Kan ultrageluid het brein helpen om angst sneller af te leren?

Angst is moeilijk om af te leren. Nieuw onderzoek kan daar verandering in brengen.

Met ultrageluid kan angst misschien wel sneller worden afgeleerd. Dat heeft neurowetenschapper Sjoerd Meijer aangetoond. Hij is werkzaam aan het Donders Instituut aan de Radboud Universiteit. Zijn onderzoek bestond uit het stimuleren van de amygdala met onhoorbare geluidsgolven. Dat is een gebied in de hersenen dat onder andere een centrale rol speelt bij het aan-en afleren van angsten.

Ultrageluid wordt ook gebruikt voor echo’s bij zwangere vrouwen. Daar wordt geluid breed uitgestuurd om een beeld te maken. Bij dit onderzoek gebeurt het omgekeerde: het geluid komt op één punt in de hersenen samen. Dat valt te vergelijken met een vergrootglas dat zonlicht focust op één plek. Op die manier kon Meijer zonder operatie één bepaald hersengebied beïnvloeden. ‘Het punt waarop de geluidsgolven samenkomen kan zo klein zijn als een rijstkorrel. Daarmee kunnen we voor het eerst specifieke diepe hersengebieden tijdelijk anders laten werken, zonder dat de rest van het brein wordt beïnvloed’, stelt Meijer.

Stimulatie met ultrageluid

Voor dit onderzoek waren er twee groepen. Een groep waarbij de amygdala gestimuleerd werd, en een controlegroep waarbij de hippocampus gestimuleerd werd. Meijer plaatste telkens twee kleine speakers op het hoofd van de proefpersonen. Dat deed hij ter hoogte van de slapen, omdat de amygdala zich daar achter de ogen bevindt.

Voordat angst kan worden afgeleerd, moet die worden aangeleerd. Proefpersonen kregen foto’s te zien van slangen. Bij sommige foto’s kregen ze een milde elektrische schok op de vingers, en bij andere niet. Zo leerden ze na een paar keer welke slangen gevaarlijk waren en welke niet, en ontwikkelden ze een bepaalde angst. Die angst was meetbaar, want bij het zien van een gevaarlijke slang nam de zweetreactie van de huid toe. Dat komt door de associatie die de proefpersonen maakten met de slang en het elektrische schokje.

‘Een onderdrukte angstherinnering kan altijd terugkomen. Een angstherinnering die zelf is veranderd, zou dat niet moeten doen’

Tijdens dat proces van angst aanleren, werd de amygdala telkens gestimuleerd met ultrageluid. Dan komen we tot stap twee: de angst weer afleren.

De proefpersonen kregen opnieuw foto’s van slangen te zien, maar dit keer zonder schokjes. ‘We zagen dat proefpersonen bij wie we de amygdala stimuleerden tijdens het aanleren van angst, die angst later veel sneller konden afleren. Zelfs op het moment dat die stimulatie met ultrageluid al gestopt was. Daardoor kregen we het idee dat wat die amygdala doet tijdens het aanleren, bepaalt hoe hardnekkig de angstherinneringen later zijn. We proberen met dat geluid de taak van dat hersengebied moeilijker te maken zodat de angstherinnering minder hardnekkig wordt opgeslagen, en dat hebben we aangetoond’, stelt Meijer.

De proefpersonen hadden dus minder slangenfoto’s zonder schok nodig om te ontspannen. ‘De amygdala zorgt ervoor dat je bedreigingen snel onthoudt en langzaam vergeet. Met ultrageluid gericht op de amygdala konden we die balans verschuiven’, aldus Meijer.

Toekomst

De volgende stap is kijken of stimulatie van de amygdala ook helpt voor angst die al langer bestaat, zoals bij mensen met angststoornissen. Nu leren patiënten in behandelingen dat ze veilig zijn, maar de oorspronkelijke angstherinnering blijft bestaan, maar dan onder een laag nieuwe, veilige ervaringen. ‘Bij huidige therapieën is dat lastig. Nieuwe veilige ervaringen wissen die oude angst niet uit. Die dempen alleen maar de oude angstherinnering. Zodra je weer gestrest bent of zodra iets naars gebeurt, kan die angst weer terugkomen’, aldus Meijer.

Daarom is het interessant om te kijken of die stimulatie van de amygdala ook oude, langer aanwezige angstherinneringen kan veranderen. ‘Een onderdrukte angstherinnering kan altijd terugkomen. Een angstherinnering die zelf is veranderd, zou dat niet moeten doen.’

Deze bevinding kan een belangrijke rol spelen bij exposuretherapie. Dat is een soort therapie waarbij je geleidelijk aan wordt blootgesteld aan je angsten om die te verminderen, en waarbij je leert dat het veilig is omdat angstige verwachtingen niet uitkomen. ‘Hopelijk hebben we over een paar jaar een beter idee of we deze techniek goed kunnen laten werken voor angstpatiënten, en het kunnen integreren in bestaande therapieën zoals exposuretherapie. Ik ben daar hoopvol in, omdat we nu al twee dingen hebben laten zien. We kunnen zonder operatie diepe hersengebieden beïnvloeden, en we kunnen het gemakkelijker maken om angsten af te leren’, besluit Meijer.