Kerstening, Clovis, Merovingers, Karolingers, volksverhuizingen... Het zijn bekende schooltermen, maar wie waren de mensen erachter? Vijftien jaar Europese archeologiewetgeving brengt licht én nieuwe vragen.
We konden ons blijkbaar zo weinig voorstellen bij het leven van de vijfde tot de achtste eeuw dat er ooit een Duitse amateurdendrochronoloog heeft voorgesteld om die tijd te schrappen. Hij ging de hort op en probeerde onderzoeksteams aan universiteiten zijn nieuwe jaarringchronologie met ongeveer driehonderd ringen minder te verkopen. Hij geloofde namelijk niet dat die driehonderd vroege jaren van de middeleeuwen bestaan hadden. Daar was in zijn ogen te weinig materieel bewijs voor.
Koen De Groote is verbaasd maar begripvol als ik hem het verhaal vertel. ‘Weinig materiële cultuur’, bevestigt hij. ‘Er zijn heel weinig nederzettingssporen en archeologische resten uit de vroege middeleeuwen. Als je een Romeinse site opgraaft, vind je onmiddellijk veel – keramiek, steen, glas, munten. Zit je op een vroegmiddeleeuwse site, dan zijn het wat kleine scherfjes en wat moeilijk herkenbare paalsporen.’
De Groote is archeoloog en onderzoeker bij het agentschap Onroerend Erfgoed en heeft een passie voor de middeleeuwen. ‘De enige vroegmiddeleeuwse sites die al in de negentiende eeuw of eerder bekend waren, zijn de Merovingische grafvelden. Dat zijn heel interessante plekken, want ze bevatten veel intacte keramiek en glaswerk, en prachtige juwelen.’
De grafvelden waren gegeerd door verzamelaars en musea, die hele collecties aanlegden. ‘De Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark bijvoorbeeld hebben een grote Merovingische collectie verzameld.’ Dat gebeurde op manieren die wij ons nu nog nauwelijks kunnen voorstellen. ‘Het grafveld in Lede is in de negentiende eeuw volledig leeggehaald, door arbeiders met prikstokken.’
In een zithoek in het Vilvoordse archeologiedepot van het agentschap komt meteen een levendig gesprek op gang. Er is ook bijzonder veel te vertellen over de vroege middeleeuwen vandaag, in tegenstelling tot twintig jaar geleden. Midden 2025 verscheen een vijfhonderd bladzijden dikke Onderzoeksbalans, zoals dat in het jargon heet.
Naast Koen De Groote zitten Marleen Martens – eigenlijk specialist Romeinse archeologie, maar ook trekker van deze onderzoeksbalans – en Jonas Van Looveren, directeur archeologisch erfgoed, mee aan tafel. ‘Zo’n onderzoeksbalans is bedoeld als leidraad voor zelfstandige archeologen’, begint Van Looveren. ‘Zij kunnen daar hun keuzes, beslissingen en afwegingen op baseren wanneer ze aan een project beginnen.’
Malta-archeologie
Even verduidelijken: door het verdrag van Malta dat de lidstaten van de Europese Raad in 1992 ondertekenden, zijn we het verplicht om ons cultureel erfgoed in de bodem te beschermen. Het verdrag werd omgezet in Vlaamse wetgeving vanaf 2008. Sindsdien worden alle grotere werken met grondverzet beschouwd als bedreigde sites en is er een archeologisch onderzoek nodig. Dat betekent dat er veel opgegraven werd in de laatste vijftien jaar.
‘Er zijn momenteel 373 erkende archeologen, en er zijn tussen de tweehonderd en de 250 opgravingen per jaar – soms heel kleine, soms grote’, vertelt Martens. ‘Al die archeologie leverde een enorme kenniswinst op voor een periode die tot nu toe erg duister bleef.’ De Groote: ‘Juist door die preventieve archeologie worden – in totaal – veel grotere oppervlaktes onderzocht. Vooral trajecten voor nutsleidingen zijn heel interessant, omdat die een doorsnede van het landschap geven.’
Zo werden in 2020 in Glabbeek, ten noorden van Tienen, veertien pottenbakkersovens gevonden. ‘Die blijken allemaal vroegmiddeleeuws.’ Als je weet dat de oudste tot dan toe gekende oven in Vlaanderen van het einde van de negende eeuw is, is dat plotseling veel en belangrijke informatie. ‘Een grote pottenbakkersactiviteit op een plaats en in een tijd waar niemand iets van wist. Een georganiseerde productie, die gedurende eeuwen doorloopt. Technisch goed gemaakt, vooral gedraaid materiaal … Dat zorgt ervoor dat wetenschappers bepaalde denkbeelden herzien.’
Archeologie van de vroege middeleeuwen is patchwork, zegt De Groote, zeker in de steden. ‘Er zitten vaak vijftien eeuwen bovenop, en je kan geen grote opgravingen doen. Het is pas als je al die puzzelstukjes samen kunt leggen, dat je het grote beeld begint te zien.’ Het agentschap Onroerend Erfgoed gaf aan Ewoud Deschepper en Wim De Clercq van de UGent de opdracht om alle beschikbare puzzelstukjes over de vroege middeleeuwen in Vlaanderen bij elkaar te brengen. Het resultaat is dus die onderzoeksbalans met verrassende, nieuwe inzichten, en met een duidelijke schets van de kennishiaten.
‘Het is juist daarin dat zo’n document een verschil kan maken. Zelfstandige archeologen hebben een brede kennis, het zijn geen specialisten’, zegt Van Looveren. Bovendien moeten ze bij zulke preventieve archeologie bijna altijd snel beslissen. ‘Als dan duidelijk is uit de onderzoeksbalans dat die slecht bewaarde site misschien cruciale informatie oplevert, dan kan dat de doorslag geven om er toch meer mee te doen.’ De laatste jaren gingen al flink wat dogma’s over de vroege middeleeuwen op de schop. Wat ervoor in de plaats moet komen, is nog niet altijd duidelijk, maar dat is wetenschap.
(G)een volksverhuizing
Hoewel de archeologie van de twintigste eeuw – of het gebrek eraan – er zeker voor iets tussen zit, mag duidelijk zijn: er werd niet alleen minder archeologisch materiaal gevonden uit de vroege middeleeuwen, er is ook minder te vinden. Deze streken waren heel dun bevolkt. De Groote: ‘Je hebt tot de derde eeuw volop Romeinse aanwezigheid, wat minder in de vierde eeuw, de vijfde eeuw wordt moeilijk en dan heb je die overgang.’
‘De grote nederzettingen lopen allemaal leeg, de Gallo-Romeinse nederzettingsstructuur verdwijnt grotendeels. Je hebt wat overlevers, en dan die Germaanse inwijkelingen, de Franken.’ De volksverhuizingstijd met de felgekleurde pijlen uit onze schoolboeken laat zich archeologisch moeilijk vatten. ‘Maar recent onderzoek van Vince Van Thienen wijst ook uit dat de leegloop van die Romeinse nederzettingen niet zo plots was’, legt Martens uit. ‘Volgens hem gaat het over generaties, net als de herbevolking van onze gebieden.’
‘Archeologie van de vroege middeleeuwen is patchwork, zeker in de steden’
De Romeinen gaven onze gebieden langzaam op, en trokken zich terug richting zuiden. ‘Het is de combinatie van een economische crisis, deels regionaal, maar eigenlijk in het hele Romeinse Rijk. Dan heb je de belastingdruk, en de mensen begonnen zich onveilig te voelen door de overvallen van rondtrekkende bendes van over de Rijn’, vult De Groote aan. ‘De Romeinen trekken zich ook uit Britannia terug. De keizer wil al zijn troepen bij zich hebben. Dan zie je die groepen van over de Rijn hier langzaam binnendruppelen. Sommige waren hier misschien al, want veel stammen werden als hulptroepen door de Romeinse legioenen ingeschakeld. Het is dus een combinatie van elementen.’
Van het dogma van de volkeren blijft de laatste jaren niet veel meer over, onder meer door nieuwe onderzoekstechnieken. De Groote: ‘Tijdens de Merovingische tijd krijg je een sterke bijna pan-Europese gemeenschap met veel connecties, tot aan de Middellandse Zee. Een prachtig voorbeeld is dat kleine grafveld in Koksijde. Geneticus en genealoog Maarten Larmuseau deed DNA-onderzoek op 53 skeletten, en daaruit blijkt dat er nauwelijks verwanten tussen liggen, terwijl het lang gezien werd als een familiebegraafplaats.’
Zou het dan geen goed idee zijn om DNA-onderzoek te doen op alle Merovingische grafvelden? De Groote lacht een beetje. ‘DNA is duur. Maar er is een groter probleem. Skeletten blijven nauwelijks bewaard in de bodem. Koksijde was een uitzondering: de dikke stuifzandpakketten erop zorgden voor een goede bewaring van het vochtige en kalkrijke zand en de beenderen.’
(G)een nederzetting
Ander natuurwetenschappelijk onderzoek – dendrochronologie – heeft heel wat duidelijkheid gebracht over hoe de nederzettingen eruit zagen in de vroege middeleeuwen. Indirect vertellen de jaarringanalyses ook hoeveel mensen er in onze streken woonden in die tijd. Koen De Groote neemt ons mee naar Kristof Haneca, de dendrochronoloog van het agentschap. Hij analyseert de jaarringen van zowat elk houten voorwerp dat in de archeologie opduikt in Vlaanderen.
Haneca onderzocht en dateerde het hout van een twintigtal waterputten bij gebouwen die in Sint-Denijs-Westrem in de wijk The Loop gevonden werden. ‘Met jaarringen konden we die waterputten tot op enkele jaren na exact dateren. Daaruit blijkt dat er continu mensen op de site gewoond hebben, maar er waren nooit meer dan een of twee boerderijen tegelijk. Elke twintig, dertig jaar werd er een nieuwe waterput gestoken op een andere plaats, en we vinden telkens ook sporen van de gebouwen waar die bij hoorde.’
‘De Romeinen sloegen een behoorlijk gat in het bosbestand. Dat kunnen we zien omdat steeds jongere eiken werden gekapt’
Wat er oppervlakkig uitzag als een dorp met een twintigtal huizen, blijkt na datering dus een wel heel kleine nederzetting. ‘We gaan ervan uit dat het telkens de volgende generatie was die een nieuw huis met een nieuwe waterput bouwde, omdat de waterputten steeds op dezelfde manier gebouwd waren. Blijkbaar werden die technieken in de gemeenschap doorgegeven.’ De waterputten waren altijd uit eikenhout gemaakt. ‘Dat is de duurzaamste houtsoort in onze contreien, die houdt het het langst uit in contact met de bodem.’
Volgens Koen De Groote zijn er voldoende aanwijzingen voor nederzettingen van een of twee boerderijen over heel Vlaanderen. ‘Pas later, met de bouw van kerken en de stichting van de parochies, kwam er een meer geconcentreerde bewoning.’
Doordat eik het belangrijkste bouwhout was doorheen de eeuwen, en omdat Haneca al jarenlang eiken bouwhout onderzoekt, kan hij conclusies trekken over de staat van de eikenbossen doorheen de geschiedenis, en zo indirect ook over de bevolkingsdichtheid. ‘De Romeinen hadden een behoorlijk gat geslagen in het bosbestand in onze contreien. Dat kunnen we zien omdat in de loop van de Romeinse periode steeds jongere eiken werden gekapt. Ze waren met velen, ze gebruikten veel hout.’
In de vroege middeleeuwen viel de druk weg en konden de bossen zich herstellen. ‘Aan het einde van de zevende, begin van de achtste eeuw zien we dat er plots weer oude bomen van 250 of driehonderd jaar worden gekapt, zoals we dat kennen vanuit de Romeinse tijd. Drie eeuwen voordien zijn die bomen dus beginnen te groeien. Het is de laatste periode dat je nog echt oud bos had. Vanaf de tiende eeuw komen die oude bomen hier nooit meer terug, omdat de vraag naar hout steeds groter werd en bossen massaal voor de bijl gingen.’
(G)een christen
Nog iets dat we op school leerden: de Merovingische koning Clovis bekeerde zich tot het christendom (waarschijnlijk in 496), en vanaf dan was iedereen christen. Niet dus. ‘Er was geen sprake van staatsgodsdienst, iedereen nam de beslissing voor zichzelf’, zegt Koen De Groote. ‘Na de bekering van het koningshuis duurde het nog zo’n tweehonderd jaar voor het christendom hier echt voet aan de grond kreeg.’
In die eerste periode waren er enkele kleine christelijke centra. ‘Je hebt de bisschop van Noyon-Doornik en de bisschop van Tongeren. De eerste kerken zijn vaak eigenkerken, van een lokale heer die in zijn domein een kerk zet.’ Er was ook geen harde lijn in het christendom, de rituelen uit het vroegere geloof bleven lang bestaan. Pas onder Karel de Grote (einde achtste eeuw) begonnen er edicten te komen, om te zeggen hoe christelijke mensen zich bijvoorbeeld moesten laten begraven. ‘Waarschijnlijk waren het suggesties, geen verplichtingen, maar ze proberen de christenen toch meer te beheersen.’
De Groote haalt de onderzoeksbalans erbij. ‘Er is een lijst van dertig heidense gebruiken bekend uit de achtste eeuw, de Indiculus superstitionum et paganiarum.’ Dat is vermoedelijk een opsomming van gebruiken die toen nog volop in zwang waren en die de christelijke kerk wou verbieden. ‘Het offeren in bronnen wordt er specifiek in vermeld. En het bestuderen van diereningewanden om de toekomst te voorspellen.’
Het is een van de zeldzame teksten uit die tijd. ‘De meeste van die teksten kennen we trouwens alleen uit kopieën door abdijen uit de negende en tiende eeuw. Daar slopen fouten in, of ze werden soms actief vervalst.’ Heiligen verzinnen, het is blijkbaar meer dan eens gebeurd. ‘Die brachten pelgrims, en dus geld de abdij binnen. In het Gentse waren er dan twee abdijen waarvan bekend is dat ze nieuwe documenten oud deden lijken om belangrijker te lijken dan de concurrentie.’
Teksten over het dagelijkse leven uit die tijd bestaan helemaal niet. ‘We kunnen enkel voortgaan op de archeologie’, zegt Marleen Martens. Naar sommige dingen zijn archeologen dan ook echt op zoek. ‘We zoeken niet-christelijke rituele plaatsen. Die zouden er moeten zijn, maar we vinden ze niet. Of misschien herkennen we ze gewoon niet.’
Bij wat archeologen wel vinden, moeten ze dan weer oppassen om niet te overinterpreteren. De aanwezigheid van christenen op Merovingische begraafplaatsen is zo’n geval. ‘Je hebt in die tijd veel uitwisseling van geschenken. Rijkdom die doorgegeven wordt om de persoonlijke status, maar ook die van het gezin of de gemeenschap te benadrukken. Een kruis met een grote waarde, bijvoorbeeld in goud, kan dus in het graf liggen zonder dat de overledene christen was.’ ‘Pas bij een kruisje gekrast in een keramiekscherfje ga je met enig vertrouwen uit van een persoonlijke betekenis’, vult Koen De Groote aan. Misschien de Merovingers in gedachten houden voor je die dure tablet cadeau doet aan iemand die je liefhebt?