Geschiedenis van het onderzoek naar homoseksualiteit

Het is Internationale Dag tegen Homofobie, Bifobie en Transfobie. Journalisten Geert De Vriese en Frank Van Laeken blikken terug op ruim vijftig jaar research rond verklaringen voor homoseksualiteit. Een onderzoeksgebied dat anno 2018 nog altijd gevoelig ligt.

Uiteraard heeft de wetenschap intussen enorme stappen vooruitgezet, maar de studie en besteller Human Sexual Response (1966) van het koppel William Masters en Virginia Johnson geldt vandaag nog steeds als de eerste wetenschappelijke bijbel van de seksuele revolutie.

Masters en Johnson hebben als eersten de fysiologische en anatomische aspecten van seks bestudeerd in laboratoriumomstandigheden. Zij stelden onder meer vast dat het hele lichaam, inclusief het brein, een rol speelt bij opwinding en orgasme. Zij toonden ook wetenschappelijk aan, en dat was destijds hun meest spraakmakende conclusie, dat vrouwen fysisch in staat waren tot meerdere opeenvolgende orgasmes. Dat zijn, kort samengevat, de redenen waarom Masters en Johnson vandaag nog steeds algemeen gerespecteerd worden. Maar onder de bijhorende mantel der liefde ligt een ander onderzoek van met name Masters. Eentje waarvan zelfs zijn trouwste medestanders, Johnson en psychiater Robert C. Kolodny, zich zowat meteen distantieerden.

"Homoseksualiteit geldt voor de American Psychiatric Association nog tot 1973 als een psychologische afwijking"

Masters en Johnson zijn meer dan researchers. Onder de koepel van hun eigen onderzoeksinstituut runnen ze ook een aantal zorgcentra waar seksueel getroebleerde mannen en vrouwen terechtkunnen voor een behandeling. Daar is op zich natuurlijk niets mis mee, maar van 1968 tot 1977 loopt er ook een programma dat homoseksuele mannen ‘genezing’ belooft. Lees: dat hen zou kunnen omturnen tot de algemene maatschappelijke norm, heteroseksualiteit. Er gaat een zekere aantrekkingskracht vanuit in de Verenigde Staten van die tijd. Nog los van het emotionele, geldt homoseksualiteit voor de American Psychiatric Association namelijk nog tot 1973 als een psychologische afwijking. Johnson slaagt erin niet minder dan 71,6 procent van zijn ‘patiënten’ te ‘genezen’. Naar eigen zeggen, tenminste. Zowel deze bewering als het bijhorende boek Homosexuality in Perspective (1979) worden door andere wetenschappers met de grond gelijk gemaakt. Onder meer omdat Masters zijn onderzoeksresultaten op geen enkele objectieve manier kan staven.

Masters is nochtans lang niet de eerste die deze piste volgt. Integendeel, hij treedt zelfs in de voetsporen van nog grotere namen. Sigmund Freud was er bijvoorbeeld van overtuigd dat homoseksualiteit kon ‘genezen’ worden met suggestie onder hypnose. Om maar te zeggen dat het te kort door de bocht zou zijn om hem weg te zetten als expert die met dit specifieke onderzoek uit de bocht is gegaan. Laat staan als een excentrieke eenling. En dat geldt ook voor een van de meest roemruchte wetenschappers op dit vlak.

Drugs, pijn en genot

Op het curriculum van Robert Galbraith Heath (1915–1999) is weinig aan te merken. Psychiater, stichter en jarenlang directeur van het Department of Psychiatry and Neurology van de Tulane-universiteit in New Orleans, auteur van drie boeken en 425 wetenschappelijke papers…  Geen charlatan zonder ernstig te nemen wetenschappelijke achtergrond, dus. Zijn uitverkoren onderzoeksterrein is op zich ook zeker het researchen waard.

Heath gaat onder meer na welke effecten lysergeenzuurdi-ethylamide heeft op het menselijk brein. Die organische verbinding, beter bekend als LSD en voornamelijk gebruikt als drug, is overigens óók het werk van wetenschappers. Ze is nota bene gesynthetiseerd in een labo onder leiding een later lid van het Nobelprijscomité, de Zwitserse chemicus Albert Hoffman.

Minder moreel eenduidig is het feit dat Heath vanuit die specialisatie meewerkt aan een van de meest omstreden initiatieven ooit van de Amerikaanse buitenlandse inlichtingendienst CIA. ‘Project MKULTRA’ is de codenaam voor een onderzoek dat in de jaren '50 en '60 van de vorige eeuw nagaat hoe men gevangenen met chemische middelen kan martelen en zelfs hoe men mensen kan hersenspoelen. Behoorlijk fout, maar Heath is uiteraard lang niet de enige wetenschapper die tijdens de Koude Oorlog meevecht aan het Amerikaanse laboratoriumfront.

Een van zijn andere stokpaardjes is in het midden van de vorige eeuw nog prikkelend en provocerend. Maar op het loutere onderzoek naar de grens tussen genot en pijn, met het orgasme als ultieme voorbeeld, kan geen wetenschappelijk taboe rusten. Behoorlijk pertinente ethische vragen kun je wel stellen bij het tweede luik daarvan. Wanneer Heath de zones in de hersenen prikkelt die instaan voor pijngevoelens, kronkelen zijn proefpersonen in doodsangst over de vloer. Op dezelfde manier door elektroden in te planten in de hersenen bezorgt hij andere proefpersonen forse opstoten van plezier, zonder andere stimulansen.

Bij een vervolgexperiment brengt Heath een dun buisje aan in de hersenen. Daardoor laat hij een chemische stof binnendruppelen. Het resultaat is spectaculair: de proefpersonen beleven meervoudige orgasmes. In sommige gevallen tot een half uur aan een stuk door.

"Heath experimenteert met zijn 'Deep Brain Stimulation' vanuit de stelling dat homoseksualiteit een puur fysische kwestie is - een afwijking, een ziekte"

En dan gaat Heath nog een stap verder. Hij experimenteert met zijn Deep Brain Stimulation, zoals hij het zelf noemt, vanuit de stelling dat homoseksualiteit een puur fysische kwestie is. ‘Een afwijking, een ziekte. En dus kan die gecorrigeerd worden, genezen.’ Meer zelfs, hij heeft dat onomstotelijk bewezen en met succes uitgevoerd, beweert hij in een spraakmakende paper in 1972 in de titel alleen al weerspiegelt zijn insteek The Journal of Nervous and Mental Disease.

'Walgelijk!'

Heath beschrijft in zijn paper een experiment van twee jaar voordien met een 24-jarige homoseksuele man: ‘Patiënt B-19’. Bepaald representatief is die sowieso niet, met zijn (voor)geschiedenis van epilepsie, depressies en druggebruik. B-19 is bovendien gerekruteerd voor het experiment op het moment dat hem een gevangenisstraf boven het hoofd hangt wegens drugsbezit. Heath boort een gaatje in zijn schedel en brengt een electrode aan in het septumgebied. In de genotszone, zeg maar. Die is verbonden met een apparaatje waarmee B-19 zijn genotsgevoel kan stimuleren door op een knop te drukken. Daarmee, stelt Heath in zijn paper, stuwde hij zichzelf naar een orgasme terwijl hij keek naar een heteroseksuele pornofilm. ‘Terwijl hij nog nooit heteroseksuele geslachtsgemeenschap had gehad en het idee alleen al walgelijk vond.’

Daarna lukt het B-19, nog steeds volgens Heath, ook tot een orgasme te komen met een vrouw. Een 21-jarige prostituee die door de researcher zelf is ingehuurd... Zelden of nooit moeten er, alles bij elkaar, zoveel sociale wenselijkheid en andere factoren en variabelen geweest zijn om de betrouwbaarheid van een experiment in twijfel te trekken. Maar Heath schreeuwt het van de daken: hij heeft bewezen dat homoseksualiteit genezen kan worden.

"Medio 1968 barst de hel los na een ingezonden brief in Het Laatste Nieuws. Een lezer wijst erop dat er ook jongens zijn die van jongens houden en dat daar niets mis mee is"

Los van de wetenschappelijke waarde van zijn experiment én conclusie of het gebrek daaraan sluit zijn insteek hoe dan ook naadloos aan bij de tijdsgeest. Bij de algemene opinie bij het grote publiek, in de media en zelfs in de dagelijkse geestelijke gezondheidszorg. Een veelzeggend voorbeeld dat aangeeft dat de jaren zestig lang niet altijd zo progressief, ruimdenkend en verdraagzaam zijn als het vandaag vaak lijkt. Medio 1968 barst de hel los na een ingezonden brief in de jongerenbijlage van Het Laatste Nieuws. Een lezer wijst erop dat er ook jongens zijn die van jongens houden en dat daar niets mis mee is. Even terzijde, net zoals bij Masters en Heath gaat het van bij het begin dus alleen maar over mannen. Geen woord over vrouwen die van vrouwen houden.

Het regent verontwaardigde reacties: ‘Iedereen gaat ermee akkoord dat er een groot onderscheid is tussen diegenen die van nature homoseksueel zijn en diegenen die het geworden zijn na contact met andere homofielen.’ En ook: ‘Hoewel algemeen aangenomen wordt dat homoseksualiteit een aanleg is die men heeft door de geboorte, durf ik dat te betwisten. De meeste van die ondeugden zijn het gevolg van een verkeerde opvoeding of invloed. Soms komt homofilie tot uiting als iemand een paar mislukkingen heeft opgelopen bij het andere geslacht.’

Een Vlaamse psycholoog voelt zich geroepen om te reageren. Een vakman met praktijkervaring, en dus een onderbouwde visie? Aanvankelijk wel. Hij bevestigt dat homoseksualiteit aangeboren is en dus niets te maken heeft met opvoeding, omgeving of teleurstellingen in de liefde. Maar dan… ‘Een jongeman die homofiel is, heeft grotendeels een vrouwengeest in een mannenlichaam. Daarom betalen vele homofielen hun strijd tegen hun aangeboren geaardheid met een geestesziekte of zelfmoord. Zij hebben immers niet gevraagd om als homofiel op de aarde te komen. Zij weten zelf, spijtig genoeg, hoe walgelijk hun probleem is.’

Diezelfde basisinsteek – ‘een walgelijk probleem’ – komt letterlijk terug in een anonieme klachtenbrief die de Antwerpse gouverneur in dezelfde periode krijgt over wat er zoal gebeurt in de Plazabioscoop. De verontwaardigde burger in kwestie is de geruchten zelf gaan checken: ‘Dan komt men tot de brutale, walgelijke vaststelling van twee personen van het mannelijke geslacht die met elkaar bezig zijn. Dat daar geregeld zitplaatsen bevochtigd zijn door mannelijke uitstotingen is een feit.’

Heibel in Holland

Zowel de wetenschappelijke insteek als de algemene opinie lijken relieken uit een ver verleden. Maar dat zijn ze dus niet. In 1990 pas schrapt de Wereldgezondheidsorganisatie homoseksualiteit van haar lijst met geestesziekten. En een kwarteeuw later dragen niet alleen homofobe regimes zoals in Rusland en Zimbabwe de boodschap uit dat liefde voor iemand van hetzelfde geslacht een ziekte is. In 2016 blijkt uit een onderzoek in 19 Europese landen van het EU Agency for Fundamental Rights dat ruim 50 procent van de ondervraagde artsen, verpleegkundigen en andere medici van mening zijn dat homoseksualiteit een verklaarbare afwijking is: ‘Een veel gehoorde stelling daarbij is, dat men claimt dat mensen in hun jeugd een traumatische ervaring opdeden wat zich op latere leeftijd manifesteert in het anders willen zijn.’

"In 2016 blijkt uit een onderzoek in 19 Europese landen dat ruim 50 procent van de ondervraagde artsen, verpleegkundigen en andere medici van mening zijn dat homoseksualiteit een verklaarbare afwijking is"

Met name het onderzoek van Heath heeft de basis gelegd voor een ware ‘bekerings- en genezingscultuur’ in de Verenigde Staten. De meest uiteenlopende pseudotherapieën vinden een almaar vruchtbaarder voedingsbodem in het steeds conservatievere Amerika. En wetenschappelijk onderzoek naar homoseksualiteit blijft ook lang na Heath en Masters een mijnenveld waarin die ene vraag nog steeds en blijkbaar onvermijdelijk de toon zet: is er een medicijn voor? Het meest spraakmakende voorbeeld is er opnieuw een dat voortvloeit uit onderzoek naar de werking van het menselijk brein.

Dick Swaab is emeritus hoogleraar in de neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam en tot 2005 directeur van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek. Hij ontleent zijn autoriteit aan zijn research naar de invloed van hormonale en (bio)chemische factoren op de hersenontwikkeling in de baarmoeder. Bepaald geen verkeerd wetenschappelijk curriculum dus, net zoals dat van Masters en Heath. Maar het gaat weer mis, zij het dan op een heel andere manier.

In zijn boek Wij zijn ons brein (2010) buigt Swaab zich over de rol die onze hersenen spelen, van bij onze geboorte tot aan onze dood. Anorexia, alzheimer, medicatie, criminaliteit, geloof, hersenbeschadiging, psychische problemen, ja zelfs bijna-doodervaringen passeren de revue. Maar alles verdwijnt in de schaduw van één deelaspect. Swaab stond eerder al in het oog van de storm met zijn onderzoek naar verschillen tussen de hersenen van mannen en vrouwen. En als uitloper daarvan: verschillen op dat vlak tussen homoseksuelen en heteroseksuelen.

Swaab blijft bij zijn stelling dat homoseksualiteit geen bewuste individuele keuze is, maar ‘een onbedwingbare aanleg in de hersenen.’ Een stelling waaraan hij in 1989 al een fysiologische vaststelling heeft vastgeknoopt. Swaab heeft dan ontdekt dat een bepaald deel van de hypothalamus bij homoseksuelen merkelijk groter is dan bij heteroseksuelen. Een louter toevallige ontdekking bij zijn onderzoek van de hersenen – en daarmee is hij meteen het pad van de moreel beladen research ingeslagen – vijftien aan aids overleden mannen.

En dan volgt een roemruchte passage in het NOS-journaal. ‘Komt er een pil tegen homoseksualiteit?’ vraagt presentatrice Maartje van Weegen hem plots. Swaab is verrast. Hij wil zeggen dat hij alleen maar een fysisch verschil heeft waargenomen, meer niet. Maar hij geraakt niet echt uit zijn woorden, en half Nederland valt over hem heen. De holebi-beweging maar ook de wetenschappelijke wereld winden zich enorm op over wat in een moeite door gevulgariseerd wordt tot ‘De Knobbel van Swaab’: een lichamelijk verschil tussen hersenen van homoseksuele en heteroseksuele mannen, en bijgevolg een afwijking.

De Knobbel en De Hobbel

Gespecialiseerd socioloog Rob Tielman gaat in de tegenaanval met een argument dat, zeker in Anne Frank-land Nederland, bijzonder geladen is. Hij vergelijkt het onderscheid dat Swaab maakt tussen homo’s en hetero’s met onderzoek naar verschillen tussen… joden en niet-joden. ‘Het is dan ook goed te begrijpen dat homoseksuelen er niet gerust op zijn als het medisch denken weer op homoseksualiteit wordt toegepast. Ik begrijp ook niet waar die belangstelling voor het ontstaan van homoseksualiteit vandaan komt. Die is er toch ook niet voor het ontstaan van heteroseksualiteit?’ Ook zijn argumentatie krijgt prompt een makkelijk te behappen naam. Na ‘De Knobbel van Swaab’ is er nu ook ‘De Hobbel van Tielman’.

Zowat elk deelgebied van de wetenschap gooit zich in de strijd. Filosoof en politiek wetenschapper Stephan Sanders neemt het op voor Swaab. De vraag naar het nut van diens onderzoek is voor hem irrelevant: ‘Een onderzoek is een speurtocht: wie al weet wat hij wil vinden, kan zich de moeite besparen.’ Wat hem echter niet belet om een bijkomende explosieve vragen te formuleren: ‘Wanneer is er sprake van homoseksualiteit? Wanneer iemand het vaak met een seksegenoot doet? Of onbewust verlangt dat te doen?’

Theo van der Meer, een historicus gespecialiseerd in de geschiedenis van de homoseksualiteit, vraagt zich dan weer af ‘of er überhaupt seksuele geaardheden bestaan. De verlangens en feitelijke seksuele gedragingen van mensen zijn veel diffuser dan medische begrippen als seksuele geaardheid doen vermoeden.’

De kwestie leidt zelfs tot parlementaire vragen. ‘Vindt de minister het wetenschappelijk verantwoord dat op grond van onderzoek naar vijftien overleden aidspatiënten conclusies worden getrokken over de oorzaak van homoseksualiteit?’ wil een Kamerlid weten van minister van Onderwijs en Wetenschappen Wim Deetman. ‘En deelt de minister de mening dat de eenzijdige medische theorievorming van Swaab het gevaar inhoudt dat homoseksualiteit weer louter als een medische afwijking wordt gebrandmerkt?’ De verwarring is compleet wanneer Deetman antwoordt dat Swaab volgens hem wetenschappelijk zorgvuldig te werk is gegaan, maar dat hij als minister van Wetenschappen geen oordeel geeft over de wetenschappelijkheid van onderzoek. Euh?

"Ik dacht dat je in Nederland vrij kon spreken over alle aspecten van seksueel gedrag. Daar heb ik me in vergist"

Dick Swaab begrijpt er ook helemaal niets van. Niet van het academische en politieke gekissebis en nog veel minder van de dreigbrieven en dito telefoontjes die hij krijgt. Een bommelding zelfs, en een heuse betoging voor zijn woning. ‘Ik kreeg post van mensen die mij “nazi” noemden en vertelden dat ze me kwamen vermoorden,’ blikt hij er in 2009 op terug. ‘Ik dacht toen dat je in Nederland vrij kon spreken over alle aspecten van seksueel gedrag. En daar heb ik me in vergist.’

Dubieus en gevaarlijk

Hoe liep het eigenlijk af met ‘Patiënt B-19’? Ondanks alle reserves die intussen gegroeid zijn bij álle onderzoeken en experimenten van Robert Galbraith Heath blijft het een vraag die duidelijk fascineert. In 2016 gaat schrijver-journalist Robert Colvile op zoek naar het antwoord. De intussen overleden Heath beweerde zelf dat B-19, kort samengevat, nog een lang en gelukkig heteroleven leidde. Waar of niet waar? De universiteit van Tulane weigert de onderzoeksdocumenten vrij te geven, en Colvile vangt ook bot bij Heaths assistenten en collega’s van toen. ‘Maar op basis van de beschikbare informatie kun je het moeilijk oneens zijn met de inschatting van professor Alan Baumeister,’ schrijft hij. Baumeister is hoogleraar psychiatrie aan de Louisiana State University en de academische expert bij uitstek over het werk van Heath. En Baumeister zegt: ‘Zijn hersenstimulatie-experimenten waren dubieus en gevaarlijk. Naar de normen van vandaag, maar ook al naar die van toen. Heath – en dat geldt voor al zijn onderzoek – rechtvaardigde het door te zeggen dat hij het allemaal alleen maar deed voor het welzijn van patiënten. Maar dat kun je bezwaarlijk aannemen, als je ziet wat hij zoal deed en hoe.’

"Zijn hersenstimulatie-experimenten waren dubieus en gevaarlijk. Naar de normen van vandaag, maar ook al naar die van toen"

‘Hij was er inderdaad van overtuigd dat hij mensen wilde helpen,’ hoort journalist Robert Colvile ook bij Todd Ochs. Ochs is een mensenrechtenactivist die in de vorige eeuw al de strijd aanbond tegen Heath. ‘Maar dat maakt het alleen maar tragischer en gevaarlijker. Hij dácht dat hij homoseksuele mannen hielp, net zoals hij dácht dat hij ook mensen met schizofrenie hielp met gelijkaardige experimenten. Tja. Zelfgenoegzaamheid is iets waartegen elke ratio en redelijkheid machteloos staat.’

Waardoor Heath de geschiedenis blijft ingaan als, om de titel van Colviles reportage te citeren, ‘The man who fried gay people’s brains’.