Zijn onze politieke opvattingen genetisch bepaald?

14 mei 2014 door LB

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat genen, hormonen en neurotransmitters invloed hebben op de mate waarin mensen politiek geëngageerd zijn en op de plek in het politieke spectrum waar ze zich thuis voelen.

In een bekend verkiezingsspotje uit 2012 staat de Amerikaanse president Barack Obama voor een menigte aanhangers die gebiologeerd naar hem opkijken. Plotseling gaat het beeld op zwart en klinken er tonen in mineur. Op het scherm verschijnen woorden als ‘angst en afschuw’ of ‘walgelijk’, afgewisseld met fragmenten waarin mensen erover klagen dat Obama zijn kiezers heeft gemanipuleerd door doemscenario’s te schetsen. In de slotscène komt de tot een cultsymbool geworden verkiezingsposter uit 2008 in beeld, waarin het woord HOPE langzaam verandert in FEAR en vervolgens in vlammen opgaat.Deze clip van de conservatieve organisatie ‘American crossroads’ is illustratief voor de toon die er in de aanloop naar de presidentsverkiezingen van 2012 heerste in de Amerikaanse media en op het videokanaal YouTube. Zowel het linkse als het rechtse kamp produceerde dit soort horrorfimpjes met de bedoeling angst, woede of afschuw te wekken bij de kiezers.

"Genen, hormonen en neurotransmitters bepalen mee hoe mensen denken over politieke kwesties als de verzorgingsstaat, het homohuwelijk en militaire missies"

Deze strategie is geheel in lijn met nieuwe wetenschappelijke inzichten over de manier waarop mensen hun politieke meningen vormen. Politicologen hebben lang gedacht dat maatschappelijke factoren – de ouders en het sociale milieu – bepalen of iemand conservatief of progressief denkt en of hij/zij politiek actief is. ‘Inmiddels weten we dat dat slechts een deel van het verhaal is’, zegt psycholoog John Jost van de Universiteit van New York.

Steeds meer onderzoeken laten zien dat ook de biologie een vinger in de pap heeft als het gaat om onze politieke overtuigingen en de vraag of we actief deelnemen aan de politiek. Genen, hormonen en neurotransmitters bepalen mee hoe mensen denken over politieke kwesties als de verzorgingsstaat, immigratie, het homohuwelijk of gewapend ingrijpen door het leger. En gewiekste politici kunnen van deze biologische ‘hefbomen’ gebruikmaken om de onderbuikgevoelens van de kiezers te mobiliseren.

Pas sinds een jaar of tien houden ook de politieke wetenschappen zich bezig met genetica. De afgelopen decennia was weliswaar al in tal van studies onderzocht welke invloed de genen hebben op aandoeningen als schizofrenie, depressies of alcoholisme en op complexere zaken als seksuele geaardheid en leerprestaties. Maar politiek leek niets met de menselijke biologie te maken te hebben. De gedachte was dat de politiek daarvoor een te recente uitvinding is in de geschiedenis van de menselijke soort.

Toch had geneticus Nicholas Martin al in 1986 aanwijzingen gevonden dat onze erfelijke aanleg onze houding ten aanzien van politieke vraagstukken kan beïnvloeden. Martin, tegenwoordig als onderzoeker verbonden aan het Queensland Institute of Medical Research in Brisbane, had in een klassiek gedragsgenetisch onderzoek eeneiige tweelingen vergeleken met twee-eiige, waarbij beide helften van de tweeling telkens van hetzelfde geslacht waren. Eeneiige tweelingen zijn genetisch identiek, terwijl twee-eiige slechts de helft van hun genetisch materiaal gemeen hebben. De uitkomst van het onderzoek was dat eeneiige tweelingen vaker vergelijkbare politieke opvattingen koesteren dan twee-eiige. Aangezien broers en zussen in hetzelfde gezin, in hetzelfde milieu, opgroeien, trokken de onderzoekers de conclusie dat dit verschil tussen een- en twee-eiige tweelingen te herleiden was tot de genen, die dus een belangrijke rol leken te spelen bij de meningsvorming.

Weggestopt in een la

Het onderzoek van Martin leverde een belangrijke bijdrage aan de politicologie, maar de politicologen negeerden zijn werk. De eugenetica aan het begin van de twintigste eeuw en de rassenleer van de nazi’s hadden ertoe geleid dat beoefenaars van de politieke wetenschappen uiterst terughoudend reageerden op elk onderzoek naar genetische verschillen bij de mens. ‘De publicatie was een grote anticlimax’, herinnert Martin zich. ‘Er kwam geen enkele reactie. Twintig jaar lang lag het artikel ongelezen in een bureaula te verstoffen.’

In 2012 heeft het onderzoeksteam van Hibbing de proefpersonen opnieuw laten kijken naar emotioneel geladen foto’s, bijvoorbeeld van enerzijds een spin die over iemands gezicht kroop of maden in een open wond, en anderzijds een schattig konijntje of een lachend kind.

Totdat kort na de millenniumwende John Hibbing van de Universiteit van Nebraska en John Alford van Rice University min of meer bij toeval op het onderzoek van Martin stuitten. Zij analyseerden zijn data opnieuw en combineerden die met de uitkomsten van een groot Amerikaans tweelingonderzoek. In 2005 publiceerden ze hun bevindingen: er bleek inderdaad een relatie te bestaan tussen genen en politieke opvattingen. Ditmaal trok de publicatie eindelijk de aandacht van de politicologen – maar niet op de manier die Hibbing had gehoopt: ‘Ze verklaarden ons voor gek!’

Sommige onderzoekers, met name in de Verenigde Staten, zagen echter een aanleiding om de zaak grondiger te bestuderen. In 2008 wist James Fowler van de Universiteit van Californië met de tweelingmethode aan te tonen dat bij de vraag in hoeverre iemand politiek geëngageerd is en of hij/zij bij verkiezingen naar de stembus gaat, genetische componenten een rol spelen. Peter Hatemi van de Universiteit van Pennsylvania kwam op basis van steekproeven in Australië, Denemarken, Zweden en de VS tot soortgelijke bevindingen als Alford en Hibbing.

Kritiek op tweelingstudies

De bewijskracht van tweelingonderzoeken is echter beperkt, vooral omdat omgevingsinvloeden daarbij niet volledig uitgesloten kunnen worden. Meer nog dan twee-eiige tweelingen hebben eeneiige tweelingen dezelfde vriendenkring en houden ook op volwassen leeftijd meer contact met elkaar. Ook worden identieke tweelingen vaker dan twee-eiige hetzelfde behandeld door ouders, vrienden en leerkrachten. Daardoor is heel lastig te achterhalen in hoeverre de politieke opvattingen van eeneiige tweelingen aan genetische aanleg dan wel aan omgevingsfactoren toegeschreven moeten worden.

Er zijn wel pogingen ondernomen om het relatieve gewicht van de verschillende invloeden te bepalen. Zo heeft een onderzoeksteam onder leiding van Kevin Smith van de Universiteit van Nebraska in 2011 ontdekt dat de politieke opvattingen van eeneiige tweelingen die weinig tijd samen doorbrachten toch sterker op elkaar leken dan die van twee-eiige tweelingen. Maar de scepsis blijft. ‘Ik betwijfel of het goed mogelijk is aan de hand van tweelingonderzoeken te bepalen hoe groot de invloed van de erfelijke aanleg is’, zegt bijvoorbeeld politicologe Laura Stoker van de Universiteit van Californië. ‘De randvoorwaarden zijn allemaal gebaseerd op een groot aantal gissingen.’

Tweelingstudies maken ook niet duidelijk op welke manier het DNA ervoor zorgt dat iemand een politieke voorkeur voor links of rechts ontwikkelt. Onderzoekers speuren nu naar zogeheten kandidaatgenen. Zo schijnen genen voor het reukvermogen en voor de neurotransmitters glutamaat, dopamine en serotonine ook invloed te hebben op de politieke opvattingen en de bereidheid bij verkiezingen daadwerkelijk te gaan stemmen.

Overigens worden ook deze bevindingen door sommige wetenschappers met de nodige scepsis bekeken. Socioloog Jeremy Freese van Northwestern University in Illinois acht het idee dat afzonderlijke genen een sterke invloed hebben niet erg plausibel en benadrukt: ‘De afgelopen jaren is gebleken dat de methode van het onderzoek naar kandidaatgenen veel zwakke punten vertoont.’

Volgens Freese ligt een deel van het probleem in de omstandigheid dat studies naar een relatie tussen bepaalde genen en politieke voorkeuren meestal niet in natuurwetenschappelijke vaktijdschriften worden gepubliceerd, maar in tijdschriften op het gebied van de politieke wetenschappen. Daardoor bestaat het risico dat redacteuren en lectoren methodologische tekortkomingen over het hoofd zien. ‘Degenen die de ingezonden manuscripten moesten beoordelen, realiseerden zich niet dat sommige onderzoeken niet repliceerbaar waren’, aldus Freese.

Link met persoonlijkheid?

Ook politicoloog Christopher Dawes van de Universiteit van New York geeft toe dat er met sommige van zijn eigen onderzoeken problemen zijn. Hij hoopt dat er duidelijke resultaten behaald zullen worden met moleculaire onderzoeksmethoden, zoals de zogeheten GWAS (genome-wide association study). Daarbij zoekt men in het DNA van een groot aantal personen naar sequenties die een correlatie vertonen met bepaalde vormen van gedrag. Het onderzoek op dit gebied staat echter nog in de kinderschoenen.

Hoe lastig die opgave zal zijn, blijkt wel als we kijken naar andere vormen van complex gedrag of naar persoonlijkheidseigenschappen. Zelfs de lichaamslengte, die sterk afhankelijk is van genetische factoren, blijkt door duizenden genen beïnvloed te worden, waarbij elk afzonderlijk gen slechts een minieme bijdrage levert. Hoe waarschijnlijk is het dan dat al een klein aantal genen voldoende is om iemand tot een linkse activist, een bekrompen conservatief of een neoliberaal te maken? Veel onderzoekers denken dat het prematuur is om zich nu al met de politieke genetica bezig te houden.

Misschien is het eenvoudiger eerst maar eens te onderzoeken langs welke weg de genen in verband staan met politiek gedrag en politieke denkbeelden. Op dit punt kan de persoonlijkheid een rol spelen. Amerikaanse conservatieven verschillen waarschijnlijk duidelijk van hun politieke ‘geloofsgenoten’ in Irak of Italië. Maar veel psychologen zijn er toch van overtuigd dat de politieke ideologie in elk geval correspondeert met één persoonlijkheidskenmerk: de mate waarin iemand openstaat voor verandering. Liberalen oftewel progressieve mensen staan over het algemeen meer open voor veranderingen dan conservatieven. Uit studies als die van John Jost komt naar voren dat liberalen ambiguïteit en onzekerheid beter verdragen, terwijl conservatieven doortastender, nauwgezetter en ordelievender zijn. In theorie zou iemand die openstaat voor verandering eerder voorstander zijn van de openstelling van het huwelijk voor personen van gelijk geslacht, immigratie en andere maatschappelijke kwesties die traditioneel door de progressieve vleugel worden gesteund. Mensen die zich meer richten op orde en de status quo daarentegen, zullen eerder pleiten voor een sterk leger om het land te kunnen verdedigen en voor wetten die de immigratie beperken en het homohuwelijk verbieden.

Fysiologische parameters

Er zijn echter ook onderzoekers die bezwaar maken tegen het leggen van zo’n simplistisch verband tussen persoonlijkheid en politieke ideologie. Politicoloog Evan Charney van Duke University wijst erop dat conservatieven in de VS sommige veranderingen juist toejuichen, bijvoorbeeld op het gebied van het fiscaal recht of het systeem van sociale voorzieningen. Voorts merkt hij op dat de meeste onderzoekers op dit gebied – inclusief hijzelf – liberale denkbeelden aanhangen. Dat zou hun interpretatie van de relatie tussen persoonlijkheid en politieke overtuiging kunnen vertroebelen.

"Proefpersonen die bij experimenten schrikachtiger reageerden op angstaanjagende foto’s en plotselinge knallen waren vaker voorstander van de doodstraf, het recht op wapenbezit en de oorlog in Irak"

Daarom hebben enkele wetenschappers geprobeerd een verband te ontdekken tussen bepaalde fysiologische parameters en de politieke opvattingen van hun proefpersonen. In 2008 hebben Hibbing en andere onderzoekers gekeken hoe mensen reageren op angstaanjagende beelden en plotselinge harde geluiden. Het bleek dat degenen die bij dit experiment schrikachtiger reageerden – dat werd gemeten aan de hand van het knipperen met de ogen en de elektrische weerstand van de huid – vaker voorstander waren van het recht om vuurwapens te bezitten, de doodstraf en militair ingrijpen in Irak.

In 2012 heeft het onderzoeksteam van Hibbing de proefpersonen opnieuw laten kijken naar emotioneel geladen foto’s, bijvoorbeeld van enerzijds een spin die over iemands gezicht kroop of maden in een open wond, en aan de andere kant een schattig konijntje of een lachend kind. De proefpersonen die zichzelf conservatief noemden, reageerden gemiddeld sterker op de negatieve beelden dan op de positieve, terwijl liberalen zich vooral aangesproken voelden door de foto’s met een positieve uitstraling. De conservatieven bekeken de afschuw opwekkende beelden ook langer. Hibbing vermoedt dat deze mensen meer nadenken over situaties die angst inboezemen of afkeer wekken, en daardoor eerder geneigd zijn te pleiten voor een slagvaardig leger en strenge straffen voor misdadigers.

Het gelukshormoon bevordert xenofobie

Andere onderzoekers zijn nagegaan of het hormoonsysteem een rol speelt bij de politieke opvattingen. Zij waren onder andere geïnteresseerd in de relatie tussen vooroordelen en de concentratie oxytocine in het bloed – het ‘gelukshormoon’, dat ook invloed heeft op de empathie en het gevoel van verbondenheid met dierbaren. Het onderzoeksteam van Carsten de Dreu van de Universiteit van Amsterdam kon in 2012 rapporteren dat Nederlandse proefpersonen positiever op hun landgenoten reageerden dan op buitenlanders nadat ze een dosis oxytocine hadden opgesnoven.

Hormonen zouden ook kunnen beïnvloeden of iemand überhaupt de gang naar de stembus maakt. Zo schijnen mensen met een hogere concentratie van het stresshormoon cortisol minder vaak te gaan stemmen dan mensen met een lage cortisolspiegel. Veel van de tot nu toe uitgevoerde hormoonstudies zijn echter bekritiseerd, omdat ze vaak slechts op een kleine steekproef zijn gebaseerd en de gerapporteerde verschillen soms maar heel gering waren.

Gezien de tot nu toe beschikbare onderzoeksresultaten blijft Hibbing vooralsnog ‘agnostisch’, zoals hij het uitdrukt, ten aanzien van de vraag of ons politieke gedrag sterker wordt beïnvloed door de genen dan wel door omgevingsfactoren. Volgens hem is het in elk geval heel moeilijk iemand te overreden tot een andere politieke overtuiging, aangezien de daarbij behorende reacties verankerd liggen in de fysiologie. ‘Als iemand zich het grootste deel van zijn leven op negatieve dingen concentreert, ervaart hij/zij de wereld waarschijnlijk anders dan iemand die de nadruk legt op de positieve kant van de zaak.’ Mensen die zich aan de rechterzijde van het politieke spectrum bevinden, zijn dan ook niet erg onder de indruk van argumenten die voor linkse mensen heel vanzelfsprekend zijn, en andersom.

Alleen emoties lijken op dit punt enige invloed te hebben. Na de terroristische aanslagen in de VS op 11 september 2001 werden inwoners van New York die de traumatische gebeurtenissen van nabij hadden meegemaakt ‘conservatiever’. Ze voelden zich vaderlandslievender en religieuzer dan voordien en hadden meer waardering voor het Amerikaanse leger. Ook walging kan onze politieke opvattingen veranderen. Erik Helzer en David Pizarro van Cornell University hebben in 2011 experimenten uitgevoerd waarbij ze constateerden dat proefpersonen eerder geneigd zijn conservatieve opvattingen te verdedigen wanneer bij hen associaties met onreinheid worden gewekt – bijvoorbeeld doordat de onderzoekers een fles met een desinfecterend middel hebben neergezet met de aansporing hun handen te wassen.

Betekent dat nu dat verkiezingsspotjes met een afschrikwekkende inhoud mensen werkelijk tot een andere opvatting kunnen overhalen? John Alford blijft sceptisch. Hij gaat ervan uit dat dit soort filmpjes eerder bedoeld zijn om de eigen kiezers te mobiliseren en de tegenstanders te demoraliseren. ‘De bedoeling van deze filmpjes is niet de harten en hoofden van de kijkers te winnen’, zegt hij. ‘Ze proberen alleen maar te beïnvloeden wie er op de dag van de verkiezingen daadwerkelijk naar de stembus zal gaan.’

Alford hoopt vooral dat het effect van al deze onderzoeken zal zijn dat ze de tolerantie tegenover andersdenkenden zullen bevorderen. ‘Ik zou het al heel mooi vinden als de mensen wat minder ophef zouden maken over hun politieke overtuigingen.’