Kever evolueert razendsnel

Schorreloopkevers kunnen in amper twintig generaties een stel wendbare, korte vleugels ontwikkelen. Vanuit evolutionair perspectief is dat bijzonder snel. Belgische biologen hebben nu ontdekt hoe dat komt.

Schorreloopkevers (Pogonuschalceus) hebben normaliter lange vleugels, maar bij biologen is bekend dat populaties die een getijdenmoeras – of een andere wetland – hebben gekoloniseerd dat op gezette tijden blank komt te staan, razendsnel kunnen evolueren tot kevers met korte, meer wendbare vleugels.

Een team van Belgische biologen heeft de genvarianten in het kever-DNA ontdekt die voor die hypersnelle evolutie verantwoordelijk zijn. Opmerkelijk genoeg ontstonden die varianten niet op het moment van kolonisatie, maar waren ze veel en veel ouder, tot wel tweehonderdduizend jaar. Dat betekent dat de bewuste mutaties dateren van de voorlaatste ijstijd. Volgens de biologen moet een geïsoleerde populatie zich toen over een lange periode aangepast hebben aan het getijdenmoeras waarin ze leefden. Die aanpassing zou wél duizenden tot tienduizenden generaties in beslag hebben genomen.

Toen de ijstijd voorbij was en het weer warmer werd, mengde de kortvleugelige populatie zich met de langvleugelige soortgenoten. Zo kwamen de genvarianten voor korte vleugels in de genenpoel van de laatste terecht. Als die individuen nu opnieuw getijdenmoerassen koloniseren, dragen ze al de nodige genvarianten voor kortere vleugels met zich mee, waardoor natuurlijke selectie heel snel een kortvleugelig type kan opleveren. De oeroude genen worden als het ware hergebruikt.

"Evolutie kan zich verschillende keren op bijna identiek dezelfde manier afspelen, in verschillende periodes en in gebieden die ver van elkaar liggen"

Het Belgische onderzoek toont aan dat evolutie zich verschillende keren op bijna identiek dezelfde manier kan afspelen, in verschillende periodes en in gebieden die ver van elkaar liggen.