Scoren onder invloed

Bij doping denkt iedereen spontaan aan de koers. Maar het komt in alle sporten voor, ook het voetbal. Met een WK in ‘dopingland’ Rusland roept dat extra vragen op.

‘Góóóóóóóóal!’ Diego Maradona loeit het uit als een dolle stier op het WK van 1994 in de Verenigde Staten. Hij heeft een geweldig doelpunt gescoord voor Argentinië tegen Griekenland, en dat zal de hele wereld geweten hebben. Hij rent naar de dichtstbijzijnde camera en blijft maar doorgaan. ‘Góóóóóóóóal’, nu in close-up. En dan ziet diezelfde wereld iets anders. Wijd opengesperde ogen, priemende, vernauwde pupillen: zelfs een volslagen medische leek heeft in de gaten dat Maradona meer achter de kiezen heeft dan een sportmaaltijd.

Jean-Joseph wordt door schimmige officials het hotel uitgesleurd. Ze slaan hem, gooien hem in een wagen en scheuren weg

Maradona loopt na de wedstrijd tegen de lamp bij de dopingcontrole. Behoorlijk uitzonderlijk in het voetbal. En nog opmerkelijker: een van de beste spelers aller tijden wordt met pek en veren weggestuurd van het WK, en daarna geschorst. Opnieuw geschorst, want Maradona was net terug op het hoogste niveau na vijftien maanden non-activiteit wegens cocaïnegebruik.

De verboden substantie in zijn urinestaal is deze keer efedrine: een alkaloïde die in een aantal hoestmiddeltjes zit omdat ze de luchtwegen verwijdt en ervoor zorgt dat het lichaam meer noradrenaline en adrenaline aanmaakt. ‘Efedrine is in de eerste plaats een middel tegen een verkoudheid’, bevestigt Peter Van Eenoo, hoofd van het Doping Control Laboratory in Gent en internationaal erkend dopingexpert. ‘Het pept je op, onderdrukt de vermoeidheid, maakt je agressief. Ook psychologisch kan het een rol spelen. Die wijd opengesperde ogen zijn typisch bij het gebruik van dit soort middelen, dat kan dus een deel van de verklaring zijn.’

Meer energie, een hogere alertheid: het ligt voor de hand welke voordelen het elke topsporter biedt. Ook in het voetbal, en toch houdt het wereldje zelf decennialang vol dat er geen verboden middelen gebruikt worden. ‘Want in het voetbal heeft dat geen enkele zin’, is de klassieke dooddoener. Vijf jaar geleden gaven 28 op 100 voetballers die toen actief waren in de Belgische Eerste Klasse nochtans aan dat ze ervan overtuigd waren dat er dopingproducten circuleerden in de kleedkamers. ‘Ik heb één keer meegemaakt dat een speler bij het begin van de wedstrijd niet op zijn benen kon staan’, voegde een anonieme ex-voetballer eraan toe in Het Nieuwsblad. ‘Hij kreeg een ferme dosis pillen toegediend en stoof vervolgens negentig minuten lang over het veld.’

Wielerdopingarts Eufemiano Fuentes. Minder bekend is dat hij ook voetballers tot zijn ‘clientèle’ rekende.

‘Uit de statistieken van het Wereldantidopingagentschap WADA blijkt dat voetbal in de grote groep van sporten thuishoort waarin ongeveer 1 procent van de stalen positief is’, weet Van Eenoo. ‘Voetbal heeft dus geen uitgesproken dopingreputatie’, vervolgt hij. ‘De sporten die er in negatieve zin bovenuitsteken zijn gewichtheffen, bodybuilding en powerlifting. Maar dat komt ook omdat de producten die daarin gebruikt worden – spierversterkende middelen zoals anabolica – tot een jaar na datum kunnen opgespoord worden.’

‘In voetbal speelt een combinatie van factoren: kracht, uithoudingsvermogen, techniek en tactisch inzicht. Het is zeker niet zo dat doping helemaal geen nut kan hebben. Sommige producten kunnen wel degelijk prestatiebevorderend werken. Het is bijvoorbeeld bekend dat Juventus heeft geëxperimenteerd met epo om de uithouding van zijn spelers te verbeteren, waarover later meer. Op topniveau zie je vaak dat wedstrijden worden beslist in het laatste kwartier, omdat de ene ploeg fysiek overwicht heeft op de andere. Epo zou daar iets kunnen betekenen: terwijl ploeg X fris blijft, staan de spelers van ploeg Y uit te hijgen. Maar een gebrek aan tactisch vernuft kun je niet camoufleren met anabolica. En met de hand op het hart: ik denk nooit direct aan doping bij een fantastische prestatie, anders zou ik niet meer van sport kunnen genieten. Ik zie in de eerste plaats altijd het mooie ervan.’

Maradona is Armstrong niet

Er is nog iets opvallends aan het verhaal-Maradona. Vraag aan een willekeurige sportliefhebber wat het eerste is dat hij of zij zich van de Argentijnse superster herinnert, en de kans is zeer klein dat het doping-incident spontaan opwelt. Maar stel diezelfde vraag over de even wereldwijd bekende wielrenner Lance Armstrong en het gaat zo goed als zeker meteen over verboden middelen. En hoe het beide dopingzondaars verder verging, illustreert misschien nog meer het opvallende verschil tussen voetbal en koers in de perceptie en de vergevingsgezindheid.

Maradona wordt in augustus van vorig jaar als eregast ontvangen in het stadion van de Nederlandse topclub PSV. Geen haan die ernaar kraait. Niet op de tribunes, niet in de pers, laat staan in regeringskringen. Een paar maanden later zijn de verontwaardigde reacties niet te tellen, inclusief van Vlaamse ministers, na de aankondiging van het uiteindelijk geschrapte bezoek van Armstrong aan de Ronde van Vlaanderen. Groot nieuws op alle voorpagina’s en het begin van een maandenlang debat.

Zowat gelijktijdig meldt Het Nieuwsblad: ‘Ook Russische voetballers gedopeerd’. Onder meer op het WK van 2014 in Brazilië heeft klokkenluider en gewezen directeur van Russische dopinglabs Grigory Rodchenkov onthuld. Sterk verhaal, maar het raakt niet verder dan bladzijde zes van het sportkatern. Goed twee weken later is viervoudig Tourwinnaar Chris Froome dagenlang niet van de voorpagina’s weg te branden, als aan het licht komt dat hij in de Ronde van Spanje een afwijkende dopingtest heeft afgelegd.

‘Ik ben maar één keer gecontroleerd in heel mijn loopbaan’, aldus ex-Rode Duivel Gilbert Van Binst

Het opvallende verschil blijkt ook uit het meest beruchte geval van kruisbestuiving tussen voetbal en wielrennen. De Spaanse dopingarts Eufemiano Fuentes gaat de geschiedenis in als de spilfiguur in het systematisch toedienen van doping bij wielerploegen en aan individuele grote namen in de koers als Jan U­llrich, Ivan Basso en de dit voorjaar nog steeds actieve Alejandro Valverde.

Veel minder vaak wordt belicht dat Fuentes ook individuele voetballers op zijn kabinet ontving en dat hij betrokken was bij de Baskische voetbaltrots Real Sociedad. Anderhalf decennium geleden werd die plots vanuit het niets een topclub die zich kon meten met FC Barcelona en Real Madrid. Toen Iñaki Badiola in 2008 voorzitter werd van Sociedad, liet hij meteen een onderzoek starten. Hij ontdekte dat er tussen 2002 en 2008 jaarlijks voor 300.000 euro aan medicijnen werd ingekocht bij Fuentes. Twee clubartsen werden prompt ontslagen.

‘Sportartsen beperken zich niet tot één sporttak’, is het laconieke commentaar van Peter Van Eenoo. ‘Als ze doping integreren in hun aanpak, is het niet onlogisch dat ze dit toepassen op sporters uit verschillende disciplines. Wie geen morele principes heeft, zal te allen tijde geen moreel bezwaar hebben tegen het voorschrijven van dopingproducten. Anderzijds hoeft doping geen verklaring te zijn waarom een ploeg plots zo goed is. Dat gaat met ups en downs. Soms beland je in een flow of heb je toevallig een uitstekende generatie spelers ter beschikking. Ik heb overigens niets tegen medische begeleiding. Wat niet verboden is, mag.’

Ontvoerd en gemarteld

Het perceptieverschil tussen het clichématig brandschone voetbal en de verdoemde dopinghel van de koers ligt alvast niet aan de invoering van dopingcontroles. Neem er trouwens meteen ook maar een andere sporttak bij die vaak onder vuur ligt, de atletiek. In 1966 worden er voor het eerst urinestalen afgenomen in de Tour. Bingo: vijf renners testen positief.

Twee jaar later volgen de eerste tests op de Olympische Spelen en de Zweedse vijfkamper Hans-Gunnar Liljenwall wordt prompt de allereerste betrapte olympiër. Op de wereldbeker voetbal is het wachten op de tweede editie met controles voor de eerste dopingzondaar.

Op het WK in West-Duitsland van 1974 schrijft voetbaldwerg Haïti twee keer geschiedenis. De goal waarmee de latere Beerschot-spits Emmanuel Sanon zijn land onverwacht op voorsprong brengt tegen Italië is vandaag nog steeds vaste prik in WK-overzichten en voetbalquizzen. In schril contrast daarmee staat het op zich veel historischer gegeven dat Haïti-verdediger Ernst Jean-Joseph na die wedstrijd positief plast. Het eerste dopinggeval op een wereldbeker wordt meteen ook het meest dramatische.

Eerst wordt Jean-Joseph ijskoud gedumpt door zijn team. ‘Als ze iets gevonden hebben, dan moet het aan de pillen liggen die ik neem voor mijn astma’, schreeuwt hij zijn onschuld uit. ‘Nonsens!’ repliceert de Franse ploegarts van Haïti. ‘Jean-Joseph is niet intelligent genoeg om te weten wat hij zegt en doet.’ Twee dagen lang hangt de verdediger moedeloos rond in de lobby van het hotel. Hij weet dat het ergste nog moet komen. Er wacht hem een genadeloze straf. Niet zozeer door de wereldvoetbalbond FIFA, maar door de autoriteiten van zijn eigen land. Haïti wordt geleid door de meedogenloze dictator Jean-Claude ‘Baby Doc’ Duvalier. Baby Doc houdt het land in een ijzeren greep met een privémilitie, de gevreesde Tontons Macoutes. Jean-Joseph heeft zijn land, en dus Baby Doc, te schande gemaakt en daar staat een hoge prijs op. Even later wordt hij inderdaad door schimmige Haïtiaanse officials, vermoedelijk Tonton Macoutes, het hotel uitgesleurd. Hij huilt en tiert. Zij slaan genadeloos op hem in, gooien hem in een wagen en scheuren weg. Zijn collega’s vrezen het ergste: leeft hun ploegmaat nog? Gevolg: ze verliezen met knikkende knieën hun tweede groepswedstrijd met 7-0 tegen Polen.

Jean-Joseph wordt door de FIFA voor een jaar geschorst en lijkt van de aardbodem verdwenen. Vermoord en gedumpt in een massagraf, is de algemene veronderstelling. Tot hij vier jaar later plots terug opduikt in Amerika. Over wat er in de tussentijd gebeurd is, weigert hij zijn leven lang te praten. Meer dan hardnekkige geruchten willen dat hij gemarteld is. De Tontons Macoutes zouden onder meer zijn beide armen gebroken hebben.

Schapentestikels en de zoon van Khaddafi

Doping is zo oud als de sport? Het is meer dan een boutade. Het eerste traceerbare gebruik van stimulantia in de sport – onder meer cocabladeren en schapentestikels – dateert namelijk al van 800 voor Christus. ‘Voordeel proberen te halen op een achterbakse manier is zo oud als de mensheid zelf’, bevestigt Van Eenoo. ‘Valsspelen zit in ons. Er wordt gesjoemeld in de financiële wereld, er worden moreel laakbare tactische zetten gedaan in een oorlog en, ja, er wordt ook vals gespeeld in de sport.’

Het eerste dopingschandaal in het voetbal is bijna een eeuw oud. Op 14 januari 1925 speelt de Londense topclub Arsenal in het bekertoernooi uit bij stadsgenoot West Ham. Twintig jaar later onthult manager Leslie Knighton: ‘Voor de match gaf ik mijn spelers kleine zilveren pilletjes die ik had gekregen van een supporter, een dokter. Mijn jongens vertoonden een niet te stuiten energie, maar ook een enorme dorst en na de wedstrijd voelden ze zich slecht.’ Symptomen die erop wijzen dat het wellicht om amfetamines ging.

Arsenal is lang niet de enige grote club die in de loop der jaren in verband gebracht wordt met doping. Het loopt zelfs als een rode draad door de geschiedenis van het belangrijkste Europese clubtoernooi. In de jaren 1960 wint de Italiaanse grootmacht Inter onder meer twee keer op een rij de Europabeker voor Landskampioenen, de huidige Champions League. Met dank aan de legendarische succestrainer ­Helenio Herrera en diens zelfgebrouwen ‘koffie met iets speciaals’ die hij zijn spelers serveert. Een van hen, Ferruccio Mazzola, vertelt jaren later wat er gebeurde nadat hij voor een competitiematch zo’n zogenoemde ‘Café Herrera’ had gedronken: ‘Ik ben drie dagen en nachten van de kaart geweest en hallucineerde aan een stuk door.’

Goed een half jaar nadat het grote Ajax van Johan Cruijff in 1973 zijn derde opeenvolgende Europacup heeft gewonnen, onthult verdediger Barry Hulshoff hoe clubarts Salo Muller hem en zo goed als zeker ook andere spelers voorbereidde op een match tegen Real Madrid: ‘Ik kreeg een soort pilletje, en iets dat wij altijd hagelslag noemden, in een capsuletje. Wat het precies was, weet ik niet.’ De effecten, daarentegen … ‘Je voelt je ijzersterk en je hebt geen gebrek aan lucht. Je kunt blijven gáán. Een nadelige invloed is dat je je speeksel kwijtraakt. Daardoor kreeg ik na ongeveer 36 minuten braakneigingen, omdat ik al mijn lichaamsvocht verloor.’

Van hetzelfde laken een pak bij de club die de Europese fakkel overneemt van Ajax, Bayern München: ‘Een of twee keer per week werd er bij mij bloed afgenomen dat terug in mijn billen werd geïnjecteerd. Dat veroorzaakt een ontsteking, waardoor je lichaam extra bloedcellen gaat aanmaken en dat geeft je meer uithoudingsvermogen.’ Aldus, alweer jaren na de feiten, de grootste Duitse voetballer aller tijden en wereldkampioen van 1974, Franz Beckenbauer.

Monsters tussen melk en mayo

Niet alle verhalen komen uit een intussen lang gesloten oude doos. Over naar Italië en het oppermachtige Juventus van de jaren 1990, waarover Van Eenoo het al had. In 2002 blijkt zwart op wit dat clubarts Riccardo Agricola de spelers onder meer epo heeft toegediend, zoals hierboven al aangehaald. Onder hen Didier Deschamps, straks op het WK aanwezig als bondscoach van Frankrijk, en Antonio Conte, de latere coach van Eden Hazard en Thibaut Courtois bij Chelsea.

Nu we het toch over de trainers van onze Rode Duivels hebben: in het seizoen 2001-02 speelt Josef ‘Pep’ Guardiola, de huidige succescoach van Kevin De Bruyne bij Manchester City, bij het Italiaanse Brescia. Tot twee keer toe wordt er nandrolon in zijn urine gevonden. Volgens Guardiola omdat hij vervuilde voedingssupplementen had geslikt. Andere bekende namen uit de WK-geschiedenis worden in dezelfde periode ook betrapt op doping of op het ontlopen van een controle, onder meer de Nederlanders Jaap Stam, Edgar Davids en Frank de Boer, de Duitse keeper Oliver Kahn en Rio Ferdinand (Engeland). Net zoals een wel heel opmerkelijk buitenbeentje: Al-Saadi al-Khaddafi, zoon van de Libische dictator en geflopt voetballer bij drie Italiaanse eersteklassers.

Dopingbestrijding wordt vaak vertaald in een metafoor met de boswachter en de stroper. Die laatste heeft aanvankelijk een nog grotere voorsprong dan vandaag. Erg moeilijk is dat op dat moment ook niet. Michel D’Hooghe, later voorzitter van de Medische Commissie van de FIFA, maakt de pioniersjaren van de dopingcontrole mee als teamarts van Club Brugge. ‘De procedure was nogal elementair’, schrijft hij in zijn memoires. ‘We moesten zelf het B-staal bewaren om bij positieve analyse van het A-staal een tegenexpertise te kunnen aanvragen. Omdat die urinestalen bij lage temperatuur moesten worden bewaard, nam ik ze mee naar huis, zodat de flesjes met urine van mijn spelers in de keukenfrigo tussen de melk en de mayonaise stonden, tot grote ergernis van mijn vrouw.’

‘Van dopingcontroles was bijna geen sprake’, zegt ook toenmalig Rode Duivel Gilbert ‘Gille’ Van Binst, jaren later. ‘Ik ben maar één keer gecontroleerd in heel mijn loopbaan. Een amateuristisch gedoe, en als je de boel wilde belazeren, dan was dat geen enkel probleem. Eén keer heb ik iets gepakt vóór een wedstrijd, een Europese uitmatch tegen Porto. Ik voelde mij niet goed en ik vertelde dat aan een bevriend wielrenner. ‘Maak je geen zorgen’, zei hij. ‘Ik ga je iets geven dat je moet innemen vóór de match en je zult vliegen.’ Pervitine, bleek later, een amfetamine. Maar het probleem was dat de match bij de rust werd stopgezet door de overvloedige regenval, en ’s anderendaags herspeeld moest worden … Ik heb de hele nacht geen oog dichtgedaan en ik heb dan maar mijn kamergenoot Hugo Broos aan de praat gehouden.’

Schaken op steroïden

Hoe zit dat vandaag, met de boswachter die achter de stroper aanloopt? Van Eenoo: ‘Het is niet waar dat we altijd achter de feiten aanlopen. Soms ontdekken we dopingmethodes nog voor die massaal worden toegepast, maar het klopt dat het weleens langer duurt voor we kunnen optreden. Frustrerend is dat niet, het hoort bij het gevecht om te proberen sport zo clean mogelijk te houden.

‘Doping komt in elke sport voor. Zelfs in het schaken. Of in het curling, zoals we tijdens de recentste Winterspelen hebben gezien. Jezelf doperen gebeurt niet altijd doelbewust; soms komt het door onwetendheid. Een schaker die steroïden neemt om in de zomer met een gespierd lichaam aan het zwembad te kunnen liggen, zal betrapt worden omdat de verboden lijst algemeen geldig is, voor álle sporten. Die harmonisatie is goed, daarvoor werd eind 1999 ook het WADA opgericht.’

Johan Cruijff (links) en Franz Beckenbauer (rechts) stonden oog in oog op het WK van 1974.

‘Voordien heerste er onduidelijkheid’, vervolgt Van Eenoo. ‘Als je een product had genomen tegen een verkoudheid, kon het zijn dat je negatief testte in Frankrijk en positief in België. Of neem Pedro Delgado, die in 1988 de Tour won. Hij werd betrapt op het gebruik van probenicide, een middel dat anabolen zou kunnen maskeren, maar werd niet geschorst omdat het middel wel op de verboden lijst van het Internationaal Olympisch Comité stond, maar niet op die van de Internationale Wielerunie. Sinds een jaar of twintig is het ook zo dat schorsingen worden overgenomen in andere sporten: tot eind jaren 1990 kon een wielrenner die betrapt en geschorst was, zonder probleem overstappen naar de triatlon. Dat kan tegenwoordig niet meer.’

Zoals Lance Armstrong mocht ondervinden. Hij mag, kort samengevat, eigenlijk niks meer op de fiets, behalve broodjes halen bij de bakker. Zijn zeven Tourzeges is hij sowieso kwijt. Diego Maradona mag zich daarentegen niet alleen nog steeds de wereldkampioen van Mexico 1986 noemen, hij keerde in 2010 terug op het WK als Argentijns bondscoach.

Rest de vraag of de wereldbeker voetbal in Rusland riskeert te worden bezoedeld door dopinggeruchten én –gevallen, zoals het systematisch dopinggebruik op de Winterspelen in Sotsji, ook in Rusland, zou kunnen doen uitschijnen. ‘Ik ben niet bang dat we een doping-WK zullen krijgen’, stelt Van Eenoo. ‘Om te beginnen is het aantal monsters niet zo gigantisch als tijdens de Olympische Spelen. Maar vooral: in tegenstelling tot het IOC beschouwt de FIFA de dopingcontroles als een autonome activiteit. Twee jaar geleden in Sotsji delegeerde het IOC de controle naar het Russische organisatiecomité. Dat stond in voor de distributie van de flesjes, het invullen en bijhouden van de fiches, het transport van de monsters en de controle in een lab. De FIFA werkt met eigen flesjes en laat de analyse uitvoeren in een laboratorium in Lausanne. De kans dat monsters ook deze keer worden verwisseld, is bijzonder klein.’