Geschiedenis

‘De Oostendse Compagnie was klein, maar wel extreem winstgevend’

Als het verhaal van de Oostendse Compagnie al bekendheid geniet, dan is het vaak als prelude op de Belgische koloniale geschiedenis. Historicus Wim De Winter herbekijkt de handelscompagnie als een kroniek van ontmoetingen en bestudeert de interactie tussen Europeanen en oosterlingen.

Dit is een artikel van:
Eos Wetenschap

Dit artikel verscheen eerder in de Eos special Kolonialisme en verzet.

In 1722 werd de Generale Keizerlijke Indische Compagnie opgericht, een handelsonderneming die vanuit de Oostenrijkse Nederlanden – vandaar het predicaat ‘keizerlijk’ – handeldreef met bestemmingen in het Verre Oosten. Ze werd op dezelfde leest geschoeid als de Hollandse Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de Britse East India Compagnie (EIC) die al ruim honderd jaar succesvol specerijen, thee en porselein invoerden. De zetel van de private maatschappij lag in Antwerpen, de aangevoerde goederen werden in Oostende en Brugge geveild. 

De GIC opende twee handelsroutes: naar China en India. Op het Indische subcontinent stichtte ze factorijen aan de Coromandelkust in Zuid-India (Cabelon) en aan de Gangesdelta in Bengalen (Banquibazar en Bhourompour). Commercieel was de compagnie een groot succes. Tussen 1725 en 1728 werd in Oostende bijna 60 procent van de aangevoerde thee in West-Europa geveild, die bovendien van betere kwaliteit was dan de Hollandse. De grote winsten lokten afgunst uit in Holland en Engeland, en de GIC werd al na tien jaar ontbonden, toch bleef ze nog enkele jaren min of meer actief.

Met zijn doctoraat belicht historicus Wim De Winter een nieuwe kant van de Oostendse Compagnie.

Op dit ogenblik is er wellicht geen historicus die meer over de GIC kan vertellen dan Wim De Winter. Hij bereidt een doctoraat voor over de Oostendse Compagnie. ‘Daarin ben ik minder bezig met het maritiem-economische of het koloniale aspect, maar meer met de interactie met de lokale bevolking. Zonder contacten kon je immers geen handeldrijven. Mijn invalshoek is minder Eurocentrisch en vandaar een mooie aanvulling op de kennis van de GIC die mijn voorgangers al verzamelden.’ De Winter werkt aan de KU Leuven, zijn doctoraat schreef hij aan de UGent, met steun van de Gerda Henkel Stiftung.

 

 

Waarom is de Generale Keizerlijke Indische Compagnie zoveel minder bekend dan haar Britse en Hollandse tegenhangers?

‘Het Verenigd Koninkrijk en Nederland hebben zich altijd al meer geprofileerd als maritieme naties en dat merk je in de geschiedschrijving. Er zijn ontelbare, vaak heroïsche boeken over geschreven. In België merk je een zekere bescheidenheid, hoewel wij ook een mooie zeevaartgeschiedenis kennen. Het verhaal van de GIC is bijzonder boeiend, want het speelt zich af aan het einde van de vroegmoderne periode, een kantelpunt in geschiedenis waar je de kiemen voor de moderniteit en het kapitalisme aantreft.’ 

‘De GIC werd meer dan een eeuw na de VOC en de EIC opgericht. De Oostenrijkse Nederlanders bekeken goed hoe ze het elders hadden aangepakt, ook in Frankrijk en Scandinavië. Ze namen de knowhow en de procedés van de bestaande compagnieën over. Ze kochten in eerste instantie tweedehandsschepen van hen over en rekruteerden bij hen een aanzienlijk deel van de bemanning. Die bestond voor 60 procent uit buitenlanders. Grenzen waren toen sowieso minder strikt en de maritieme arbeidsmarkt was erg dynamisch.’ 

Waarom kreeg de GIC de bijnaam Oostendse Compagnie?

‘De nood aan een Zuid-Nederlandse compagnie was een gevolg van de politieke situatie. Aan het einde van de Spaanse Successieoorlog in 1713 gingen de Zuidelijke Nederlanden over naar de Oostenrijkse Habsburgers en werden de banden met Spanje doorgeknipt. Heel wat handelaars uit onze contreien hadden zakelijke en familiale banden met Spanje opgebouwd, vooral in Cadiz. Zij zochten een uitweg hun handelsbelangen te vrijwaren en besloten zelf schepen naar Azië te sturen. Voor het kapitaal keken ze vooral naar Antwerpse investeerders, die goede banden onderhielden met het hof in Brussel en Wenen. Oostende kende aan het begin van de achttiende eeuw al een lange traditie in internationale handel en werd de operationele draaischijf van de GIC.’ 

‘In vergelijking met de andere compagnieën was de Oostendse Compagnie veel kleiner, maar wel extreem winstgevend’

‘De oprichting van de GIC was geen overheidsinitiatief, maar kwam van onderuit. De gouverneur was initieel zelfs niet geïnteresseerd, want hij zag de diplomatieke bui met de Britten en Nederlanders al hangen. De interesse nam wel toe toen de overheid zag wat voor spectaculaire winsten je met de intercontinentale zeevaart kon maken. De schrandere handel in thee met China leverde zelfs meer dan 100 procent winst op. In vergelijking met de andere compagnieën was de GIC veel kleiner, maar wel extreem winstgevend. En dat zagen de Nederlanders en Engelsen natuurlijk ook. Vandaar dat een diplomatieke kwestie leidde tot de opheffing van de GIC.’ 

Was thee het enige product dat de Oostenrijkse Nederlanders verhandelden?

‘De vraag naar thee was in de achttiende eeuw erg toegenomen, zeker in de Noordelijke Nederlanden, maar die kon je ook vanuit Oostende bevoorraden. Daarnaast nam ook de vraag toe naar oosters textiel. Zijde kwam op de West-Europese markt terecht. Grof katoen vertrok met andere vloten naar Amerikaanse slaven. En guinees waren een kleurrijk textiel dat populair was bij Afrikaanse stamhoofden en waarmee de Europeanen slaven kochten. In Azië moesten ze betalen met klinkende munt. De schepen die naar Europa voeren, waren te licht en vandaar dat ze werden opgevuld met porselein dat in eerste instantie een ballastproduct was.’ 

‘De West-Europese compagnieën waren klein bier vergeleken met hun Aziatische tegenhangers’

‘Het gaat dus om geglobaliseerde handelsstromen via ontzettend kosmopolitische steden in Azië. Je vond er een rijke smeltkroes aan nationaliteiten: Zuidoost-Aziaten, Arabieren, Perzen, Armenen ... en daar kwamen de Europeanen bij. Vanuit ons standpunt waren de West-Europese compagnieën grote internationale ondernemingen, maar in vergelijking met hun Aziatische tegenhangers waren ze maar klein bier. De inter-Aziatische handel was veel omvangrijker dan de Europese. Om dat een beetje in perspectief te zetten: de Indisch-Perzische koopman Abdul Ghafur uit Gujarat beschikte met zijn familiebedrijf bijvoorbeeld over evenveel kapitaal als de hele VOC.’ 

‘De Aziaten hadden geen behoefte aan wereldhandel. Vanuit Europa bestond er wel een drive naar een globaal handelskapitalisme, de intentie om verder te gaan. En daar hangt het gebruik van geweld mee samen. De Europese compagnieën hadden altijd een staand leger bij, ook de GIC. Ze benadrukten dat ze kwamen om handel te drijven, maar hun handelspartners zagen die soldaten ook wel.’ 

Waarom had de GIC behoefte aan zo’n leger?

‘Dat is het grote verschil met hedendaagse multinationals. Stel je voor dat Amazon of Google over een staand leger zou beschikken. Officieel wilden de Europeanen hun factorijen en handelsnederzettingen beschermen. De reis naar het Westen nam zeven maanden in beslag en ondertussen moesten de leveringen gegarandeerd worden en de opslag beveiligd. Af en toe ontstonden er conflicten met de lokale overheid. De Europeanen probeerden dan met geweld iets af te dwingen, maar ze hielden er geen rekening mee dat de Bengaalse overheid een veel groter leger had. Achteraf moesten ze dan weer diplomatieke betrekkingen proberen op te bouwen. Andere succesvolle handelsgroepen, bijvoorbeeld de Armenen, maakten geen gebruik van geweld. Zij kenden de taal en de gebruiken en waren cultureel beter aangepast.’

Zo’n factorij van de GIC, wat moeten we ons daarbij voorstellen? 

‘Dat waren nederzettingen waar de Europeanen met de locals samenleefden. Er stonden ateliers en pakhuizen, en meestal ook een fort. Om die terreinen te verkrijgen, moesten ze onderhandelen met de lokale Bengaalse overheden. Ze vroegen om gebouwen te mogen vestigen om handel te kunnen drijven en ze wilden juridische aspecten regelen, bijvoorbeeld de jurisdictie over de Bengaalse bewoners. Dat is een groot verschil met het latere kolonialisme, dat veel meer vanuit een beschavings- en veroveringsidee vertrok.’ 

Plattegrond van de factorij in Banquibazar.

‘In China kreeg de GIC letterlijk geen voet aan de grond. Ze mocht hooguit een loods huren om thee en porselein in op te slaan. Het Chinese buitenlands beleid was veel meer gericht op veiligheid en controle, handel werd aangemoedigd, maar dan onder rigoureuze voorwaarden. De interactie bleef beperkt tot het strikt noodzakelijke.’ 

Zijn er nog overblijfselen van die factorijen?

(Lacht:) Dat ben ik zelf gaan controleren in India in 2015. Enkele van die factorijen lagen dicht bij elkaar aan de Ganges. De factorij van de EIC is uitgegroeid tot Calcutta, een enorme stad. Een Franse nederzetting is nu de Indiase voorstad Chandernagore. Aan de rivier vind je een soort dijk waar de reling typerend Europees is met lantaarntjes, er staan nog een Franse kerk en enkele andere gebouwen. Voor sporen van Banquibazar zou je archeologisch onderzoek moeten doen. Er blijft alleen een kanon over dat aan de GIC wordt toegeschreven, maar dat is erg onzeker. In ieder geval, de GIC beschikte in Banquibazar over 400 hectare, waarvan 8 hectare in eigen bezit. Dat is peanuts, zeker in vergelijking met het koloniale verhaal dat later zou volgen.’ 

‘De Europese compagnieën hadden altijd een staand leger bij, ook de Oostendse Compagnie’

Waarom konden de Britten wel hun stempel drukken op India?

‘Vanaf het midden van de achttiende eeuw begon het veroveringskolonialisme opgang te maken. De Britten gebruikten geweld om bijvoorbeeld minder belastingen te moeten betalen en ze vervingen de lokale autoriteiten zodat ze de hele provincie konden beheersen. Hun uitgangspunt was puur economisch: met de grondstoffen van overzeese gebieden het moederland verrijken.’ 

‘Aan het einde van de Oostenrijks-Nederlandse aanwezigheid in Bengalen was er een conflict dat al kiemen van het kolonialisme in zich droeg. De kooplieden gebruikten in 1744 geweld om een sterkere positie te forceren, onder meer door scheepskapingen op de Ganges, maar ze delfden het onderspit. De GIC was toen al ontbonden, maar de factorij was nog een tijd blijven bestaan omdat de kooplieden de handelspost in Oostenrijks-Nederlandse handen wilden houden. Ze bleven zich bezighouden met handel en vooral met smokkel. De VOC beschuldigde de GIC hiervoor van piraterij, wat het achteraf bekeken ook was.’ 

Op welk bronnenmateriaal baseert u zich voor uw onderzoek?

‘In het stadsarchief van Antwerpen zit een uitgebreid fonds over de GIC, daarnaast vind je ook bronnen in het Algemeen Rijksarchief in Brussel en in Wenen. Aangezien ik andere vragen stel dan de meeste van mijn voorgangers heb ik de bronnen anders gelezen dan zij. Denk bijvoorbeeld aan de talloze brieven in het Perzisch, de hoftaal in Mogol-India en de taal waarin de handelaars moesten communiceren. Voor die koopmanscorrespondentie namen ze schrijvers en vertalers in dienst. Dat is een categorie die tot nog toe onderbelicht bleef in de historiografie, terwijl ze essentieel was om zaken te kunnen doen.’ 

De Compagnie stichtte factorijen aan de Ganges in Bengalen.

‘Mijn onderzoek bracht bijvoorbeeld het belang van de Armeense handelaars aan het licht. Zij hadden zich in Perzië gevestigd en beheersten daardoor de taal en de omgangsvormen aan het hof van de Mogols. Doorheen de achttiende eeuw was de Armeense diaspora op het hele Euraziatische continent aanwezig, met tentakels tot in Tibet, Londen en Amsterdam. Ze rolden familiale netwerken uit waardoor nieuws en mensen zich snel konden verspreiden. Armeense agenten werkten voor de Europeanen als tussenpersonen. Zowel voor de communicatie met het hof als voor de organisatie van de factorijen. Zonder de Armeniërs zou de handel in India nooit hebben kunnen bloeien. GIC-dienaren blunderden vaak tegen het protocol in hun interactie met de lokale overheden omdat ze te hard op het economische aspect focusten. De Armeniërs waren zich wel bewust van het hele ceremonieel en dat interculturele gegeven was cruciaal voor het commerciële verhaal. Dat las je tot nog toe niet in de historiografie. Ik stel het beeld van de heroïsche veroveraars bij. Zij waren afhankelijk van anderen en moesten zich nederig opstellen.’ 

Hoe keken de Aziaten naar de Europeanen?

‘De Chinezen wisten dat de Europeanen uit verschillende landen kwamen, maar voor hen waren ze grotendeels gelijk. Ze noemden hen ‘roodharige barbaren’ en die waren verraderlijk, onvoorspelbaar en gewelddadig. Het katholicisme vonden ze absurd. Hoe kon je mens worden als je God was? Als je daarin geloofde, kon je niet heel slim zijn, maar daar was niets aan te doen. Het had geen zin om hen te bekeren.’ 

‘De Mogols noemden de westerlingen ‘Franken’ en de handelaars van de GIC waren ‘Allemans’. Zij zagen hen als ‘hoedendragers die handeldrijven en kanonnen afvuren’. Geweld maakte onlosmakelijk deel uit van hun identiteit. Dat begrepen ze niet. Bovendien beschouwden ze de Europeanen als ‘onhygiënisch’.’ 

‘De VOC beschuldigde de Oostendse Compagnie van piraterij, wat achteraf bekeken terecht was’

‘Omgekeerd merk je dat het denkkader van de meeste agenten van de compagnie bestond uit vooroordelen. Het verschil in religie maakte anderen per definitie onbetrouwbaar voor hen. Ze onderscheidden maar twee groepen: heidenen en Moren. Over die laatste dachten ze vaak nog net als de kruisvaarders: één grote groep onbetrouwbare ongelovigen. Het ging de Oostenrijkse-Nederlanders niet om bekerings- of beschavingsijver, maar om vrije handel met zo weinig mogelijk belemmeringen. Dat probeerden ze geleidelijk aan meer met geweld te garanderen of af te dwingen, wat ons een stap dichter brengt bij de methodes van het latere kolonialisme.’