Eos Blogs

Mijn moeder is niet dood

Mijn moeder is niet helemaal dood, ze leeft nog verder in mijn hart. Ik bedoel dit niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk. Een deel van de cellen in mijn lichaam is een exacte kopie van haar cellen.

Dat moet ik waarschijnlijk even toelichten. Er zitten cellen in mijn lichaam, die vintage van mijn moeder zijn. Die zij ooit heeft gemaakt. Hoewel de meerderheid van mijn eigen cellen maar voor de helft genetisch identiek zijn aan mijn moeder, en voor de helft van mijn vader, zijn er dus een deel cellen waar mijn vader absoluut niets mee te maken heeft, en die 100% een kopie zijn van de cellen van mijn moeder.

Voor de duidelijkheid: terwijl bijna al mijn eigen cellen over een X en een Y geslachtschromosoom beschikken, wat erop wijst dat ik een man ben, hebben een aantal van mijn cellen twee X-chromosomen, dus vrouwelijk. En als je die nader zou onderzoeken, dan zou je zien dat die 100% de genetische signatuur dragen van de cellen waar mijn moeder was uit opgetrokken. Ze leeft verder in mij.

Het gaat over ongeveer 1 op de 100.000 cellen. Maar aangezien ik er 30 biljoen heb (een 30 met twaalf nullen erachter), zijn er dus in mijn lijf honderd miljoen cellen van mijn ma bij. Ze zitten ondertussen overal verspreid: in mijn bloed, in mijn hersenen, mijn bijnier en ook in mijn hart. En dat is niet enkel bij mij zo, het is een speciale band die iedereen deelt met zijn of haar moeder.

Ik ben hier niet aan het hallucineren en ik heb ook niet te veel op ChatGPT vertrouwd, iets wat professoren tegenwoordig al eens kan overkomen. Nee, de biologische wetmatigheid, namelijk dat al de cellen in je lichaam genetische kopieën zijn van elkaar en van jouw eerste cel, de bevruchte eicel bij je conceptie, dat klopt gewoon niet. Dat hebben wetenschappers onlangs ontdekt. Vanwaar die herziening?

Ik heb gedurende negen maanden in mijn moeder gewoond. Een innige band. Ik stuurde bloed naar de moederkoek, de placenta, en zij voorzag dat bloed dan van zuurstof, energie en bouwstoffen en zo kon ik groeien, reken maar. Ter hoogte van die moederkoek bleven de circulaties mooi gescheiden. Mijn hart pompte mijn cellen rond, zij de hare. Ze kwamen in de buurt van elkaar, maar raakten elkaar niet. Dat dachten we tenminste. Onderzoek toonde aan dat die scheiding niet zo absoluut is als we eerst dachten. Dat er enkele van mijn cellen in haar lijf terecht gekomen zijn, en van haar cellen in mijn lijf.

Die cellen had ik na mijn geboorte nog altijd aan boord en die zijn goed beginnen gedijen in mijn bloed en in mijn organen. Eerst waren dat allemaal witte bloedcellen, maar diegene die bijvoorbeeld naar mijn hart zijn gemigreerd, die gedragen zich nu als hartspiercellen, schouder aan schouder pompen ze met mijn eigen cellen. Nu, 52 jaar later heb ik ze nog altijd. Het zijn ondertussen voornamelijk kopieën van de eerste, maar ze zijn nog altijd volledig maternaal: XX. Zo komt het dat mijn moeder niet helemaal dood is. De biologie in een poëtische bui.

Die uitwisseling was trouwens wederzijds. Dus mijn moeder had ook mijn cellen, met XY chromosomen, in haar. Ik denk dat ze die koesterde. Nu is haar lijf, en mijn cellen in haar, heengegaan. Maar denk eens aan de omgekeerde situatie. Dat een moeder een kind verliest. Ik kan er me op dit moment enkele voor de geest halen. Die hebben ontzettend veel verdriet, en de meeste komen het nooit meer helemaal te boven. Maar weet dat zij de cellen van hun overleden kind in zich dragen. Het is een magere, maar toch wel heel tedere troost. Het geldt voor alle moeders, zelfs al heeft het kind maar heel kort geleefd, of werd het dood geboren.

En er is meer. Die cellen zijn veel meer dan alleen een nostalgisch souvenir. Ze doen ertoe! Die cellen – je houdt het nauwelijks voor mogelijk- helpen de moeder waarschijnlijk om te herstellen van letsels. Bij muizen is ondertussen onomwonden aangetoond dat als je een moeder beschadigt, door een snee in haar huid of een infarct in haar hart of een beroerte in haar hersenen, dat het de cellen van haar kind zijn die als eerste komen helpen om de schade te repareren. Dat komt omdat die ‘foetale cellen’ ongeveer 100 keer meer gevoelig zijn voor de noodkreet ‘Aauw’, in biologische taal: de CCL-2 receptor. Ook bij mensen is aangetoond dat littekenweefsel in de huid van moeders opvallend veel foetale cellen bevat. Als een vrouw, zoals mijn eigen vrouw, via keizersnede bevalt van een zoon, dan zal het litteken op haar buik buitenproportioneel veel cellen met een Y-chromosoom bevatten. Een knipoog van haar schattig zoontje dat naast haar in de wieg ligt te slapen, en bij zichzelf denkt: ‘graag gedaan’.

Het is dus niet alleen de gedachte dat een moeder van een overleden kind nog cellen van haar kind in zich draagt, die steun en troost biedt, maar het is ook letterlijk een cellulaire therapie. Veel mooier wordt biologie niet.

En wat mijn moeder betreft: die is dus niet helemaal dood. Ze leeft nog verder in mijn hart. Een heel speciale plaats in mijn hart. Sure, I will leave a light on.