De lange aanloop tot de Eerste Wereldoorlog

Zaterdag 28 juni is het precies 100 jaar geleden dat Gavrilo Princip Franz Ferdinand neerschoot, een daad die de directe aanleiding voor de Eerste Wereldoorlog vormde.

De vier decennia tussen 1870 en 1914 gaan de geschiedenis in als de belle époque – de gouden jaren van de burgerij. Maar het is ook een periode van grote onrust. De koloniale grootmachten Frankrijk en Groot-Brittannië hebben de wereld onder elkaar verdeeld. Maar dankzij zijn grote economische en militaire macht eist ook het eengemaakte Duitsland een deel van de koek. Stilaan komen de Europese mogendheden op ramkoers.

De Frans-Duitse oorlog van 1870 maakt een einde aan de dominante positie van Frankrijk op het Europese vasteland, en aan het regime van de autoritaire Napoleon III. Frankrijk gaat voortaan door het leven als een burgerlijke republiek. De Duitse overwinning geeft kanselier Bismarck de kans om de talrijke Duitse deelrijkjes te verenigen onder Pruisisch leiderschap. De koning van Pruisen wordt keizer van Duitsland.

Bismarck is daar erg tevreden mee. Duitsland hoeft, wat hem betreft, geen verdere agressieve ambities te koesteren. Maar Frankrijk, dat Elzas-Lotharingen heeft verloren, blijft op wraak zinnen. Bismarck probeert diplomatieke banden met andere continentale machten te smeden om Frankrijk voor lange tijd in bedwang te houden. De Engelsen zijn niet helemaal ontevreden met de Franse nederlaag en houden het voorlopig bij hun ‘splendid isolation’.

De geleidelijke verzwakking van het Turkse rijk zorgt voor een machtsvacuüm in Zuidoost-Europa – met name in de Balkan. Daar rivaliseren Rusland en de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije om hun invloed zoveel mogelijk uit te breiden. Wenen is terecht bang voor het Slavisch nationalisme in zijn zuidelijke territoria. Maar als grootste Slavische natie vinden de Russen dat ze dit nationalisme moeten steunen - ook al omdat het hun machtige westelijke buur verzwakt.

Rusland heeft het echter niet gemakkelijk. Het enorme rijk houdt er dan wel een groot leger op na, maar economisch gesproken is het weinig meer dan een ontwikkelingsland. Moskou heeft geld nodig om een industrie op poten te zetten. Dat geld vindt het vooral in Frankrijk. De Franse staat, Franse bedrijven en Franse banken investeren massaal in het rijk van de tsaar.

Triple Alliance

In 1894 leidt die Russische afhankelijkheid tot een militair verbond met Frankrijk. Voor de Franse diplomatie is dit een enorm succes, want het maakt een eind aan het isolement waarin Frankrijk zich sinds zijn nederlaag tegen Duitsland bevindt. Inmiddels hebben Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië de ‘Triple Alliance’ gesloten, zodat er door het Frans-Russische verdrag twee machtsblokken tegenover elkaar komen te staan. Toch maakt niemand in Europa zich veel zorgen over de vrede. Bij het begin van de 20ste eeuw hebben Rusland en Oostenrijk-Hongarije hun belangenconflict in de Balkan op een laag pitje gezet. Geen enkele Franse politicus durft in ernst denken aan een nieuwe oorlog met Duitsland.

Maar in Duitsland is het Bismarcktijdperk voorbij. Sinds het begin van de jaren 1870 kent het nieuwe keizerrijk van de Hohenzollerndynastie een versnelde industrialisering en een grote bevolkingstoename. Duitse politici zien met tevredenheid dat hun land stilaan uitgroeit tot de grootste economische en militaire macht op het Europese vasteland. Ze willen dat Duitsland aan ‘Weltpolitik’ gaat doen - net zoals Engeland en Frankrijk met hun grote koloniale imperia. Vanaf 1898 bouwen de Duitsers een machtige oorlogsvloot. Alleen is niet meteen duidelijk waarvoor ze die zullen gebruiken. Want de traditionele koloniale machten hebben de wereld eigenlijk al onder elkaar verdeeld. Net omdat de Duitsers geen duidelijk project hebben, voelt iedereen zich door hen bedreigd.

Mitteleuropa

Berlijn weet zelf niet waar het naartoe wil. Sommige onderdanen van de Kaiser dromen van een Duits Mitteleuropa dat behalve Duitsland zelf ook Oostenrijk-Hongarije, grote delen van de Balkan en van Oost-Europa en zelfs van Belgïe zou moeten omvatten. Maar voorlopig is dat niet de officiële politiek van het land. De Duitse buitenlandse politiek getuigt van arrogantie maar ook van grote onzekerheid. Berlijn is bang dat zijn buren jaloers zijn op de toenemende Duitse macht en samenzweren om zijn ambities te dwarsbomen. Deze angst bepaalt de Duitse buitenlandse politiek, die erop gericht is om de rivaliteit tussen Engeland en Frankrijk, en die tussen Engeland en Rusland aan te zwengelen. Maar dat wordt geen succes, zoals blijkt uit de gevolgen van de Marokkaanse crisis. In 1904 sluiten Engeland en Frankrijk de ‘Entente Cordiale’. Eigenlijk gaat het om een koloniale ‘deal’ tussen twee wereldmachten. Beide landen beloven dat ze de integriteit van Marokko en Egypte zullen waarborgen. In de praktijk zal Engeland Egypte overnemen en zal Frankrijk de plak zwaaien in Marokko.

Marokkocrisis

De Duitsers zijn als de dood voor een betere Engels-Franse relatie en willen bewijzen dat die niet kan standhouden. Daarom gaat keizer Wilhelm II in de lente van 1905 op staatsbezoek in Marokko en verklaart hij in Tanger dat de Marokkaanse sultan volgens hem over een soevereine staat regeert. Duitsland zal geen Frans protectoraat over Marokko tolereren. De sultan eist daarop een internationale conferentie over de toekomst van zijn land. De Franse eerste minister Rouvier is erg geschrokken van de Duitse reactie en stuurt bij wijze van verzoenend gebaar zijn buitenlandminister de laan uit - de man die mee aan de basis van Entente Cordiale lag.

Maar Duitsland heeft zich - bij monde van de keizer! - zo ferm opgesteld, dat het zich niet kan permitteren om in te binden. Wat de anti-Duitse gevoelens bij de Franse publieke opinie sterk doet toenemen. En alsof dat niet erg genoeg is, begint men zich in Engeland openlijk grote zorgen te maken over de Duitse vloot. Engelse politici zeggen hun Franse collega’s alle steun toe ‘die in hun macht ligt’ en weldra wordt achter de schermen gepraat over Brits-Franse samenwerking mocht het tot oorlog met Duitsland komen. Zo verandert de Entente Cordiale van een koloniaal akkoord in een defensief verbond. De Engelse minister van buitenlandse zaken Grey zoekt bovendien actief toenadering tot Rusland, om de Duitsers in bedwang te houden. In 1907 verbinden Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland hun lot aan elkaar in de Triple Entente.

Balkan

De internationale conferentie over Marokko heeft intussen plaatsgevonden in Algeciras. Tegen hun verwachtingen in krijgen de Duitsers er alleen steun van Oostenrijk-Hongarije en van Marokko zelf. Een en ander leidt tot een betere verstandhouding tussen Berlijn en Wenen - tot dan toe waren hun relaties eerder koel. Maar de Oostenrijkse ‘Dubbelmonarchie’ gaat gebukt onder een heleboel problemen. In Oostenrijk-Hongarije leven diverse volken en Wenen heeft de grootste moeite om die in tijden van toenemend nationalisme bij elkaar te houden. De Slavische bevolking in het zuidoosten wil aansluiten bij het koninkrijk Servië en liefst ook bij Bosnië-Herzegovina, dat nog altijd deel uitmaakt van het Turkse Rijk. Wenen beschouwt die pan-Slavische en Groot-Servische dromen als een bedreiging voor het voortbestaan van het keizerrijk en beschouwt het Servische koninkrijkje als de baarlijke duivel. Daarom zijn er nogal wat jonge politici die in een overtuigend militair succes in de Balkan de beste waarborg zien voor de toekomst van de Dubbelmonarchie.

De revolutie van de zogenaamde ‘Jonge Turken’ in Istanboel in 1908 doet het Turkse nationalisme oplaaien. Om te verhinderen dat de Turken hun macht in Bosnië-Herzegovina versterken, annexeert Wenen het gebied. Het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk krijgt er op die manier een miljoen Slavische inwoners bij. Servië voelt zich genomen en kondigt de algemene mobilisatie af. Het vraagt ook steun aan Rusland, het grootste van alle Slavische landen. De spanningen lopen hoog op. Uiteindelijk is het de dreigende taal van Oostenrijks bondgenoot Duitsland die de Russen doet inbinden. Ze realiseren zich dat hun leger anno 1909 nog niet opgewassen is tegen een confrontatie. Ook de Serviërs binden in - maar niet goedschiks. Niemand realiseert zich dat de bereidheid van Duitsland om Oostenrijk-Hongarije te helpen tegen Servië, enkele jaren later zal leiden tot het begin van de Eerste Wereldoorlog.

Intussen gaat de wapenwedloop voort. Dat ze er zelf niet gerust in zijn, blijkt uit het feit dat Groot-Brittannië en Duitsland van 1909 tot 1911 onderhandelen over de beheersing ervan. De crisis wordt in november 1911 beslecht met een compromis: Duitsland erkent het Franse gezag in Marokko in ruil voor een stuk van Frans-Congo. Maar zowel de Franse als de Duitse publieke opinie keert zich tegen die ‘zwakke’ regeling. In Groot-Brittannië heerst al sedert de Bosnische crisis een sterk anti-Duits gevoel. De Britse en Franse stafchefs praten voor het eerst met elkaar over de komst van Britse troepen indien Duitsland Frankrijk zou aanvallen.

Aanslag in Sarajevo

De gebeurtenissen in de Balkan doen omstreeks deze tijd de vijandschap tussen Oostenrijk-Hongarije en Servië toenemen. In 1912 vallen Bulgarije, Griekenland en Servië, die tot voor enkele decennia zelf door de Turken overheerst werden, samen hun grote buur en erfvijand Turkije aan. Maar hun succes in de Eerste Balkanoorlog leidt alleen tot onderlinge rivaliteit. In 1913 voeren Servië en Griekenland, de protegés van Rusland, oorlog met Bulgarije, dat steun krijgt van Oostenrijk. Servië en Griekenland winnen, tot grote ergernis van Wenen.

En het gaat van kwaad naar erger. Op 28 juni 1914 brengt de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger Franz Ferdinand een bezoek aan de Bosnische hoofdstad Sarajevo. Het is Sint-Vitus, de nationale feestdag van de Bosniërs. De bevolking is niet blij met het bezoek van de man die ze beschouwt als de vertegenwoordiger van een regime dat zijn nationale aspiraties onderdrukt. Vooral de extreme Bosnische nationalisten haten en vrezen Franz Ferdinand, want de aartshertog denkt eraan om Bosnië, zodra hijzelf keizer is, een zekere autonomie toe te kennen. Erg realistisch is dat plan niet, maar de nationalisten vrezen dat het een deel van hun achterban milder zou kunnen stemmen en dat willen ze absoluut vermijden. De aartshertog en zijn vrouw ontsnappen ‘s morgens ternauwernood aan een bomaanslag, maar ‘s namiddags hebben ze minder geluk. De negentienjarige Bosnische student Gavrilo Princip schiet hen dood.

Duitse instemming

Hoewel Princip een onderdaan van de Habsburgs is en de aanslag in het keizerrijk plaatsvindt, is hij voorbereid door een Servische terroristische organisatie, de Zwarte Hand. Die streeft naar een unie van alle Zuid-Slaven binnen een groot Servisch koninkrijk. Hoewel een en ander pas veel later aan het licht komt, zet Wenen alles op alles om de aanslag te gebruiken als excuus om voorgoed komaf te maken met Servië.

Het enige wat Oostenrijk nodig heeft, is Duitse instemming. Maar dat is geen probleem, want keizer Wilhelm II en zijn regering zijn er nog altijd van overtuigd dat het voortbestaan van hun zuidelijke bondgenoot afhangt van de vernietiging van Servië. Bovendien denkt de Duitse legerleiding dat een grote Europese oorlog sowieso onvermijdelijk en eigenlijk ook wel wenselijk is. Duitsland is namelijk, zo redeneren zij, in staat is om die oorlog te winnen. Omdat Duitsland en Oostenrijk hun tegenstanders willen verrassen, gebeurt er een maand lang niets. Pas op 23 juli 1914 zendt Oostenrijk een ultimatum dat Servië verantwoordelijk stelt voor de moord op Franz Ferdinand, en een reeks eisen bevat waarvan Wenen denkt dat het kleine koninkrijk ze nooit zal inwilligen. Groot is de Oostenrijkse teleurstelling wanneer Servië buigt voor de overmacht. Zelfs de Duitse keizer aarzelt, maar zijn regering blijft Wenen onder druk zetten om Servië sowieso aan te vallen.

Rusland mobiliseert

Kanselier Bethmann-Hollweg deinst niet terug voor een oorlog met Frankrijk en Rusland, maar hij hoopt wel dat Engeland neutraal zal blijven. Wanneer blijkt dat hij daar niet hoeft op te rekenen, probeert hij de Oostenrijkers alsnog tot staan te brengen. Tegelijk hoopt hij dat de vertraging de Russen ertoe zal brengen om als eersten een algemene mobilisatie af te kondigen, zodat Duitsland hun achteraf de schuld kan geven van het conflict. En dat lukt – de Russen mobiliseren inderdaad. Ze kunnen niet anders, omdat ze minder goed georganiseerd zijn dan de Duitsers en meer tijd nodig hebben om hun leger in staat van paraatheid te brengen.

Wanneer de tsaar op 30 juli de algemene mobilisatie afkondigt, antwoorden de Duitsers met een ultimatum. Ze eisen dat Rusland binnen twaalf uur demobiliseert. Na de Russische weigering verklaart Duitsland op 1 augustus de oorlog. Twee dagen later volgt ook een oorlogsverklaring aan Frankrijk, zogezegd omdat Franse soldaten de Duitse grens zijn overgestoken. Het Duitse aanvalsplan, genoemd naar zijn bedenker Von Schlieffen, voorziet in een snelle opmars door België naar Frankrijk vóór de Russen in beweging kunnen komen. De Duitsers nemen zich dus voor om de Belgische neutraliteit, die sinds 1839 door Engeland gegarandeerd wordt, te schenden. Ze weten trouwens al sinds het bezoek van koning Albert I aan Potsdam in november 1913 dat België zich daar niet goedschiks zal bij neerleggen en zijn neutraliteit desnoods gewapenderhand zal verdedigen.

Ultimatum aan België

Toch duurt het tot 29 juli 1914, de dag na de Oostenrijks-Hongaarse oorlogsverklaring aan Servië, voor België drie lichtingen soldaten oproept om de wacht op te trekken aan zijn grenzen. De Belgische regering wil geen slapende honden wakker maken en de Duitsers vooral niet voor het hoofd stoten. Pas na het Duitse ultimatum aan Frankrijk en Rusland mobiliseert België. Tegelijk laat het via zijn diplomatieke vertegenwoordigers nog eens weten dat het in het nakende conflict zijn neutraliteit wil bewaren. Bij wijze van antwoord overhandigt de Duitse gezant in Brussel, Von Bülow, minister van Buitenlandse Zaken Davignon de avond van 2 augustus een Duits ultimatum aan België. Duitsland eist de vrije doortocht van zijn leger over Belgisch grondgebied omdat het een Franse aanval via België verwacht. Na het herstel van de vrede zullen de Duitsers België schadeloos stellen. Als het land niet op die eis ingaat, wordt het als vijand beschouwd.

Diezelfde avond vergadert de Belgische ministerraad onder voorzitterschap van koning Albert I. Nadien komt de Kroonraad bijeen, met de ministers van Staat en de legerleiding. Het Duitse ultimatum wordt unaniem verworpen. Op 3 augustus maakt Von Bülow de Belgische afwijzing over aan Berlijn. Albert I heeft intussen het bevel over het leger genomen. De Duitsers verwaardigen zich niet te antwoorden. Op 4 augustus om negen uur ‘s ochtends steken hun troepen de grens over. Op 4 augustus 1914 om middernacht bevindt ook Groot-Brittannië, dat de Belgische neutraliteit garandeert, zich in staat van oorlog.