De schurk die prachtige vlinders het leven schenkt

Brandnetelkapje, brandnetelsnuituil, brandnetelgoudhaantje, groene brandnetelsnuittor en brandnetelbladluis. Het is maar een greep uit de vele insecten die hun naam en bestaan te danken hebben aan de grote brandnetel (Urtica dioica).

Als we de vervelende prikplant tot de laatste spriet zouden uitroeien, dan verliezen we meteen ook een vijftigtal insectensoorten. Daar zijn ook prachtige vlinders bij, zoals de kleine vos, dagpauwoog, atalanta en gehakkelde aurelia. Als je zo’n wondertje voorbij ziet fladderen, mag je dus gerust denken: dankjewel, brandnetel! Of beter: bedank de netel luidop, zodat alle mensen rond je het ook horen.

De vele beestjes die de brandnetel als crèche gebruiken, zijn trouwens behoorlijk kieskeurig. ‘Ze zoeken de perfecte match’, verduidelijkt Dirk Maes, die als bioloog bij het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek bestudeert hoe we bedreigde insecten kunnen helpen. ‘Sommige vlinders houden van brandnetels op warmere plekken, andere van brandnetels op koelere plekken. De ene soort houdt van brandnetels die vol zitten met stikstof, een andere vermijdt die net. Op die manier minimaliseren de insectensoorten die hun eitjes uitsluitend op brandnetels afzetten onderlinge concurrentie.’

Ook de brandnetel zelf is een bijzonder beestje. ‘Er bestaan mannetjes en vrouwtjes, en dat is best bijzonder in de plantenwereld’, zegt Annelies Jacobs, die als ecologe wilde planten in België bestudeert voor Natuurpunt. ‘Bij de meeste planten zitten die mannelijke en vrouwelijke delen samen in één bloem, maar bij brandnetels is dat gescheiden. Je hebt dus zowel mannelijke als vrouwelijke planten nodig voor voortplanting. Meestal staan die mannelijke en vrouwelijke exemplaren wel dicht bij elkaar, simpelweg omdat brandnetel zo algemeen voorkomt. Je ziet het verschil aan hun bloeiwijze: de vrouwelijke planten maken zaden.’

Onder andere de Atalanta legt haar eitjes op de grote brandnetel.

Veel mensen zijn bang voor brandnetels omdat ze zo venijnig prikken. Het is zoals met wespen: door er eentje te zien, schiet ons stressniveau al omhoog. Een brandnetel prikt doordat hij bedekt is met speciale brandharen die werken als mini-injectienaaldjes. Op de stengel en bladeren zitten holle haartjes met een broos puntje. Bij aanraking breekt dat puntje af, dringt het haartje in de huid en spuit het een irriterende vloeistof in. Die bevat onder andere mierenzuur, histamine, serotonine en acetylcholine. Het resultaat is een branderig gevoel, vandaar de naam.

Een brandnetel prikt uiteraard niet om ons te pesten, maar als verdediging. Jacobs: ‘Toch laten grote grazers zoals koeien zich er niet door tegenhouden, en sommige insecten hebben zich evolutionair aangepast en ondervinden geen last van het prikken. Integendeel, voor die gespecialiseerde insecten is de brandnetel net een veilige thuishaven.’

Ondanks het prikkelende afweergeschut is de brandnetel niet giftig en zelfs lekker en voedzaam. ‘De brandnetel wordt al eeuwenlang gebruikt om haar geneeskrachtige eigenschappen, bijvoorbeeld tegen ontstekingen of als bloedzuiverend middel. Romeinse soldaten stampten de bladeren fijn en wreven zich ermee in om het warm te krijgen’, zegt Jacobs. ‘En de jonge scheuten smaken heerlijk in brandnetelsoep, -thee, -kaas of -pesto, en zelfs als alternatief voor spinazie’, vult Dirk Maes aan, die een ongemaaide plantenrand met daarin ook brandnetels in zijn tuin laat staan.

Tuinliefhebbers weten dat je daar niet veel moeite voor moet doen. Brandnetels komen vanzelf de tuin binnen. Het is een pioniersplant die profiteert van de stikstoftoename in de bodem. Maar moet dat wel in mijn eigen tuin, er staan toch al genoeg brandnetels in de wilde natuur? ‘Een denkfout’, antwoordt Jacobs. ‘Veel dagvlinders hebben het moeilijk, en tuinen fungeren echt als stapstenen. Daarom is het zo belangrijk om ook in tuinen ruige hoekjes toe te laten.’

Er is ook een maar. ‘Zelfs natuurbeschermers zien ze niet overal even graag verschijnen. Voor de insecten die erop gespecialiseerd zijn, zijn het bijzonder waardevolle planten. Tegelijk is de brandnetel ook erg competitief. Evolutionair gezien is ze een absolute winnaar. Minder competitieve planten krijgen het daardoor moeilijk. Op sommige plekken moet je haar intomen, op andere is ze broodnodig.’

Voor wie brandnetels eigenhandig te lijf wil gaan, weet dat het bijna onmogelijk is om ze vast te pakken zonder geprikt te worden. Er doen allerlei verhalen de ronde: dat je ze onderaan de stengel moet vastnemen, of eerst kneuzen. Maar helemaal overtuigd is ervaringsdeskundige Annelies Jacobs niet. ‘Ik prik me er nog regelmatig aan. Soms lukt het, soms totaal niet. Het blijft een gok.’ Is dat dan geen reden om ze uit de tuin te weren? ‘Kinderen komen brandnetels vroeg of laat toch wel tegen. Brandnetels in de tuin zijn net een kans om hen te leren dat sommige planten zich verdedigen.’