‘Sommige roofdieren duiken zelfs in tuinen op’

De lynx is terug in ons land, en hij is niet alleen. Ook andere charismatische soorten zoals de wolf, das, otter, marter en bever zijn aan een opmars bezig. Hoe komt dat, en waar zal het eindigen? ‘Deze dieren zijn tot meer in staat dan we denken.’ 

‘Een mijlpaal voor de Vlaamse natuur’, noemde Vlaams minister voor Natuur Zuhal Demir het. Voor de tweede keer in twee jaar tijd werden er in Vlaanderen wolven geboren. Na de vermoedelijke liquidatie van Naya is het nu vooral zaak te vermijden dat Noëlla en haar kroost hetzelfde lot zijn beschoren. 

Toen in januari 2018 de aanwezigheid van de wolf in Vlaanderen officieel werd bevestigd – nadat de gezenderde Naya zaliger de Duitse heimat had achtergelaten – kwam dat voor velen als een verrassing. Als je één gebied in West-Europa niet met wolven zou associëren, dan wel het volgebouwde Vlaanderen met zijn snippertjes natuur en dichtste wegennet van Europa. Maar kenners waren niet van hun stoel gevallen. Wolvenpopulaties in de ons omringende landen zitten al jaren in stijgende lijn, en vanuit zowel Duitsland als Frankrijk zwerven de dieren steeds verder weg. Het zat er aan te komen.

In de Ardennen waart de lynx rond. Dat bewijst deze duidelijke cameravalfoto.

De wolf is geen uniek geval. Ook andere (roof)dieren, zoals de vos, de otter, de bever en de das, keren terug in gebieden waaruit ze al lang waren verdwenen. In het noorden van Frankrijk liep de lynx zich al warm om de grens over te steken. Uit een cameravalfoto die vorige week het nieuws haalde, blijkt dat de toppredator nu ook in ons land is teruggekeerd.

Dood aan de otter

De wolf kwam ooit in heel Europa voor. Tegen het einde van de 19de eeuw was de soort in ons land uitgeroeid. Door intensieve bejaging verdween de wolf ook elders in Europa, met uitzondering van enkele populaties in Spanje, Italië en Oost-Europa. Na een dieptepunt halfweg de 20ste eeuw klommen de dieren stilaan uit het dal. In 2017 leefden er naar schatting opnieuw tienduizend wolven in de Europese Unie. De dichtstbij levende roedels bevinden zich in het noordoosten van Duitsland en het noorden van Frankrijk.

Veel andere roofdieren werden net als de wolf tot volksvijand verheven. ‘Dood aan de otter’, kopten jagers- en visserstijdschriften vanaf het einde van de 19de eeuw. ‘Dat de dieren vis eten, bleek in de naweeën van de 19de-eeuwse hongersnoden voldoende om de soort de totale oorlog te verklaren’, zegt Koen Van Den Berge (INBO), die zich in de vaderlandse roofdiervervolging verdiepte. ‘Een goede otter was een dode otter.’

Een staatspremie moest het enthousiasme nog wat aanwakkeren. Rond 1900 werden jaarlijks zo’n driehonderd premies uitgereikt, het merendeel in Vlaanderen. Die aanpak loonde: het aantal uitgereikte premies – en otters – nam snel af. Vanaf de helft van de vorige eeuw zorgde vuil water, waarin amper nog een vis zwom, voor de genadestoot.

Eén van de verklaringen voor de terugkeer van de wolf en co is vrij simpel: we maken ze het leven niet meer zuur

Zoals de otter verging het ook de vos en de boom- en steenmarter, die allemaal weleens een kippetje lusten. Ook de das was persona non grata. Hoewel die vooral van regenwormen, fruit en granen leeft, slaat hij een fazanteneitje niet af. Dat leverde het dier de toorn van jagers op. Daarnaast was het een ‘sport’ om dassen uit hun burcht te graven, een volksvermaak dat in Frankrijk – altijd wat het zwakke broertje als het om dierenwelzijn gaat – nog steeds is toegestaan. De bever, die geen roof- maar een knaagdier is, vertoont gelijkenissen met de otter. Ook hij leed onder de slechte waterkwaliteit en was gevreesd wegens de schade die hij aan dijken kan aanrichten. Zijn pels was in trek.

Een aantal eigenschappen maakt roofdieren bijzonder kwetsbaar. Het zijn territoriale dieren die in hun leefgebied geen soortgenoten dulden. Doordat ze aan de top van de voedselketen staan, moet dat leefgebied bovendien relatief groot zijn om aan voldoende prooien te kunnen komen. Het gevolg is dat roofdieren in lage dichtheden voorkomen. De wolf is daar in onze contreien het extreemste voorbeeld van, met een territorium van 200 tot 300 vierkante kilometer voor een roedel van vijf à tien dieren.

Koen Van Den Berge (INBO) onderzoekt aangereden dassen. Credit: Yves Adams/Vilda

Daar komt nog bij dat veel roofdieren zich vrij traag voortplanten. Een otter krijgt één à twee jongen, die twee jaar bij de moeder blijven. ‘Alles bij elkaar zorgt dat ervoor dat het vrij goed lukt om deze dieren uit te roeien, wanneer je je daar op toelegt en alle middelen geoorloofd zijn’, zegt Van Den Berge. Dat was precies wat tot niet zo heel lang geleden gebeurde, met geweren, stroppen, klemmen en vergif.

Eén van de belangrijkste verklaringen voor de terugkeer van de wolf en co is dan ook vrij simpel: we maken deze dieren niet langer systematisch het leven zuur.

Stadswolf

Sommige soorten profiteren niet alleen van het feit dat we ze niet langer massaal bejagen. De otter en de bever kregen een duwtje in de rug door herintroducties en waren niet in hun remonte geslaagd zonder de verbeterde waterkwaliteit – al is er zeker voor de veeleisende otter nog werk aan de winkel. ‘Wat ook zijn vruchten afwerpt, zijn inspanningen om natuurgebieden met elkaar te verbinden en de aanleg van kunstmatige passages, zoals ecotunnels’, zegt Van Den Berge.

‘Het is niet uitgesloten dat dassen zich ook bij ons zullen vestigen in recreatiegebieden’

Verder zijn veel soorten bereid wat water bij de wijn te doen, zowel wat de kwaliteit van hun leefgebied als het gezelschap van mensen betreft. De boommarter voelt zich thuis in natuurlijke bossen, maar blijkt ook in boomrijke villawijken, kale populierenplantages en kleine bosjes zijn intrek te nemen. Een bever houdt van moerasbossen, maar stelt zich soms ook tevreden met een grote vijver.

De das leeft in het noorden van Frankrijk al in groenzones rond steden. ‘Deze dieren zijn gevoelig voor verstoring als ze zich ergens proberen te vestigen’, zegt Van De Berge. ‘Maar eens ze een burcht hebben gebouwd, laten ze zich niet zo makkelijk verjagen. Het is niet uitgesloten dat dassen zich ook bij ons zullen vestigen in recreatiegebieden, zolang het er ’s nachts maar voldoende rustig is.’

‘Deze diersoorten zijn tot meer in staat dan we dachten’, zegt Van Den Berge. ‘Dat geldt bij uitstek voor de wolf, die nu in ons cultuurlandschap leeft. We associëren wolven dikwijls met onherbergzame, afgelegen gebieden. Dat komt vooral omdat we er enkel daar niet in zijn geslaagd ze uit te roeien.’ In maart bleek het wolvenkoppel Noëlla en August zelfs een stapje in de bewoonde wereld te hebben gezet. ‘Wanneer je dieren met rust laat, blijken ze minder schuw dan we denken. Sommige roofdieren duiken stilaan zo goed als overal op, zelfs in steden en tuinen.’

‘Dieren kunnen verrassend ver in de mensenwereld doordringen, zeker ’s nachts’

De ‘stadsvos’ is daar wellicht het bekendste, zij het niet het enige voorbeeld van. ‘Otters zwommen in de jaren 1980 in de Thames tot in Londen’, weet Van Den Berge. ‘Dieren kunnen verrassend ver in de mensenwereld doordringen, zeker ’s nachts. Een gezenderde lynx wist drie maanden onopgemerkt te blijven in een Zwitsers stadsbos. Ook van deze soort weten we dankzij gemonitorde exemplaren dat ze dicht bij mensen kunnen leven.’

Aan een ‘stadswolf’ hoeven we ons wellicht niet meteen te verwachten. ‘Waarschijnlijk zouden we dat niet toestaan. Maar zeg nooit nooit. Wolven deinzen er niet voor terug om ’s nachts tussen bewoning naar voedsel te zoeken. We worden nu geconfronteerd met een compleet nieuwe situatie. De wolf keert terug in een gebied dat totaal verschilt van het landschap waaruit hij verdween. Ook wij als wetenschappers staan hier nieuwsgierig naar te kijken.’

INBO/ANB

Roofdierenplaag

Waartoe zal dat leiden? Experts gaan ervan uit dat aan de opmars van de genoemde soorten niet meteen een einde komt. Ze planten zich hier succesvol voort, en ze blijven vanuit onze buurlanden de grens oversteken. Voor een aantal onder hen is er nog heel wat onontgonnen geschikt leefgebied.

Hoeveel wolven hier over enkele decennia zullen rondlopen is moeilijk te zeggen. ‘Voedsel is niet het probleem,’ weet Van Den Berge, ‘de wolf leeft voornamelijk van reeën en die vindt hij hier genoeg. De dieren hebben wel nood aan onverstoorde plekken om hun jongen groot te brengen. Die hebben de dieren nu gevonden op de militaire domeinen in Limburg, maar dat soort plekken is schaars.’

‘Er is nog veel plaats voor meer bevers. De vraag zal zijn hoeveel we er willen tolereren, en waar’

‘Momenteel leven er naar schatting al een kleine 450 bevers in Vlaanderen’, zegt expert Frank Huysentruyt (INBO). ‘Er is nog veel plaats voor meer dieren. De vraag zal eerder zijn hoeveel we er willen tolereren, en waar.’ Door zijn graaf- en bouwwerken is de bever niet overal een graag geziene gast. ‘Zelfs in natuurgebied is hij soms ongewenst, als hij de verkeerde stukken onder water zet.’

Dat de bever ook een territorium verdedigt, kan handig worden uitgebuit om schade op ongewenste plaatsen te voorkomen. Wanneer je ervoor zorgt dat een plekje in de buurt aantrekkelijk is voor bevers – zoals een zijriviertje van een belangrijke waterloop – zullen de dieren zich daar vestigen en soortgenoten weghouden. ‘Niets is zo effectief om bevers af te schrikken als de aanwezigheid van andere bevers.’

De problemen die de oprukkende soorten kunnen veroorzaken, temperen bij sommigen het enthousiasme over hun succes. De vos maakt zelfs tot in de stad kippenhokken onveilig. Uit onderzoek van het INBO blijkt dat vrijwel ieder Vlaams kippenhok in een vossenterritorium ligt, zowel op het platteland als in de stad.

Steenmarters vreten om nog onopgehelderde redenen aan kabels in auto’s en huizen – de marter die in 2016 een kabeltje doorknabbelde van de deeltjesversneller in het CERN verwierf wereldfaam. Ze kunnen ook aanzienlijke schade aanrichten wanneer ze zich een weg banen door je dakisolatie. Dassen lusten onze landbouwgewassen. De otter eet nog steeds vis, en dat deed onder meer in Oostenrijk al stemmen opgaan om hem opnieuw te bejagen – althans bij viskwekers.

'Wanneer je een probleemdier vangt of doodt, neemt een soortgenoot binnen de kortste keren het vrijgekomen territorium in'

Van Den Berge beklemtoont al langer dat bestrijding om schade te vermijden bij roofdieren weinig zoden aan de dijk zet. Volgens hem is het beter om te investeren in een veilig kippenhok, een omheining of een goed afgesloten zolder. De territoriale leefwijze van deze soorten heeft immers een aantal implicaties.

‘Een roofdierenplaag bestaat niet’, zegt Van Den Berge. Het aantal ratten, konijnen of everzwijnen in een bepaald gebied kan onder gunstige omstandigheden – veel voedsel, weinig vijanden – op korte tijd exploderen. Een everzwijn werpt tot tien biggen die nog hetzelfde jaar zelf jongen kunnen krijgen, en vindt veel gezelschap geen punt. ‘Bij territoriale dieren verloopt dat niet zo. Eens alle territoria zijn bezet, kunnen er geen dieren meer bij.’

‘Dat betekent ook dat wanneer je een probleemdier vangt of doodt, een soortgenoot binnen de kortste keren het vrijgekomen territorium inneemt. Binnen een populatie is er namelijk altijd een aantal ‘reservedieren’, die klaar staan om hun kans te grijpen. Daarnaast neemt bij een lagere populatiedichtheid het voorplantingssucces van deze dieren toe. Bestrijding leidt dus tot verhoogde voortplanting: snoei geeft bloei. Tenzij we van plan zijn om die soorten opnieuw helemaal uit te roeien, laten we ze dus beter met rust.’

Ongenode gast aan een gedekte tafel

Sinds 2006 heeft ook het everzwijn zijn comeback in Vlaanderen gemaakt. De dieren komen vooral voor in een groot stuk van Limburg, de Antwerpse Kempen en de regio van het Zoniën- en Meerdaalwoud. Genetisch onderzoek wijst uit dat sommige populaties illegaal zijn uitgezet. De soort is nooit helemaal verdwenen, maar was wel een zeldzame verschijning geworden. Met hoeveel ze nu zijn, is bij gebrek aan betrouwbare telmethode niet precies geweten. Maar de statistieken van het aantal geschoten dieren geven een idee van de opmars. In 2006 legden jagers één zwijn om, in  2019 meer dan tweeduizend.

Een aantal factoren geeft wilde zwijnen de wind in de zeilen. ‘Er is overvloedig voedsel voor de dieren beschikbaar’, legt expert Jim Casaer (INBO) uit. ‘Everzwijnen eten onder meer eikels en beukennootjes. De jaren waarin bomen erg veel vruchten produceren, zogenoemde mastjaren, komen nu vaker voor dan vroeger. In magere jaren vormen de akkers in ons versnipperde landschap een gedekte tafel.’ Daar komt bij dat everzwijnen zich enorm snel kunnen voortplanten. Een zeug werpt drie tot negen biggen. ‘Die planten zich voort zodra ze ongeveer 30 kilogram wegen, vaak nog hetzelfde jaar’, zegt Casaer. ‘In strenge winters komen veel jongen om, maar die zijn er nog zelden.’

Everzwijnen zijn schrandere beesten, die snel leren waar het veilig en gevaarlijk is. Dat maakt het niet makkelijk de dieren onder controle te houden. ‘Je kan wilde zwijnen in principe met een schrikbewind weghouden uit gebieden waar je ze niet wil, maar ook dat valt in ons versnipperde landschap met veel recreatie niet mee’, zegt Casaer. ‘Om opnieuw te leren samenleven met deze dieren, zullen we moeten zoeken naar manieren om de schade binnen de perken te houden.’