verenigde Staten of West-Europa geven hun kijk, maar ook specialisten uit Oost-Europa, Mexico, Zuid-Afrika, Libanon, India, China, Nepal of Japan. En dat levert een rijkgeschakeerd palet op.

Hebben we een nieuw boek over liefde nodig?

Leo Bormans: Wereldwijd heb ik met mensen gepraat over wat hen drijft. Bemind worden, van iemand houden of een ‘close intimate relationship’ hebben, blijkt een belangrijke drijfveer te zijn. Maar als je mensen vraagt om drie serieuze dingen over liefde te zeggen, staan ze met hun mond vol tanden. Ze komen niet verder dan wat clichés en tegeltjeswijsheid: ‘een koningin in huis, een prinses in de keuken, een hoer in bed’. Of bloemetjes, bijtjes, hartjes en Valentijn. Op dat vlak zijn we dinosauriërs gebleven. Dat we daar zo weinig over weten en er zo weinig woorden voor hebben, heeft me eigenlijk verbaasd. Dus ben ik op zoek gegaan naar wat we erover liefde weten, niet wat we erover geloven en dromen. En dan blijken er de jongste tijd wereldwijd veel professoren te zijn, zoals Paul Verhaeghe, die liefde bestuderen.

Paul Verhaeghe: We hebben zo’n boek nodig. Vanuit mijn psychoanalytisch perspectief is liefde namelijk in se niet defineerbaar. We moeten liefde dus telkens opnieuw definiëren. Dat betekent ook dat er niet één definiëring de juiste is. Lacan heeft daar een uitspraak over: ‘Ce qui ne cesse pas de ne pas s’écrire’. We moeten de liefde dus altijd opnieuw schrijven, altijd opnieuw uitvinden, ons eigen verhaal maken. De illusie die vaak door Amerikaanse boeken of films wordt gegevens, is dat er wel één juiste manier is om liefde te omschrijven. Dat is verkeerd. Het mooie van Leo’s boek is dat het veel verschillende manieren samenbrengt, maar niet de pretentie heeft om te zeggen dat daar ergens één juiste bij zit.

Bormans: Iedereen schrijft inderdaad zijn eigen boek van de liefde, gebaseerd op zijn eigen verhaal, zijn eigen geschiedenis en cultuur. The World Book of Love wordt ook in die zin gebruikt in therapie. Sommige therapeuten laten beide partners in een blanco boek neerschrijven hoe hun liefde is begonnen is, hoe ze die verder zien ontwikkelen... En elke keer lezen ze een hoofdstuk uit The World Book of Love, waardoor het minder bedreigend wordt om over seks of hechting te spreken. De derde speler in de relatie wordt namelijk heel vaak vergeten: de liefde zelf. Die mag ook benoemd worden. Door over liefde te lezen en er met elkaar over te praten, krijg je een gemeenschappelijke woordenschat, ontwikkel je een gemeenschappelijk denken en waardepatroon. Liefde is niet één therapie of één oplossing. Het is een dialoog.

Waarom weet de gemiddelde mens zo weinig over liefde?

Bormans: Liefde is een domein dat we lang hebben toevertrouwd aan de grote instituten: God is liefde, de hemel is het geluk. Daar moest je vooral niet te veel over nadenken. Maar de hemel die ons wordt beloofd, het idee dat er ergens één ware is, dat je maar één keer echt verliefd kunt worden of dat je voor altijd passie kunt beleven... is pseudoromantiek. Films waarin ze hand in hand bij ondergaande zon over het strand lopen, maar niet tonen wat er daarna gebeurt, boeken met zeven tips om een lief te krijgen of 18 tips om een duurzame relatie uit te bouwen... Dat zijn schadelijke mythes.

Verhaeghe: We groeien op in een bepaalde cultuur en nemen daaruit ideeën, voorbeelden, verhalen en mythes over om ons eigen verhaal te maken. Als we nu te veel van die Amerikaanse verhalen aangereikt krijgen, moet dat bijna mislukken. Je krijgt  een pseudowetenschappelijke versie van iets dat teruggaat op het romantisch-christelijke ideaal van de enige ware, waarbij counseling, workshops of technieken je willen helpen om dat ideaal te bereiken. Maar de werkelijkheid is natuurlijk anders. Bovendien werd de erotiek ook nog eens van dat ideaal afgekrabd. Vanuit die christelijke achtergrond was alles van het affect en de passie immers verboden. De verlichting heeft dat helaas overgenomen en versterkt door de ratio naar voor te schuiven: de mens is een redelijk wezen. Dat heeft zeker goede effecten gehad, ook voor de wetenschap, maar niet voor het passionele.

Door die christelijke achtergrond is onze taal bovendien heel eng geworden. In het klassieke Grieks heb je meerdere woorden voor liefde: liefde tussen ouders en kind, tussen broers en zussen, erotische liefde, geestelijke liefde... Dat geeft een heel andere staalkaart en maakt dat je op een genuanceerde manier over liefde kunt denken. Als wij zeggen ‘ik hou van je’, bedoelen we misschien alleen maar dat we met iemand in bed willen duiken: in het klassieke Grieks heb je daar twee verschillende woorden voor. Maar wij stoppen dat allemaal in één pot. Dat leidt tot complete verwarring.

Bent u elders op meer kennis over liefde gestuit?

Bormans: Misschien niet als onderwerp van studie, maar in het Oosten gaat liefde wel meer om een manier van zijn. In het westerse denken zit er veel ‘I love you’: jij bent van mij, ik heb je, ik koop je, ik gijzel je... Exclusiviteit, bezitterigheid. In het Oosten zie je meer het ‘I love’-idee: ik ben in staat lief te hebben. Ik ben in staat om de natuur graag te zien, om mijn ouders, de kinderen, de hond, de kat, de wolken graag te zien. En dan ben ik ook in staat om jou lief te hebben. Het romantische ideaal van een partner met wie je je hele leven gaat doorbrengen is in veel landen niet aan de orde. Daar is het leuk als je van iemand houdt, maar daar zijn andere dingen, zoals familie of liefde voor de groep, vaak belangrijker. Houden van als zijnswijze: niet liefhebben, maar een liefhebbend mens zijn. Als je niet in staat bent om lief te hebben, ben je ook niet in staat om iemand lief te hebben. Ik kreeg onlangs de vraag: ‘Het verschil tussen “I love” en “I love you”, is dat het verschil tussen liefhebben en een lief hebben?’ Dat vond ik wel mooi.

Verhaeghe: Dat verschil tussen het Oosten en Westen kun je ook antropologisch bekijken. Het heeft te maken met andere samenlevingsvormen. Pakweg 150 jaar geleden hadden wij ook nog een agrarische maatschappij, waarbij 30 à 35 mensen heel close op de boerderij samenleefden en tussen wie er ook een seksuele uitwisseling was. Dat lijkt op een clanstructuur. Daarna zijn we geëvolueerd van grootouders-kinderen-kleinkinderen onder één dak naar een heel eng model waarin een koppel alleen woont. Psychologisch en antropologisch bekeken is dat de slechtst denkbare samenlevingsvorm. Want je reageert alles af op de persoon met wie je samenwoont en van wie je het meeste houdt. Als je met dertig mensen samenleeft en je hebt een slechte dag, verdunt zich dat automatisch.

Kunt u wat dieper ingaan op onze huidige cultuur, waarin het commerciële domineert en seksualiteit grof wordt uitvergroot, ook tegenover jonge mensen?

Verhaeghe: Dat is dramatisch. De invloed van reclame en de overseksualisering vind ik ronduit gevaarlijk en onethisch. Die heeft zich compleet geënt op dat romantische ideaal, dat er één juiste persoon, één juiste techniek, één juist consumentenpatroon bestaat. En als je dat vindt, word je perfect gelukkig. Daar wordt nu nog eens een portie erotiek over gegoten, waardoor dit een gevaarlijke mix wordt, omdat het die illusie nog versterkt. Bovendien heeft reclame de erotisering ook op het terrein van kinderen gebracht.

We zijn onze kinderen aan het erotiseren op een manier die onvoorstelbaar is, meisjes van negen worden uitgedost als kindvrouwtjes. Dat wordt langzaamaan mainstream. Maar tegelijk mogen kinderen van geen kanten seksueel benaderd worden. Daarin hebben we een nieuwe dubbele moraal. Dat is niet gezond. Zo ontken je de eigenlijke kinderlijke seksualiteit - want die is er ook, terwijl je hen tegelijk een volwassen seksualiteit door de strot duwt waar ze niet klaar voor zijn.

 

Verhaeghe: 'De invloed van de reclame en de overseksualisering is ronduit gevaarlijk en onethisch'

Wat doet dit met het concept liefde?

Verhaeghe: Ik denk dat die kinderen nog veel meer teleurgesteld zullen zijn, want dat ideaal is sowieso niet bereikbaar. Nu krijg je misschien een groep van 16- tot 18-jarigen die al een kater hebben nog voor ze volwassen zijn. Het normale groeiproces wordt hen bijna onmogelijk gemaakt, alles wordt hen in veel te korte tijd opgedrongen op een leeftijd dat ze er niet klaar voor zijn. In normale omstandigheden is het ontwikkelen van het concept liefde bijna een organisch groeiproces, met vallen en opstaan. Je bent verliefd, maar die verliefdheid gaat over na 7 of 8 maand. En dan kom je tot de ontdekking dat er achter die persoon een echte man of vrouw zit. En dan is de vraag of je het met die échte man of vrouw ook kan doen. Vaak is het antwoord neen. Maar vroeg of laat vind je wel iemand bij wie je zegt: ‘misschien wel’.

Bormans: Na verliefdheid komt altijd ontgoocheling. Maar dat ligt niet aan die andere mens. Dat ligt aan de projectie die we maken. We maken een god of godin van die ander, gaan hem of haar eigenschappen toedichten die hij of zij niet bezit. In die zin is verliefdheid een oogziekte die je blik vertroebelt.

Verhaeghe: Met dat ideaalbeeld willen we ons tekort, ons verlangen invullen. Daar bestaat een schitterend filmfragment over van The Marx Brothers in Night at the Opera. Groucho heeft afgesproken met een vrouw in een restaurant, maar komt niet meteen opdagen, want hij zit nog met een andere vrouw te praten. De eerste vrouw ziet dat en dan doet hij alles om haar van zijn liefde te overtuigen: ‘You remind me of you. Your eyes, your throat, your lips! Everything about you reminds me of you. Except you.’ Die verliefdheid leidt dus tot een soort waandenkbeeld, waar niemand kan aan beantwoorden.

Bormans: Maar op het moment dat we die projectie kunnen omzetten in liefde, treedt er in onze hersenen een heel ander systeem in werking dan bij verliefdheid, namelijk het beloningssyteem. Dan gaan we liefde zien als een enorm cadeau. Het betreft letterlijk dezelfde hersengebieden die oplichten als bij het krijgen van een cadeau. De experts in mijn boek tonen ook aan dat dit hersensysteem betrokken is bij groei en leren. Liefde stimuleert dus ook onze groei, onze ontwikkeling en onze leerprocessen. Een van de professoren noemt dat het Michelangelo-fenomeen: hakken en beitelen om wat er in iemand verborgen zit naar boven te halen, iemand zo goed mogelijk laten worden wie hij kan worden. Dat is wat liefde doet. Niet: zelf een mal gieten, je partner willen veranderen en hem dwingen om daarin te passen. Wat het onderzoek toont, is dat een relatie waarin je elkaar de vrijheid geeft om te groeien en te veranderen meer kans heeft om langdurig te worden. Intensiteit afwisselen en loslaten, volgens het harmonicaprincipe. Elkaar ruimte geven. Ik ga niet op je zitten, maar ik ga je stimuleren in een groei. Dat is iets anders dan elkaar beperken.

Bormans: 'Liefde stimuleert onze persoonlijke groei, onze ontwikkeling en leerprocessen'

Zijn liefde en lust wel verzoenbaar? Of is het een eeuwige strijd?

Verhaeghe: Ze zijn wel verzoenbaar, denk ik, maar het is niet vanzelfsprekend. Bij ons heeft erotiek te maken met verbod. Het meest lustgevende op seksueel vlak heeft altijd te maken met transgressie, met over een bepaalde grens gaan. De vraag is nu of dat toevallig is, een gevolg van ons christelijke verleden, dan wel of het een essentiële eigenschap van erotiek is. Als die grensoverschrijding essentieel is, hebben we een probleem. Want dat betekent dat de kwaliteit van je lustbeleving daalt zodra je seksualiteit binnenbrengt in een goede liefdesrelatie – want daar is het toegelaten. Precies daarom is het idee dat je die lust en liefde moet verzoenen zo’n opdracht.

Het blijft me trouwens opvallen dat veel mensen ervan uitgaan dat liefde en seksualiteit per definitie één geheel vormen, dat er een verplichte koppeling is. Die overtuiging zorgt voor problemen. Ongetwijfeld zijn de twee met elkaar verbonden, maar in wezen zijn ze verschillend, en daarmee moeten we leren omgaan.

Bormans: We zijn de liefde nu wel aan het problematiseren. Liefde is ook een enorme kracht. Als je thuiskomt en er een begripvolle partner is, geeft dat je de veerkracht om er de volgende dag weer tegenaan te gaan. Liefde zorgt er ook voor dat mensen verbonden raken. Zo heeft een van de onderzoekers uit het boek ontdekt dat oxytocine ook een ‘morele molecule’ is. Oxytocine komt vrij als we van elkaar houden, elkaar aanraken, kussen, vrijen, knuffelen. Die molecule geeft een goed gevoel, maar zorgt er ook voor dat we elkaar vertrouwen, ons met elkaar verbinden en ons moreel correcter gedragen. En als er iets is in onze samenleving dat er op dit moment ontbreekt, dan is het wel vertrouwen. Het permanente wantrouwen in de ander maakt ons ongelukkig. We hebben hekken, honden en alarmsystemen, worden bang gemaakt voor van alles en nog wat, maar hebben nog nooit in veiliger tijden geleefd dan nu. De kans dat je 300 jaar geleden een dolk in je nek kreeg, was aanzienlijk hoger. Maar de media versterken die angst en het conflict. Ons grote probleem is echter niet onveiligheid, het is eenzaamheid. Veel mensen zijn, ook in hun relatie of vriendengroep, emotioneel eenzaam.

Verhaeghe: Om dit even te kaderen: eenzaamheid is voor mij eigenlijk een effect van de neoliberale organisatie van onze maatschappij, waarin de ander per definitie een concurrent is met wie we voortdurend in competitie staan. We moeten beter zijn dan de ander. Een dergelijk maatschappelijk model knipt de normale sociale verhoudingen door. We staan dan allemaal los van elkaar. Tegenover elkaar. Dat zie je zelfs in koppels: je hebt veel koppels die met elkaar in competitie zitten. Dat is te gek om los te lopen! Het onvermijdelijke gevolg is een gevoel van eenzaamheid, angst en sociaal wantrouwen.

Bormans: Liefde is nu net iets dat kan bijdragen tot vertrouwen en verbinding. Als een kind graag gezien wordt en ook zelf graag mag zien, krijgen we een grote verbindende kracht. Liefde leidt tot liefde, ook in een samenleving. Het leidt tot sociale cohesie met je buren of collega’s. Als je een liefdevolle samenleving hebt, waarin niet jaloezie of competitie op de eerste plaats staan, creëert dat liefde. Als ik in mijn dorp rondloop, zie ik ook veel zorgend gedrag: iemand die met een ander in de rolstoel rondrijdt, een verkeersouder aan de school... En ook de economie heeft haar verantwoordelijkheid. Als je zoveel uur moet werken, presteren en tegen elkaar wordt opgezet, blijft er niet veel tijd over om na die uren nog even iemand lief te hebben.

Verhaeghe: Dat zie je ook bij de nieuwe relatievormen. Vroeger was het een LAT-relatie, living apart together. Nu is het de AAP-relatie: alleen als het past.

U heeft zich elk op uw eigen manier in de liefde verdiept. Wat neemt u daar zelf van mee?

Verhaeghe: De wetenschap dat verliefdheid zeer leuk is, maar eindig. En dat je stekeblind bent als je erin zit. Dat is goed, zo hoort het ook. Maar op het moment dat je daaruit komt, moet je beseffen dat dit wel moest eindigen. Er bestaat niet zoiets, als ‘in de buitenwereld loopt er ergens iemand rond die mijn perfecte wederhelft is’. De vraag is of je met die vrouw of man je leven kunt verderzetten. Hoe gaat dat? Past dat? Hoe leren we ruzie maken? Heel belangrijk. Dat is een heel ander besef. Toen ik dat boek heb geschreven, waren heel wat bladzijden een onderdeel van mijn eigen groeiproces - maar ik zeg niet welke (lacht).

Bormans: De kennis uit de hele wereld helpt me om te relativeren. Ik merk dat ik niet als enige met al die dingen worstel. Je leert tevreden te zijn met wat er is en daar de waarde van te zien. En je laat je niet meer van je stuk brengen door nieuwe hypes in de bladen met tips voor een duurzame relatie of om een betere minnaar te worden. Kennis en wetenschap geven toch wat stabiliteit en inzicht. Misschien zou ik mijn liefde op een andere manier beleefd hebben, als ik liefdeseducatie had gekregen toen ik jong was, die gebaseerd is op de inzichten die we nu hebben. Maar ik zeg niet dat ik met een andere vrouw getrouwd zou zijn. Integendeel.