Neanderthalers gebruikten bijna 60.000 jaar geleden al stenen werktuigen om tanden te behandelen.
Beeld: De 64e kies uit de Chagyrskaya-grot in Siberië vanuit vijf verschillende hoeken. Credit: Zubova et al., 2026, PLOS One, CC-BY 4.0
Archeologische vondsten hadden eerder al aangetoond dat neanderthalers tandenstokers hadden om voedselresten uit hun tanden te verwijderen en mogelijk ook medicinale planten gebruikten. Uit een recente studie van onderzoekers van het Peter de Grote Museum voor Antropologie en Etnografie en de Russische Academie van Wetenschappen (Kunstkamera) in Sint-Petersburg blijkt nu dat neanderthalers ook al over de kennis beschikten om een tandinfectie te herkennen en over de motorische vaardigheden om de beschadigde plek weg te boren.
Alisa Zubova en haar collega’s ontdekten namelijk op een tand van een neanderthaler uit de Chagyrskaya-grot in Siberië sporen die wijzen op fysieke ingrepen. In het midden van het kauwvlak van de kies die ongeveer 59.000 jaar oud is, bevond zich een ongebruikelijk diep gat dat doorliep tot in de tandholte en dat niet overeenkwam met het typische patroon van cariëslaesies die bij homo sapiens werden waargenomen.
De onderzoekers deden experimentele handmatige boorproeven op een moderne mensentand en twee homo sapiens-tanden uit een archeologische collectie uit het Holoceen. Ze deden dat om aan te tonen dat een gat met dezelfde vorm en dezelfde patronen van microscopisch kleine groeven kan worden gecreëerd door in de tand te boren met een dunne scherpe steen die lijkt op gereedschap dat in de Chagyrskaya-grot is gevonden. Deze ingreep moet pijn hebben gedaan, maar zou uiteindelijk ook de pijn van een tandinfectie hebben verlicht door het beschadigde deel van de tand te verwijderen.
De aanpassingen leveren het bewijs dat neanderthalers in staat waren de bron van de pijn te identificeren, wisten hoe ze die moesten behandelen, de handvaardigheid hadden die nodig was voor een efficiënte ingreep, en een pijnlijke behandeling konden doorstaan om toekomstig ongemak te verlichten. Het is de eerste keer dat dergelijk gedrag buiten de homo sapiens is aangetoond.
Volgens de auteurs is dit momenteel het oudste bewijs ter wereld van een succesvolle tandheelkundige behandeling. De schade die is vastgesteld op de tand van de neanderthaler uit de Chagyrskaya-grot in Siberië wijst niet alleen op een opzettelijke verwijdering van het tandmerg, maar ook op slijtage die alleen kon ontstaan doordat de persoon de tand nadien verder bleef gebruiken.
Micro-computertomografie bracht veranderingen in de dentine-mineralisatie aan het licht die overeenkomen met ernstige cariës. Menselijke ingrepen in cariëslaesies zijn eerder al gedocumenteerd voor het Boven-Paleolithicum, het Mesolithicum en latere periodes. De onderzoekers stelden dat de schade die ze waarnamen ook sporen van een dergelijke medische ingreep zouden kunnen zijn – maar dan uit een aanzienlijk vroegere periode.