‘Groepsdruk kan van iedereen een moordenaar maken’

24 oktober 2014 door MS

De Antwerpse professor Herman Van Goethem, bekend van talrijke historische werken en het uitbouwen van het Holocaustmuseum Kazerne Dossin in Mechelen, is bekroond met de Loopbaanprijs Wetenschapscommunicatie.

De Antwerpse professor Herman Van Goethem, bekend van talrijke historische werken en het uitbouwen van het Holocaustmuseum Kazerne Dossin in Mechelen, is bekroond met de Loopbaanprijs Wetenschaps- communicatie. ‘Een nieuw museum uit de grond stampen: er zijn er die andere dingen doen om hun midlifecrisis te bezweren …’

Ligt wetenschapscommunicatie u na aan het hart?

‘Ik vind het erg belangrijk, maar dat heeft wellicht te maken met mijn persoonlijkheid. Ik geef heel graag les, en dat is uiteindelijk pure wetenschapscommunicatie. De meeste studenten kunnen de manier waarop ik lesgeef, vanuit mijn onderzoek, ook wel waarderen. Goed lesgeven is van groot belang, omdat je te maken krijgt met jonge mensen die na de middelbare school plots in een wereld van kennis en inzicht terechtkomen. Ik vind dat ze een enorm wauw-effect moeten ervaren en de passie voelen die de docent voor zijn vak heeft. Bij mij brandt het vuur voor mijn vak nog net zo fel als 25 jaar geleden. De studenten leren mij dan ook heel snel kennen (lacht). Na twee uur lesgeven ben ik als smeulend vuur: dan blijft er niks meer van over. Maar ik weet dat sommige zaken bij elke student blijven hangen. Zo bekijk ik met de studenten Geschiedenis de volledige opnames van het proces tegen de Roemeense communistische leider Nicolae Ceausescu en zijn vrouw, en dat ontleed ik volledig met hen. Eigenlijk was dat een heksenproces, een totalitair ritueel.’

Voor de communicatie naar de buitenwereld bent u in het voordeel, gezien de onderwerpen waar u over schrijft.

‘Ik heb altijd gewerkt op onderwerpen die interessant zijn voor een groot publiek. Dat was al zo met mijn proefschrift over de processen in Vlaanderen tussen 1795 en 1935, die grotendeels in het Frans verliepen. Later heb ik gewerkt rond de geschiedenis van de Vlaamse Beweging, de politieke geschiedenis van België en de geschiedenis van de monarchie. Je bent een grote geluksvogel als je wetenschappelijk kan publiceren voor een groot publiek. Ik vind het niet nodig om echt te vulgariseren, maar je moet natuurlijk wel goed schrijven. En constant het gevecht aangaan met taal en teksten, elke dag! De taal is een weerbarstig lief (lacht).’

Vindt u dat wetenschappers de plicht hebben om met het publiek te communiceren over de resultaten van hun onderzoek?

‘Plicht vind ik toch wel een groot woord. Het hangt af van de discipline waarin je actief bent. Over wiskunde uitgebreid communiceren ligt misschien wat moeilijker. Mensen uit de alfawetenschappen hebben het makkelijker om een groot publiek te bereiken. Tegelijk heeft (Belgisch Nobelprijswinnaar) François Englert laten zien dat het bij een vak als fysica wel perfect mogelijk is.’

Kan je leren te communiceren?

‘Je moet er talent voor hebben, maar ook de drive om aan dat talent te blijven werken. En soms word je bijgestuurd waar je het niet had verwacht. Ik kan me nog heel levendig een gesprek herinneren met een studente, intussen toch al vijftien jaar geleden. Ik was net voor het eerst verkozen als beste prof van de faculteit rechten aan de Universiteit Antwerpen, en zij stapte op me af tijdens de receptie. ‘Ik snap niet dat ze u kiezen’, zei ze. ‘Ik vind u helemaal niet goed! U bent zo cynisch … Wij zijn jonge mensen, hoor, wij mogen toch nog idealen hebben?’ Ik ben door de grond gezakt! Maar achteraf gezien is dat een heel belangrijk moment geweest in mijn loopbaan, een groot cadeau van die studente. In het begin van je carrière ben je leergierig en idealistisch, maar na een tijdje heb je zoveel gezien en heb je zoveel zaken door, dat je heel makkelijk cynisch wordt. En daar moet je enorm voor oppassen. Je mag de dromen van de jonge mensen die voor je zitten niet fnuiken. Ik heb dus bijgestuurd.’

Vijf jaar geleden kreeg u de vraag om curator te worden van het nieuwe holocaustmuseum in Mechelen. Heeft u er lang over moeten nadenken?

‘Ik heb daar geen seconde over nagedacht! Ik heb mijn carrière nooit uitgetekend. Maar gaandeweg verwerf je expertise, en zo ontstaan er kansen. Vaak sla je de weg in die zich het eerst aandient. Zo simpel is dat! Ik was toen ongeveer vijftig jaar, ik begon al eens te zuchten als ik weer aan een nieuw boek moest beginnen. Toen kreeg ik plots de kans om een museum op te richten. ‘Oh, dat is eens iets totaal anders’, dacht ik. Er zijn er die andere dingen doen tijdens hun midlifecrisis. Ik maak een museum, daar kun je al eens mee thuiskomen. (lacht) Ik was ook heel naïef, want het was veel meer een wespennest dan ik had verwacht. Maar leve de naïviteit, want anders gebeuren sommige waardevolle dingen gewoon nooit. En het is gelukt!’

‘Sinds 2011 heb ik nog weinig gepubliceerd, omdat ik aan Kazerne Dossin zat te werken. Ik kan me voorstellen dat ik momenteel niet echt een troef ben voor de universiteitsfaculteit op het vlak van de financiering, maar ik zal wel bijbenen.’

‘Het is fantastisch dat ik dit heb kunnen doen. Ik hoop dat het voor de jongere generatie wetenschappers ook nog mogelijk zal zijn om zulke zijwegen te bewandelen. Daar ben ik, met de huidige druk om onderzoek te publiceren, niet zeker van …’

Gewapend en geüniformeerd werken in een sfeer van stalen discipline: in het politiekorps ontstaat makkelijk geweld

U bent voltijds hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen én curator van Kazerne Dossin. Hoe combineert u die twee fulltime jobs?

‘In de eerste plaats door heel hard te werken. Mijn onderzoek zit in de thematiek van het museum, maar situeert zich volledig binnen de context van de universiteit. Mijn werk in Kazerne Dossin heeft me op een heel nieuw domein gebracht. Ik wil me verdiepen in het massageweld en een gedragsmatige analyse maken, zoals we ook in het museum proberen te doen. Op die manier kun je bijvoorbeeld Islamitische Staat verbinden met het Joegoslaviëtribunaal en met de Tweede Wereldoorlog, waarbij je naar de geweldsmechanismen van de daders kijkt. Er dienen zich momenteel fascinerende mogelijkheden aan om interdisciplinair te werken en totaal nieuwe domeinen te verkennen. En als ik dat heb gedaan, dan ga ik in mijn tuin werken (lacht).’

‘Met het museum zitten we nu nog in de fase van structureren, organiseren en uitbouwen. Maar over een jaar wil ik absoluut dat er weer wat tijd is om naar de archieven van het vredegerecht in Antwerpen te gaan, om de impact van de Tweede Wereldoorlog na te gaan.’

▲ In Kazerne Dossin krijgt elk slachtoffer dat werd gedeporteerd een gezicht.

Je wordt in het museum geconfronteerd met de vaststelling dat de mechanismen van massageweld helemaal niet zo uniek waren voor de Holocaust als wij graag denken.

‘De meeste Holocaustmusea werken uitsluitend vanuit het slachtofferperspectief. Dat is heel normaal en ook nodig, maar hier komt daar ook een daderperspectief bij. De bezoeker krijgt geleidelijk door dat de beulen van toen meestal géén monsters waren, maar heel normale mensen die zich lieten overrompelen door ideologie en de dynamiek van groepsdruk en massageweld.’

Heeft die aanpak ook daadwerkelijk effect, bijvoorbeeld op jonge mensen?

‘Dat is niet meetbaar, maar het is de bedoeling om jongeren inzicht te geven in de mechanismen van groepsdruk en massageweld. We willen hen laten zien dat iedereen daar misschien wel aan participeert, maar dat je toch nog een individuele verantwoordelijkheid hebt. We benadrukken heel sterk in dit museum dat je altijd de mogelijkheid hebt om nee te zeggen en afstand te nemen. We zijn allemaal kinderen van de Verlichting, wij geloven in het autonoom handelende individu. Ook die jongeren zijn ervan overtuigd dat ze zelf bepalen wat ze willen en denken, terwijl ze allemaal dezelfde kleren dragen, naar dezelfde muziek luisteren en hetzelfde eten. Het idee van individualiteit is zo omnipresent en wordt zo vaak bespeeld dat we te weinig oog hebben voor groepsmechanismen in de samenleving.’

Wat moeten jongeren over twintig jaar nog weten van hun museumbezoek?

‘Er zijn genoeg jongeren die totaal geen belangstelling hebben voor geschiedenis, en dat mag ook. Maar ik denk – ik hoop! – dat als ze ooit geconfronteerd worden met een situatie waarin een massa zich destructief en polariserend gedraagt, ze iets zullen herkennen, een beetje zoals je een geur na dertig jaar nog kunt herkennen. Dat is heel belangrijk, want op dat moment neem je al afstand. Op het moment dat je de situatie begint te analyseren, maak je al geen deel meer uit van de massa. Daarom vind ik dat alle scholen moeten komen. Iedereen heeft immers al meegemaakt dat leeftijdgenoten gepest worden. Er zit voor iedereen iets herkenbaars in. We streven er niet naar om de volledige geschiedenis van België tijdens de Tweede Wereldoorlog te presenteren. We willen eerder een analyse van menselijk gedrag meegeven.’

Ziet u nog meer belangrijke doelgroepen?

‘We hebben een groot project opgezet in opdracht van de federale politie. Onze analyse kan van belang zijn voor de opleiding van nieuwe politiemensen, want het politiekorps is een omgeving waar die interne dynamiek van zich ontwikkelend geweld, dat almaar feller woedt binnen een gesloten context, zich perfect kan voordoen. Het gaat om jonge mannen en vrouwen met een uniform en een wapen, die leven in een sfeer van stalen discipline ... allemaal eigenschappen die ertoe kunnen leiden dat geweld zich ontwikkelt.’

‘Ik denk bijvoorbeeld aan het recente proces tegen vijf leden van de spoorpolitie, die jarenlang systematisch daklozen en andere sukkelaars mishandelden als ze nachtdienst hadden. Ze hadden hun eigen systeem en eigen taalgebruik ontwikkeld, een helse cirkel waar je niet uitraakt. We gaan trouwens ook het bestaande korps bijscholen: alles samen gaat dat om 40.000 mensen.’

‘De volgende grote groep waarop we ons willen richten zijn journalisten in opleiding, en hoe de media over ‘de andere’ spreken. Dat is ongelooflijk belangrijk, want in de media begint het allemaal, bij de naam die je mensen geeft.’

Naast de Loopbaanprijs bekroont de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten (KVAB) en de Jonge Academie nog twaalf wetenschappers die zich in het afgelopen jaar hebben onderscheiden op het gebied van wetenschapscommunicatie. Uit die selectie mogen de lezers van Eos een "Publieksfavoriet" kiezen. Breng uw stem uit.