Waarom de Vlaamse pionier van de pil bleef zwijgen

01 april 2014 door KVDB

Toen paus Paulus VI in 1968 de pil verbood, zette de Vlaamse gynaecoloog Nand Peeters zijn onderzoek naar orale anticonceptie definitief stop. In 1960 had hij nochtans de eerste bruikbare pil ter wereld op punt gesteld. Nooit zou hij nog praten over deze prestatie. Uit angst voor represailles, zo blijkt nu.

De pil van de Turnhoutse gynaecoloog Ferdinand Peeters werd op Radio 1 verkozen tot beste Belgische uitvinding. Voor de gelegenheid plaatsten we het achtergrondverhaal over de man en zijn levenswerk, uit Eos Memo, online.

Toen paus Paulus VI in 1968 de pil verbood, zette de Vlaamse gynaecoloog Nand Peeters zijn onderzoek naar orale anticonceptie definitief stop. In 1960 had hij nochtans de eerste bruikbare pil ter wereld op punt gesteld. Nooit zou hij nog praten over deze prestatie. Uit angst voor represailles, zo blijkt nu.

In april 1995 valt een brief uit Duitsland in de brievenbus bij Nand Peeters in Turnhout. De dan 77-jarige gynaecoloog zal hem nooit lezen. Hij heeft een paar jaar eerder een hersenbloeding gekregen. Het is zijn oudste zoon, Marc Peeters, die het haast onleesbare handschrift ontcijfert. De brief – in het Duits – is duidelijk van een oude bekende van zijn vader: ‘Zeer geëerde heer dr. Peeters. Lang hebben we niets meer van elkaar gehoord. Ik hoop evenwel dat het u goed gaat en dat u van uw leven als gepensioneerde kunt genieten.’

Aan het woord is Werner Dietrich. Hij was tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw de hoofdonderzoeker van de Duitse farmaceutische firma Schering in Berlijn. Hij meldt zijn oude collega dat het Hygiene-Museum in Dresden een tentoonstelling wil maken over de 35ste verjaardag van Anovlar, de eerste universeel bruikbare anticonceptiepil. En dus ook over ‘over uw beslissende bijdrage tot de ontwikkeling van Anovlar’.

Als gynaecoloog maakte Nand Peeters zich druk over het egoïsme van de mannen die hun vrouw voor de zoveelste keer zwanger maken

‘Ik kende Anovlar, maar verder wist ik er niets van’, herinnert Marc Peeters zich zijn eerste reactie na het lezen van de brief. ‘Vader was van 1946 tot 1988 gynaecoloog in Turnhout en hij had veel wetenschappelijke publicaties op zijn naam. Maar dat hij een baanbrekende bijdrage aan de ontwikkeling van de pil zou hebben geleverd, dat wisten wij niet. Dat had hij aan zijn kinderen nooit verteld.’

Wanneer op 1 juni 1996 de tentoonstelling Die Pille. Von der Lust und von der Liebe opent en Dietrich een exemplaar van de catalogus naar Turnhout stuurt, krijgt de familie Peeters voor het eerst het hele verhaal te lezen. De conclusie is onweerlegbaar: Ferdinand Peeters heeft in 1959-60 klinisch onderzoek gedaan dat geleid heeft tot de ontwikkeling van de eerste bruikbare anticonceptiepil. Sterker nog, die pil werkte zo goed en had zo weinig bijwerkingen dat de gecanoniseerde ‘vader van de pil’, de Amerikaan Gregory Pincus, de samenstelling van zijn Enovid aanpaste aan die van Anovlar. Met een passende metafoor zou je dus kunnen stellen dat Nand Peeters de stiefvader is van een van de belangrijkste medische ontdekkingen uit de geschiedenis. Stiefvader, omdat hij zich ontfermde over het geesteskind van iemand anders.

Diepgelovig en sociaal bewogen

Dokter Ferdinand – Nand – Peeters (1918–1998) verhuisde in de jaren veertig van Mechelen naar Turnhout. Hij werd in 1951 benoemd als hoofd van de gynaecologische dienst van het Sint-Elisabethziekenhuis. Die instelling was weliswaar een stedelijk initiatief, maar aangezien Turnhout bestuurd werd door een homogeen katholiek schepencollege, was de bewegingsvrijheid op ethisch vlak erg beperkt. Nand Peeters was zelf een diepgelovig man; goed ingeburgerd in het lokale katholieke verenigingsleven, de kerk en het onderwijs. Toch werd hij in zijn dagelijkse praktijk geconfronteerd met de schaduwkant van de kroostrijke gezinnen die door de kerk werden verheerlijkt. In het begin van zijn carrière was hij de enige gynaecoloog in de Noorderkempen. De toevloed aan patiënten was dus groot. Vooral bij thuisbevallingen op boerderijen is hij getuige van mensonterende taferelen. Vrouwen die op latere leeftijd nog zwanger werden, tekenden in die tijd hun doodsvonnis. Er was veel incest in de kleine boerendorpen rond Turnhout en het aantal gehandicapte – vooral mongoloïde – kinderen was erg hoog. Illegale abortus, in erbarmelijke omstandigheden uitgevoerd, was schering en inslag.

In een katholiek blad prijst Peeters de pil niet aan als anticonceptie, maar als m­iddel om de menstruatie­cyclus beter te regelen

Zuster Aleydis, een van de vroedvrouwen die met Nand Peeters werkte, herinnert zich nog dat de gynaecoloog zich ongelofelijk druk kon maken over het egoïsme van de mannen die hun vrouw voor de zoveelste keer hadden bezwangerd. ‘Wanneer een vrouw op leeftijd haar zoveelste kind ter wereld had gebracht en daar bijna zelf het leven bij liet, snauwde hij de echtgenoot toe: ‘En gaat ge ze nu weer zwanger maken. Dan kunt ge ze beter nu van kant maken.’’

Al erg vroeg is Nand Peeters sterk geïnteresseerd in de modernste technieken van geboortebeperking. In de jaren vijftig volgt hij de onderzoeken van de Amerikaan Gregory Pincus op de voet. Die brengt in 1956 de eerste anticonceptiepil op de markt, Enovid. Die is echter zo zwaar gedoseerd dat ze ernstige bijwerkingen heeft: ze veroorzaakt in vijftig procent van de gevallen misselijkheid, duizeligheid en hoofdpijn. In datzelfde jaar brengt de Duitse firma Schering het belangrijkste bestanddeel van Enovid – het progestageen northisteron – op de markt in een licht gewijzigde vorm. Onder de merknaam Primolut N wordt het door veel Europese gynaecologen gebruikt bij ‘menstruatiestoornissen’. ‘In Turnhout werd al erg vroeg met Primolut N geëxperimenteerd als anticonceptivum’, zegt Ulrik De Ridder, een van Peeters’ latere medewerkers. Zelfs de erg conservatieve gynaecoloog Dr. Proost schreef het soms voor.

De pil van Pincus

In Berlijn zitten de wetenschappers van Schering op dat moment met de handen in het haar. De pil die Pincus samenstelde, moet officieel menstruatiestoornissen behandelen, maar wordt – tegen de zin van de Amerikaanse overheid – door honderdduizenden Amerikaanse vrouwen gebruikt als voorbehoedsmiddel. Bij Schering zijn ze vooral geprikkeld omdat Pincus een preparaat gebruikte dat sterk lijkt op hun Primolut N.

Dr. Frenay, de directeur van de medisch-wetenschappelijke afdeling van het Belgische Scheringfiliaal, meldt op 6 mei 1959 aan het moederbedrijf dat hij Nand Peeters in Turnhout heeft bezocht. Hij sprak er met hem over zijn experimenten met Primolut N. De brief is glashelder over de bedoelingen van Peeters: ‘Bij de indicaties denkt hij vooral aan ovulatieremming met het oog op anticonceptie, in navolging van Pincus’, schrijft Frenay. Zijn brief komt terecht bij Werner Dietrich. Die vertelt dat de verantwoordelijke gynaecologen van Schering ‘ernstige bedenkingen [hadden] over het feit dat een gynaecoloog uit een klein Belgisch ziekenhuis in staat zou zijn op alle vlakken klinische proeven correct uit te voeren’.

Peeters mag toch een paar stalen van een verbeterde versie van Primolut N – SH 513 – gebruiken, maar alleen voor de indicatie ‘menstruatiecyclusstoornissen’. Dietrich verzwijgt aan zijn collega’s dat hij in de brief aan Peeters toch ‘enigermate positiever’ is en ook onderzoek naar de indicatie ‘ovulatieremming’ toelaat. Hij stuurt Peeters ook voldoende stalen SH 513 om zijn werk volgens de regels van de kunst te verrichten.

Samen met zijn medewerkers, klinisch bioloog en arts Marcel Van Roy en gynaecoloog in opleiding Raymond Oeyen, gaat hij aan het slag. Nand Peeters stelt zelf twee voorwaarden. Hij wil minstens zes maanden tijd en Schering moet de kosten op zich nemen die samenhangen met de eventuele publicatie van zijn bevindingen in een wetenschappelijk tijdschrift. Een honorarium vraagt hij niet.

Turnhoutse proefkonijnen

In januari 1960 belt Frenay vanuit Brussel naar Dietrich met de mededeling dat Peeters, Van Roy en Oeyen ‘interessante resultaten’ hebben bereikt met SH 513 met toevoeging van ethinyloestradiol (een oestrogeen dat al in 1938 door Schering was ontwikkeld). Snel wordt een bezoek van het drietal aan Berlijn geregeld. Daar doen Peeters en co hun bevindingen uit de doeken. Tussen juni 1959 en januari 1960 had Peeters de twee bestanddelen in verschillende doseringen toegediend aan een vijftigtal vrouwen uit het Turnhoutse. Zij moesten het preparaat innemen tussen de vijfde en de 24e dag van hun menstruatiecyclus. Ondertussen mochten ze naar hartenlust onbeschermd vrijen met hun man.

Peeters onderzocht of de vrouwen voortijdige bloedingen kregen, of ze zwanger werden en of ze ongemakken ondervonden van het innemen van de supplementaire hormonen. Bij de zevende combinatie was het raak: 4 milligram SH 513 en 60 microgram oestrogeen leverde bijna perfecte resultaten op. In hun conclusie verlaagden de drie artsen de dosering van het oestrogeen nog tot 50 microgram. Die combinatie was volgens Peeters de doeltreffendste: ze regelde de cyclus, er waren geen zwangerschappen of noemenswaardige bijwerkingen. De conceptie van de eerste bruikbare combinatiepil was een feit, ook al was de ideale dosering slechts op zes patiënten getest gedurende in totaal twaalf menstruatiecycli.

In Berlijn vielen een paar Duitse wetenschappers van hun stoel. ‘Wat dr. Peeters over de resultaten van zijn klinische proeven meedeelde, was buitengewoon indrukwekkend en zette ons ertoe aan onmiddellijk dr. Rudolf Schmidt, die verantwoordelijk was voor de research, en professor Karl Junkmann, leider van het hoofdlaboratorium, hiervan op de hoogte te brengen’, schrijft Dietrich. ‘Men nam het besluit de studies van dr. Peeters op alle vlakken te steunen en hem te vragen zijn werk intensief verder te zetten.’

Na nog een dagje vergaderen vliegen dokter Peeters en zijn gezelschap terug naar Brussel. Op 8 april, minder dan een week later, krijgt Peeters in Turnhout een brief waarin Schering hem toezegt tabletten van zijn preparaat te maken. Dat gaat de geschiedenis in als SH 639. Er worden genoeg tabletten van geleverd om de testen op een veel grotere schaal voort te zetten. Vanaf dan krijgen tientallen Turnhoutse vrouwen als proefkonijn de pil toegediend.

Jackpot

Bij Schering begint het snel te dagen dat Peeters hen de jackpot heeft bezorgd. Als zijn resultaten worden bevestigd, kan een pil worden geproduceerd die even doeltreffend is als die van Pincus, maar die wel veel minder bijwerkingen heeft. Schering brengt na het bezoek van de Turnhoutse artsen aan Berlijn een hele batterij onderzoekers in stelling: professor Kirchhoff en dr. Haller en professor Kepp in Duitsland. In Engeland zijn er testen van dr. Eleanor Mears en dr. Gerald Swyer in Londen. In Australië gaan dr. Bowman en dr. Grant aan de slag, in Japan dr. Matsumoto, in de VS dr. Margulies.

Al in de herfst van 1960 wordt duidelijk dat SH 639 perfect werkt. Eleanor Mears concludeert dat het menstruatiecycli oplevert ‘of almost clockwork precision’. De menstruatie volgt bijna altijd een dag na het innemen van de laatste pil. Volgens haar is dat een resultaat dat met geen enkel ander middel wordt bereikt.

Maar dan krijgt Schering schrik van zijn eigen schaduw. Terwijl Pincus op 23 juli 1960 van de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) eindelijk de toestemming had gekregen om Enovid ook werkelijk als anticonceptiemiddel op de markt te brengen, is men in Duitsland bang voor kritiek. En zo mist Schering de primeur. In Duitsland, dat het nazitrauma en de eugenetica-experimenten nog niet heeft verwerkt, is anticonceptie geen evidentie.

In Australië heerst er een progressiever klimaat en de lokale verantwoordelijke van Schering, Alexander Hart, is een fervente voorstander van de introductie van SH 639 down under. Hij verzint ook de merknaam Anovlar (‘zonder eisprong’). Op 10 januari 1961 beslist Schering om Anovlar in Australië op de markt te brengen. Op 1 februari van dat jaar wordt de eerste verpakking verkocht. In Duitsland zal het nog tot 1 juli 1961 duren. Daar is de studie van Kirchhoff en Haller, die die van Peeters bevestigt, doorslaggevend.

In oktober ontmoeten Haller en Peeters elkaar op een congres van het Nordwestdeutsche Gesellschaft für Gynäkologie in Kiel. Peeters onthult er nieuwe resultaten met Anovlar, ditmaal op basis van 1.500 cycli. Weer zijn die een succes over de hele lijn. De enige significante nevenwerking is lichte hoofdpijn bij het doorbreken van de menstruatie.

Vanaf dan is de opmars van Anovlar niet meer te stuiten. Zowat in de hele wereld wordt de pil op de markt gebracht. Het succes is zo overweldigend dat ook Gregory Pincus maatregelen treft. Hij verandert de dosis progestageen in Enovid van 9,85 milligram naar 5 milligram, ietsje meer dan de 4 milligram van dokter Peeters. In juli 1961 keurt de FDA Enovid 5 mg goed als anticonceptiemiddel. De pil van Nand Peeters heeft dan definitief de wereld veroverd.

Audiëntie

Nand Peeters acht zijn onderzoek naar de pil niet in tegenspraak met de kerkelijke leer. Die ziet geen graten in periodieke onthouding, maar Peeters weet uit de praktijk dat die techniek niet werkt, omdat bijna geen enkele vrouw een regelmatige menstruatiecyclus heeft. Met zijn Anovlar kan die cyclus ‘zo regelmatig als een klok’ worden. In een artikel in het Sint-Lucasblad uit 1962 zoekt Peeters een middenweg tussen een ‘hygiënische’ en de ‘moreel verantwoorde geboortespreiding’.

Vanuit medisch oogpunt is een pauze van twee tot tweeënhalf jaar tussen twee zwangerschappen ideaal. Om dat ritme te kunnen respecteren zouden ‘onze jonge gezinnen’ opgevoed moeten worden tot ‘edelmoedige vruchtbaarheid’. ‘Een gezonde en zonnige spiritualiteit en vooral de steun van een geestelijk-lichamelijke huwelijksliefde, waarin de twee partners voortdurend, ook door hun kinderen, elkaar aanvullen, zullen hier onmisbaar zijn’, schrijft Peeters in het katholieke jargon van die tijd.

Toch beseft de dokter dat dit ideaalbeeld praktisch onhaalbaar is. En niet alleen omdat vrouwen niet regelmatig menstrueren, waardoor de mannen zich niet doeltreffend periodiek kunnen onthouden. ‘Er zijn ook wel enkele factoren van sociale aard die actueel een normaal en geregeld huwelijksleven bijzonder moeilijk maken, bijvoorbeeld het feit dat de man om de acht dagen van zijn werk komt.’ Peeters kent zijn wereld en de bronst van pendelarbeiders die op vrijdagavond van de trein stappen.

In het artikel prijst hij dan ook de pil aan, niet als anticonceptivum, maar wel als middel om de cyclus van de vrouw beter te regelen waardoor ze wel opnieuw aan periodieke onthouding kan doen. ‘Ik ben ervan overtuigd dat Nand Peeters wist dat er via deze cyclusregulator geen zwangerschap meer mogelijk was,’ zegt dokter Harry Van Der Pas, die in de jaren zestig samenwerkte met Peeters. ‘Periodieke onthou-ding was dus in feite overbodig. Die dubbele bodem is typisch voor die tijd.’

De pil toestaan om de cyclus te regelen slaat aan in katholieke kringen. Het is de tijd van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-65) en er wordt vrijuit gediscussieerd over anticonceptie. Dokter Peeters wordt op 1 mei 1963 in audiëntie ontvangen bij paus Johannes XXIII. Het Vaticaan roept in september 1964 het eerste congres van Europese katholieke dokters samen. Nand Peeters spreekt er over zijn onderzoek. Hij staat op de rand van een internationale doorbraak. In het familiearchief worden de uitnodigingen bewaard voor recepties die hij op Malta bijwoonde: de gouverneur en de regering van de toenmalige Britse kolonie, de aartsbisschop, de rector van de universiteit...

De progressieve stellingen van gynaecologen als Peeters lijken het in die tijd te halen op de harde lijn zoals die in 1930 in de encycliek Casti Connubii (Over het christelijke huwelijk) was vastgelegd door paus Pius XI. De concilievaders schrijven in 1965 in Gaudium et Spes (Vreugde en hoop) dat het bereiken van een ‘edelmoedige doch verantwoorde vruchtbaarheid’ een zaak is tussen de echtgenoten en God.

In eigen land krijgt dokter Peeters echter tegenwind. Zo mag hij vanaf 1963 geen assistenten meer opleiden voor de Katholieke Universiteit van Leuven. Hij moet noodgedwongen samenwerken met de Rijksuniversiteit van Gent, waar professor Michel Thiery een hele lichting progressieve gynaecologen opleidt. Nochtans had Nand Peeters in 1963 zijn onderzoek naar Anovlar mogen toelichten op een congres van de International Fertility Association in Leuven.

Humanae Vitae

De deur wordt helemaal dichtgeslagen wanneer paus Paulus VI in 1968 Humanae Vitae (Over het menselijke leven) publiceert. De restauratie is overduidelijk: ‘Verder is af te wijzen iedere handeling die, hetzij in het vooruitzicht van de huwelijksdaad of tijdens de voltrekking ervan of daarna bij de natuurlijke uitwerking ervan, het verhinderen van voortplanting als doel of middel tot het doel beoogt.’ Enkel periodieke onthouding blijft toegestaan. Geen pil, geen condoom, geen spiraaltje en geen morning-afterpil. Fons Uytterhoeven, die in de jaren zestig medisch adviseur is voor de Christelijke Mutualiteit in Turnhout, herinnert zich nog de verontwaardiging van Nand Peeters: ‘Hij was helemaal niet gelukkig met Humanae Vitae. ‘We gaan naar de paus en we gaan hem zeggen dat hij een encycliek Pacem in Utero moet schrijven: vrede in de baarmoeder.’ Helaas, het is er nooit van gekomen.’

Het is vandaag niet gemakkelijk om te achterhalen wat er precies in het hoofd van Nand Peeters omging. Egodocumenten zoals dagboeken of intieme brieven heeft hij niet nagelaten. Zijn vrouw is overleden en zijn kinderen hoorden pas in 1995 dat hij de stiefvader van de pil was.

Feit is dat hij zich nadien niet meer zou bezighouden met anticonceptie. Ook zijn naaste collega’s houden de kiezen lange tijd op elkaar. Het is Ulrik De Ridder die, 52 jaar na de introductie van Anovlar, vertelt waarom Nand Peeters nooit in het openbaar repte over zijn uitvinding. ‘In 1981 trok ik met dokter Peeters naar een congres in Lyon. In de bar van het hotel heeft hij me toen verteld waarom hij zijn onderzoek naar de pil heeft stopgezet. Hij zei me dat hij vreesde voor zijn job. Het werd hem in Turnhout niet met zoveel woorden gezegd, maar hij vreesde dat men hem zou ontslaan als hij nog verder zou werken aan een techniek die door de paus verboden was.’

De bijdrage van Peeters tot de ontwikkeling van de pil is in wetenschappelijke kringen nog steeds onderbelicht

Marc Peeters is niet verbaasd. ‘Ik neem graag aan dat mijn vader maar aan een half woord genoeg had om te beslissen. Hij voelde tenslotte dagelijks de weerstand. Bovendien was hij een pragmaticus. Je zou het zelfcensuur kunnen noemen.’ Han Van Roy hoorde van haar vader regelrechte horrorverhalen over het sektarisme in het Turnhoutse ziekenhuis, vooral in de materniteit in de Korte Begijnenstraat waar Nand Peeters en Marcel Van Roy werkten voor het Sint-Elisabethziekenhuis openging. ‘Een kleine anekdote om de sfeer daar te schetsen,’ zegt ze. ‘Het viel mijn vader op dat ongehuwde moeders meer pijn hadden, of daar uiting van gaven, dan gehuwde vrouwen op de bevallingstafel. Hij dacht dat het psychologische factoren waren, maar de oorzaak was gauw gevonden. De nonnen van dienst hielden de stukgevallen naalden bij. Die gevallen naalden vertoonden weerhaken en werden bijgehouden in ‘het potteke voor de zondige (lees: ongehuwde) moeders’. Mijn vader heeft de hoofdzuster toen een klap voor haar kop verkocht. Hij was atheïst maar vooral mens en kon zulke praktijken niet tolereren.’

Han Van Roy merkt wel bitter op dat haar vader destijds niet op steun van zijn toenmalige superieuren kon rekenen. ‘Ook niet op die van Nand Peeters. Ik begrijp dat Nand Peeters vreesde voor zijn job, maar mijn vader was van mening dat vorsers zich daar niet aan mochten storen. Hij heeft daarom ook een experimenteel labo opgericht en altijd met privémiddelen gewerkt.’

Ondergewaardeerd

Dokter Dirk Janssens, die met Nand Peeters samenwerkte, vermoedt dat er nog een andere reden is waarom het onderzoek van Nand Peeters onder de radar bleef. ‘De professoren aan de universiteiten van Gent, Brussel en Leuven werkten allemaal samen met farmaceutische firma’s. Meestal ging het om Ortho (in Beerse) of Organon (in Oss, Nederland). Het feit dat Peeters samenwerkte met Schering – een Duitse firma – paste niet in de kraam. Zo is het opvallend dat professor Michel Thiery in zijn eerste boek over anticonceptie wel alle ‘lichte’ pillen opsomt die op dat moment op de markt waren en die Enovid hadden verdrongen, zonder ook maar een letter over Anovlar te schrijven. Dat is opmerkelijk aangezien Anovlar de eerste lichte pil was en de andere veel later kwamen.’

Ulrik De Ridder vindt het ‘ongehoord’ dat de Vlaamse Vereniging van Gynaecologen Nand Peeters nog steeds niet officieel heeft gerehabiliteerd. In juni 2012 ging Dirk Janssens de rol van Peeters, Van Roy en Oeyen toelichten op het congres van Europese gynaecologen in Athene. Ook de publicatie A forgotten founding father of the Pill: Ferdinand Peeters, MD in The European Journal of Contraception and Reproductive Health Care (EJCRH) in oktober 2012 kreeg in de Vlaamse medische wereld geen weerklank. Hoofdredacteur van EJCRH, professor Jean-Jacques Amy, noemt het ‘onbillijk en onrechtvaardig’ dat de bijdrage van Peeters tot de ontwikkeling van de orale anticonceptie in de wetenschappelijke wereld niet gekend is en ‘dus zwaar ondergewaardeerd.’

Epiloog

Vast staat dat Nand Peeters, die in 1998 overleed, een doorslaggevende bijdrage heeft geleverd tot de ontwikkeling van de pil. Zijn naam is vergeten geraakt en dat heeft hij voor een stuk aan zijn eigen houding na 1968 te wijten. Toch heeft hij zijn werk nooit verloochend. In een uitgave van Wie is wie? vermeldt hij in het lemma dat door hemzelf geschreven is maar een van zijn tientallen publicaties: een boek over Oestrogenen en gestagenen in de dagelijkse praktijk. Ter gelegenheid van zijn pensionering wordt – in samenspraak met hemzelf – een perstekst geschreven. Daarin wordt verwezen naar zijn pionierswerk voor Schering. Het artikel haalt wel de regionale pagina’s van Gazet van Antwerpen maar niet de voorpagina van The New York Times, zoals het overlijden van Gregory Pincus.

In 1985, zeventien jaar na Humanae Vitae en drie jaar voor zijn pensionering, ontvangt Nand Peeters van Johannes Paulus II de pauselijke zegen. Niet omdat hij de pil heeft ontwikkeld, maar uit erkentelijkheid voor zijn werk in de scholen. Hij stond aan de wieg van de Turnhoutse verpleegstersschool.

Uit Eos Memo 2013, nummer 7.