Hongersnood zonder grenzen

De sixties staan in het teken van Vietnam. Maar er is ook een andere, intussen vergeten oorlog. Een genocide zelfs, die bovendien ons beeld van hongersnood in Afrika voorgoed zou veranderen: de Biafra-oorlog. Het conflict leidde tot een andere aanpak van hulpverlening.

De Biafra-oorlog is genoemd naar een opstandige regio die zich medio jaren zestig wil afscheiden van Nigeria. Aan de oppervlakte gaat het om een etnisch-religieus stammenconflict tussen christelijke en islamitische stammen, de Igbo en de Haussa-Fulani. In werkelijkheid gaat het, zoals altijd, om economische belangen en bodemrijkdommen. In dit geval de controle over de olievelden in de Nigerdelta. Het meest schrijnende gevolg is een barbaarse hongersnood bij de bevolking.

Uithongering is een legitiem oorlogswapen, en we hebben de onwankelbare intentie het in te zetten! Woordvoerder van de Nigeriaanse overheid in 1968

De oorlog zal zich nog voortslepen tot in 1970, met als eindbalans onder meer een half tot twee miljoen Biafranen die doelbewust de hongerdood worden ingedreven door de Nigeriaanse militaire junta. Die heeft in 1968 geen enkele intentie om de humanitaire ramp in te dammen. Integendeel, zoals blijkt uit de ronduit onmenselijke uitspraken van woordvoerders en ministers: ‘Uithongering is een legitiem oorlogswapen, en we hebben de onwankelbare intentie het in te zetten!’ Een hoge militair gaat zelfs nog een stap verder: ‘We zien geen enkele reden om de opstandelingen vet te mesten, want dan zouden ze alleen maar beter kunnen vechten.’

Europa en de Verenigde Staten houden het bij een veroordeling met woorden. Geen president of premier kan nochtans zeggen dat hij het niet heeft zien aankomen, want dit is bijvoorbeeld de noodkreet die een West-Duitse verslaggever in 1967 al de wereld heeft ingestuurd: ‘Bestialiteit en andere vernederingen worden al sinds 1966 opgelegd aan de Biafranen. In een gevangenenkamp worden ze gedwongen urine te drinken en menselijke uitwerpselen te eten. Talloze vrouwen worden verkracht terwijl hun echtgenoten en kinderen moeten toekijken en jonge meisjes worden ontvoerd en gedwongen tot seks met zieke, demente en melaatse mannen.’

In september 1968 zet het Nigeriaanse leger een aanval in die generaal-dictator Gowon omschrijft als ‘het beslissende offensief’. Dat wordt het uiteraard niet. Wel een bloedbad waarbij duizenden burgers genadeloos afgemaakt worden en nog meer mensen op de vlucht slaan.

Pijnlijk hard

Net zoals in de Vietnamoorlog speelt de opmars van de televisie, zowel technologisch als qua penetratiegraad bij het gemiddelde gezin in het Westen, een rol in het Biafra-conflict. Op een gelijkaardige manier, maar met een ander accent en met een ander gevolg. De nog ongecensureerde beelden van sneuvelende Amerikaanse soldaten leiden aan het thuisfront tot eerst verbijstering, dan verontwaardiging en uiteindelijk opstandigheid tegen de eigen regering.

Uit Biafra komen heel andere beelden de huiskamers binnen. De allereerste televisiebeelden van wat hongersnood in Afrika echt is. Beelden van strompelende, graatmagere mannen en vrouwen, stervende bejaarden, kinderen met een opgezwollen buik als gevolg van hongeroedeem… Pijnlijk hard. Harder dan om het even welke foto in een krant.

De mens is slecht. De zin van het leven is dan om een beter mens te worden Réginald Moreels, Artsen zonder Grenzen

Ook de dan achttienjarige Réginald Moreels maakt in zwart-wit op de Vlaamse televisie kennis met Biafra. ‘Dat heeft mij bijzonder geraakt. Mijn humanitair engagement komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. Dat is iets wat ik van thuis heb meegekregen en wat ook in mijn jezuïetenopleiding sterk aanwezig was. De periode waarin het gebeurde was eveneens belangrijk. We hadden net Mei ‘68 achter de rug, een moment waarop ook ik door de geschiedenis misleid werd en me liet meeslepen door extreemlinkse studenten die met het Rode Boekje van Mao zwaaiden. En ja, ook ik heb kort daarna zes weken in een fabriek gewerkt. Al had ik snel door dat “Arbeiders - Studenten 1 front” tot niets zou leiden.’

‘Ik was wat je christelijk links zou kunnen noemen, stelde me vragen bij religieuze kwesties, was geschokt door de beelden van de moorden op de Kennedy’s en Martin Luther King. Geneeskundestudenten hadden de reputatie dat ze “laffe luiaards” waren, maar ik stapte toch mee op in betogingen. Ten tijde van Biafra moest ik dan nog een persoonlijk drama verwerken: mijn vader was net voordien op zevenenveertigjarige leeftijd overleden en mijn moeder moest met een karig pensioentje zien rond te komen.’

Slachtoffers altijd eerst

De beelden uit Biafra wekken veeleer mededogen en medelijden dan woede, en de eerste echt succesrijke grote internationale inzamelacties zijn geboren. De hongersnood is ook de aanzet tot de ngo’s zoals we die ook vandaag kennen, waaronder een nieuwe organisatie die zal uitgroeien tot een begrip in de onmiddellijke hulpverlening.

Het begint allemaal in de schoot van het Rode Kruis. Overal ter wereld melden artsen zich bij de bekendste hulporganisatie om ter plaatse in Biafra de eerste nood te lenigen. Een van de dokters die zich in Frankrijk engageert is Bernard Kouchner. Net zoals alle andere vrijwilligers, ook in voorgaande conflicten, ondertekent hij de intentieverklaring die het Rode Kruis zijn veldwerkers oplegt. Kouchner belooft hiermee plechtig de neutraliteit van het Rode Kruis te respecteren, in welke omstandigheden hij ook mag belanden.

Maar dan ziet hij hoe het er in Biafra aan toegaat. Hoe hijzelf en de andere buitenlandse hulpverleners ijskoud aangevallen worden door het Nigeriaanse leger. Net zoals de plaatselijke artsen. Hoe de militairen burgers blijven uitmoorden ook, blokkades opwerpen die de aanvoer van voedsel en andere hulpgoederen tegenhouden. Hij hoort een Nigeriaanse generaal zeggen: ‘Al die hulp voor Biafra, dat is niet meer dan misleidende humanitaire rotzooi! Als er kinderen als eersten moeten sterven, dan is dat maar zo.’

‘Hoe kun je daarbij in godsnaam neutraal blijven?’ vraagt Kouchner zich steeds nadrukkelijker af. Bij zijn terugkeer in Frankrijk schreeuwt hij zijn woede en verontwaardiging van de daken over de principiële onpartijdigheid van het Rode Kruis. Meer zelfs, hij beschuldigt het Rode Kruis van ‘stilzwijgende medeplichtigheid aan volkerenmoord.’ Zijn conclusie is dat er een nieuwe hulporganisatie moet komen waarvoor het welzijn van de slachtoffers een prioriteit is die boven neutraliteit gaat. En niet omgekeerd. Het blijft niet bij woorden. Samen met een aantal Franse collega-artsen richt hij het Comité de Lutte contre le Génocide au Biafra op. Ook na de Biafra-oorlog blijft die organisatie bestaan. Ze krijgt wel een nieuwe naam. In 1971 wordt het Médecins Sans Frontières, Artsen Zonder Grenzen. Het hongerwapen krijgt ook Artsen Zonder Grenzen helaas nooit meer de wereld uit. Somalië, ex-Joegoslavië, Syrië… De lijst is deprimerend lang. Onmenselijk lang.

Oorsprongsconflict

Biafra is een van de drijfveren voor de jonge Réginald Moreels om niet alleen chirurg te worden, maar zich te specialiseren in tropische geneeskunde. Begin jaren tachtig richt hij mee de Belgische afdeling van Artsen Zonder Grenzen op, waarvan hij tussen 1986 en 1994 voorzitter zal zijn.  In 1993, vijfentwintig jaar na de catastrofe in Biafra, volgt Moreels weekendcursussen op de ULB om een master in Internationale Relaties te kunnen behalen. ‘In mijn thesis nam de hongersnood in Biafra een centrale plaats in. Ik heb dat het “oorsprongsconflict” genoemd, dat heeft geleid tot een andere aanpak van hulpverlening ter plekke. Het internationale Rode Kruis, dat was opgericht in 1863, stond machteloos. En Médécins Sans Frontières bestond toen nog niet. Wat MSF doet, gebeurt clandestien. We hebben nooit de toestemming van het regime, we zijn niet welkom.’

De kleuren van de nationale vlag van Nigeria, groen-wit-groen, staken schril af tegen de honger en de lichamen die lagen te rotten onder een loden zon Chinua Achebe, schrijver

Moreels haalt Ethiopië aan (1984), waar hij ter plekke zag wat Bob Geldof ook met eigen ogen ontwaarde: een catastrofe. Later volgen onder meer Cambodja, Tchad, Tigris, Somalië, Liberia, Mosoel, dit voorjaar nog Gaza. ‘Drie dagen nadat Saddam Hoessein in maart 1988 een gifgasaanval liet uitvoeren op de Koerden in Halabja was ik ter plekke. Een verschrikking. Zulke gebeurtenissen wegen zwaar door op een mens. Je komt daar niet ongedeerd uit. Het zet je aan tot reflectie, je gaat ervan filosoferen. Geen filosofie in de theoretische betekenis van het woord, maar een levenservarende zoektocht maken.’

‘Dat ik ook vandaag nog, op mijn achtenzestigste, naar conflictgebieden afreis, heeft ongetwijfeld te maken met idealisme en, ik steek dat niet weg, een stukje avonturiersgeest. Een wereldverbeteraar ben ik niet meer, van die definitie ben ik afgestapt. Ik wil altijd en overal Het Andere leren ontdekken. Al zijn er collega’s bij Artsen Zonder Grenzen die tienduizend keer meer hebben gezien dan ik.’

De mens is slecht

Mensen bewust laten lijden, kinderen van honger laten creperen, beelden van uitgemergelde lichaampjes die ons in het Westen een geweten schoppen, heel even dan toch. Maar de catastrofes herhalen zich, nieuwe Biafra’s dienen zich al gauw aan. Het noopt ons tot een moeilijke vraag: is de mens slecht? Dat is ook de titel van een essay dat Réginald Moreels eind vorig jaar publiceerde (uitgeverij Halewijn). Het antwoord is: ja. ‘De mens is slecht, ikzelf incluis. Dat is mijn conclusie na drieënhalf jaar essayer, proberen, want dat is het toch wat je doet in een essay. De zin van het leven is dan om een beter mens te worden. Als we in wezen goed zouden zijn, zou het leven geen zin meer hebben. Telkens als ik ergens in een conflictgebied beland, zie ik mijn hypothese bevestigd worden.’

In zijn boek schrijft hij: ‘Geweld is eigen aan elk levend wezen, maar intentioneel geweld is alleen eigen aan de mens. Wij zijn de enige levende soort die zoveel soortgenoten heeft doen afzien, zonder goede intenties. Bovendien staan alle bijbelse teksten en alle humanistische manifesten bol van methoden om beter te worden. Als we zo goed waren, waarom zijn al die geboden, verboden en regels dan nodig? Ik vraag me ook af waarom het Onzevader afsluit met ”Heer, verlos ons van het kwade”, en niet met ”Heer, versterk ons in het goede”. De kruisdood van Jezus, een geweldloze profeet, is in mijn ogen het grootste bewijs dat de mens slecht is.’

‘De mens is per definitie onverdraagzaam, dat merk ik overal,’ voegt hij er nu aan toe. ‘En het is niet omdat een regime niet aanzet tot moorden of verkrachtingen, dat het niet corrupt kan zijn. Zelfverrijking is ook een misdaad tegen de menselijkheid. Het minimale kwaad is onverschilligheid.’

Decadentie

Terug naar Biafra in 1968. Chinua Achebe (1930-2013), een van de grootste Afrikaanse romanschrijvers en dichters, Igbo van geboorte, een volk in het oosten van Nigeria, verliet destijds het veilige Lagos om zich te engageren in de omgeving van kolonel Ojukwu, leider van de onafhankelijkheidsbeweging in Biafra. Op het eind van zijn leven, en na lang stilzwijgen, keerde Achebe zich af van zijn oorspronkelijke houding. In zijn allerlaatste boek, There Was A Country: A Personal History of Biafra, verschenen in 2012 en nooit naar het Nederlands vertaald, rekent hij af met de Nigeriaanse overheid. ‘Er was een nieuwe geestdrift onder mijn volk, een geestdrift die voordien niet bestond. Noem het vastberadenheid. Tijdens de oorlogsjaren reisden we constant rond met al ons hebben en houden. (...) De kleuren van de nationale vlag van Nigeria (groen-wit-groen, red.) staken schril af met de honger en de lichamen die lagen te rotten onder een loden zon.’

‘Er was voldoende talent en scholing aanwezig in Nigeria,’ schrijft Achebe. ‘Genoeg om ervoor te zorgen dat we onze zaken efficiënter en meer gedegen hadden kunnen regelen dan het geval was. Nigeria had mensen van grote kwaliteit, en wat ons overviel - de corruptie, de politieke onbekwaamheid, de oorlog - was een grote teleurstelling voor al wie het meegemaakt heeft. (...) Na de burgeroorlog brak er een nieuw tijdperk van decadentie en achteruitgang aan. Dat gaat door tot op heden. Het land is een lachertje. Ik keur kolonialisme niet goed, maar de Britten gingen veel beter met ons om dan onze eigen leiders.’

De woorden steken schril af tegen die van Nobelprijswinnaar Wole Soyinka. Die noemde de onafhankelijkheidsstrijd ‘politiek en militair onverstandig’.