Wat rivierkreeften ons kunnen leren over talentherkenning in sport

Ecologen en sportwetenschappers hebben een gemeenschappelijk doel: de meest geschikte individuen selecteren, de ene voor herintroductie in de natuur en andere voor het behalen van medailles. Australische ecologen pleiten daarom voor een uitwisseling van kennis tussen beide disciplines.

Wie worden onze toekomstige sportkampioenen? Trainers, talentscouts en sportwetenschappers proberen al op jonge leeftijd te voorspellen welke atleten zullen doorstoten naar de top. Maar hoe selecteer je uit honderden talentvolle jongeren net die enkele echte toptalenten? Australische ecologen bedachten dat ze met een gelijkaardige vraag worstelen wanneer ze dieren selecteren voor herintroductie in de natuur. Ze onderzochten daarom welke inzichten en methodes uit de ecologie kunnen helpen om talentherkenning in de sport efficiënter te maken, en omgekeerd.

Talentscouts gebruiken vaak meetbare kenmerken om het talent van een jeugdatleet in te schatten, zoals lichaamslengte of prestaties op een fysieke test. Deze factoren zijn eenvoudig en snel te meten, maar ze voorspellen sportief succes niet altijd nauwkeurig. Het is bijvoorbeeld niet omdat iemand sterk scoort op een test, dat hij of zij ook uitblinkt in een vol sportstadion of als lid van een team.

De Australische ecologen vertaalden die talentenjacht naar de rivierkreeft (Cherax destructor). Ze organiseerden wedstrijden tussen de dieren om te onderzoeken hoe je de beste individuen kunt selecteren. Eerst simuleerden ze populaties van honderd mannelijke en honderd vrouwelijke kreeften in twintig rondes. Ze wilden bepalen hoeveel dieren geselecteerd moesten worden om zeker de beste tien procent te identificeren. Daarbij keken ze naar individuele kenmerken, zoals lichaamslengte, schaargrootte en -kracht, en naar de wedstrijdresultaten. Wanneer er nog maar weinig wedstrijden hadden plaatsgevonden, werden de sterkste tien procent het meest efficiënt geselecteerd op basis van individuele kenmerken. Naarmate het aantal rondes toenam, werd selectie op basis van wedstrijdresultaten steeds effectiever.

De onderzoekers organiseerden daarna een echte competitie met tien rondes van wedstrijden tussen 27 mannelijke en 32 vrouwelijke kreeften. Na twee rondes waren ongeveer 21 dieren nodig om de top drie te identificeren, maar na tien rondes waren dat er nog ongeveer vijf. De resultaten tonen volgens de onderzoekers aan dat je door metingen van individuele eigenschappen te combineren met herhaalde wedstrijdresultaten, het aantal kandidaten dat je moet opvolgen sterk kan verminderen om de echte toppers te identificeren. De ecologen zien in hun studie een bevestiging dat ecologische modellen ook in de sportwetenschap toegepast kunnen worden.

Bron: University of Queensland, Australië