Albert Einstein, Marie Curie, Galileo Galilei. Allemaal stuk voor stuk genieën. Maar zijn ze superslim geboren of is het vooral je omgeving die bepaalt hoe slim je wordt?
1. Slimme genen... en slimme omgeving
Wat je van nature hebt, ligt voor een groot deel vast in je genen. Dat is een soort bouwplan die je van je ouders krijgt. Maar zelfs als je geen geniale start hebt, kan je brein groeien als je het goede dingen laat doen! Dat eerste noemen ze in de wetenschap nature en het tweede nurture. Je krijgt dus wel veel mee van je ouders, maar je kan zelf ook dingen leren.
2. Oefenen doet je brein groeien
Je brein leert als je dingen oefent. Denk maar aan het oplossen van puzzels, lezen of een taal oefenen. Veel proberen, fouten maken en weer verdergaan: daar groeit je brein van. Met de juiste oefeningen kun je dus altijd slimmer worden.
3. Je brein wordt efficiënter
Slimme mensen gebruiken hun brein vaak heel handig: bij makkelijke klusjes lijkt het alsof hun brein in ‘spaarstand’ zit. Hierbij moet je brein niet veel energie verbruiken. Bij ingewikkelde opdrachten daarentegen schakelt je brein weer volledig het aan, en zet het grote breinpakketten in om de klus te klaren.
Wat kun jij doen?
Lees veel, stel vragen en probeer nieuwe dingen. Blijf oefenen, zelfs als iets moeilijk is. Breinen worden sterker door trainen. Maar... durf ook hulp te vragen. Samen leren is makkelijker én leuker!