Tibetanen overleven op grote hoogte dankzij Denisova-gen

03 juli 2014 door Eos-redactie

Enkel Tibetanen weten te overleven op hoogtes tot ruim boven de 4.000 meter. Het gen dat die eigenschap mogelijk maakt, is afkomstig van de Homo denisova, zo blijkt.

Enkel Tibetanen weten te overleven op hoogtes tot ruim boven de 4.000 meter. Het gen dat die eigenschap mogelijk maakt, is afkomstig van de Homo denisova, zo blijkt.

Het Tibetaanse Hoogland grenst aan het Himalayagebergte, en strekt zich uit over het grondgebied van China, India, Pakistan en Nepal. Nergens is het Hoogland lager dan 4.000 meter, en gemiddeld ligt het plateau op 4.500 meter boven de zeespiegel. Op zulke hoogtes kan het bijzonder koud zijn en hard waaien. Bovendien is de lucht er zuurstofarm, wat het ademhalen moeilijk maakt en hoogteziekte kan veroorzaken.

Desalniettemin is het Tibetaanse Hoogland het thuisland van de Tibetanen. Hoe komt het dat zij daar wel overleven? Een studie van de University of California, Berkeley suggereert dat de Tibetanen enkele bijzondere eigenschappen hebben geërfd van hun historische familieband met de Homo denisova, een uitgestorven mensachtige. Eerder onderzoek toonde aan dat een welbepaald gen, EPAS1, ervoor zorgt dat de Tibetanen kunnen leven in dergelijke zuurstofarme of hypoxische omstandigheden.

De Amerikaanse wetenschappers herbestudeerden het genoom van veertig Tibetanen en veertig Han-Chinezen. Zo ontdekten ze dat EPAS1 via de Homo denisova, of via verwante personen, bij de Tibetanen en in mindere mate de Han-Chinezen terechtkwam. Wereldwijd is geen enkele andere bevolkingsgroep drager van het EPAS1-gen. (adw)