Natuur & Milieu

Daarom zijn walvissen zo groot (en otters zo klein)

Zeezoogdieren hebben een minimale omvang omdat ze warmbloedig zijn. Maar er zit ook een bovengrens aan hoe groot ze kunnen worden.

Amerikaanse biologen hebben de evolutie gereconstrueerd van zeezoogdieren zoals walvissen, dolfijnen, otters, zeeleeuwen en lamantijnen. Daarbij concentreerden ze zich op de vraag waarom deze zoogdieren – waarvan de voorouders ooit allemaal landdieren waren – doorgaans zo groot zijn.

Soms lijkt het wel alsof er geen (boven)limiet staat op de grootte van zeezoogdieren. Die gedachte vertrekt bijvoorbeeld van de aanname dat er minder druk staat op lichaamsgrootte in de zee – de dieren moeten hun enorme gewicht immers niet op poten torsen.

"De bovengrens voor de lichaamsgrootte van zeezoogdieren zou bepaald worden door de hoeveelheid voedsel die het dier binnen een bepaalde termijn kan verzameld krijgen"

Maar de onderzoekers ontdekten dat er wel degelijk een bovengrens is voor de lichaamsgrootte van zeezoogdieren. Die zou bepaald worden door de hoeveelheid voedsel die een dier binnen een bepaalde termijn kan verzameld krijgen. De reden is dat het functioneren van de stofwisseling sterker toeneemt met de lichaamsgrootte dan het vermogen om aan voedsel te geraken.

Dat verklaart meteen waarom de baleinwalvissen (waartoe ook de blauwe vinvis behoort) de grootste aller zeedieren zijn. Zij filteren het water zo efficiënt dat ze voldoende voedingsstoffen binnenkrijgen – in de vorm van minuscule organismen zoals plankton – om hun reusachtige lijf te onderhouden.

De ondergrens voor de lichaamsgrootte van zeezoogdieren wordt bepaald door het feit dat het warmbloedige dieren zijn. Dat verklaart meteen waarom otters relatief klein zijn gebleven. Zij brengen immers een groot deel van hun tijd aan land door.