Voor de scholekster is niet elke mossel de moeite

Schelpen spotten en monitoren is prettig en leerzaam, zo leert ons de Grote Schelpenteldag. Langs de kust trippelen nog andere schelpenzoekers. Scholeksters gaan er aan de slag met een optimale aanpak om hun dieet van mosselen bij elkaar te krijgen. Als rendabele voedselbron is de ene mossel de andere niet.

Wie op schelpenjacht gaat, ontwikkelt gewoonlijk een scherpe blik die toelaat gebiologeerd over het strand te speuren. Alleen de schelpen tellen dan nog. Geen schelpje ontsnapt aan je aandacht. Het verloopt anders bij schelpeneters. Voor hen zijn tal van schelpen niet eens een blik waard. Voor scholeksters gaat het uiteraard niet om de schelpen zelf, maar om het voedzame weekdier dat erin schuilt. Het is voor deze zwart-witte vogels met forse, lange bek een vorm van gespecialiseerd labeur om de twee kleppen van nog levende mosselen open te wrikken, of om er tenminste een gat in te timmeren om bij die weke, eetbare delen te geraken. Alleen schelpen met een levende inhoud tellen, maar ook hun grootte doet ertoe. Size matters.

Economische aanpak

Sinds de jaren 1970 bestaat er in de gedragsecologie een benadering die ervan uitgaat dat dieren bij het zoeken en verorberen van hun voedsel de netto energieopbrengst proberen te maximaliseren. Het model staat bekend als optimal foraging theory. Deze economische, rekenkundige benadering houdt rekening met de energetische opbrengst van een bepaalde voedselbron, maar ook met de kost om ze te vinden en te manipuleren. Gaat een scholekster zich vooral voeden met makkelijk vindbare kleine mosselen of wordt er toch langer gezocht naar een dikke, vette mossel? Vele kleintjes maken een grote, toch?

Grote mosselen zijn meer gespierd om hun schelpen krachtiger dicht te houden. Het vergt van de scholekster meer tijd en energie om de dikkerd te overmeesteren

Dat hoeft niet altijd zo te zijn. Verhoudingsgewijs heeft een scholekster ook aan een kleine mossel aardig wat hamerwerk om bij het eetbare gedeelte te geraken. Bij een grote mossel leidt het timmeren en hakken tot meer voedsel, meer opbrengst dus. Maar grote mosselen zijn meer gespierd om hun schelpen krachtiger dicht te houden. Als het lukt, is de beloning groot, maar het vergt van de scholekster ook meer tijd en energie om de dikkerd te overmeesteren.

Deze insteek toont dat de meest economische of optimale keuze voor de scholekster zit bij mosselen uit de middenmaat. De netto energieopbrengst per eenheid van foerageer- en manipuleertijd piekt bij middelgrote mosselen. Je hoort de opbrengst te corrigeren voor de kosten. Tenminste, dat is de uitkomst volgens het boekje van de optimale foerageertheorie.

Dunnere schelpen verhogen de aantrekkingskracht voor scholeksters

Vinden we deze optimale keuze ook echt terug bij de scholeksters die onze kust afschuimen? Het is in belangrijke mate zo. De meest renderende mosselen worden het meest gegeten, maar het gaat niet alleen over de schelpgrootte. Ook de schelpdikte speelt een rol. Dunnere schelpen verhogen de aantrekkingskracht voor scholeksters. Een mossel bedekt door zeepokken geniet meer bescherming tegen hamerende scholeksters. De witte, kegelvormige behuizing van deze kleine kreeftachtigen is dan ook steenhard. Scholeksters halen er hun economische neus voor op.

Zure mossel

Het klimaat verandert snel. Het blijft niet zonder gevolgen voor de optimale mosselkeuze onder scholeksters. Meer koolzuurgas of CO2 in de atmosfeer leidt tot meer van dit spul in oceanen en zeeën. Het haalt de zuurtegraad van het zeewater omlaag. De verzuring van zeeën en oceanen speelt schelpdieren parten. Hun levensstijl is afhankelijk van een voldoende dikke, kalkrijke verpakking die hun weke lijf beschermt tegen hongerig gevogelte en andere natuurlijke vijanden. Maar verzuring en kalkvorming zijn niet erg compatibel.

Mariene biologen meldden al langer de invloed van oceanische verzuring op krimpende schelpdikte. Toch schuilt hier meer complexiteit achter. Zo toont een recente studie in het vakblad Open Science van de Royal Society dat de mate waarin de schelpen van mosselsoorten oplossen in zuurder water behoorlijk kan variëren, zelfs tot vier keer zoveel. De Amerikaanse onderzoekers testten meerdere soorten binnen een zuurtegraadgradiënt van het zeewater van een pH-waarde van 6,5 tot 9,3.

Met klimaatverandering verandert niet alleen de zuurtegraad. Zeeën worden ook warmer. Ondanks toenemende verzuring stelden onderzoekers van het Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en van de University of Cambridge vast dat de schelpdikte van de purperslak, Nucella lapillus, langs de Belgische en Nederlandse kust de jongste 130 jaar zelfs toenam. De gestegen temperatuur van het zeewater biedt voor de dieren betere omstandigheden om schelpmateriaal aan te maken. Bovendien wordt het groeiseizoen waarin deze dieren kalk aanmaken langer. Die invloed blijkt voor de purperslak, tenminste in ons deel van de Noordzee, nog meer dan te compenseren voor de negatieve verzuringsinvloeden. Zulke studies tonen het grote belang van goedbewaarde museumcollecties.  

Exotisch buffet

De scholekster wordt in de volksmond bonte piet genoemd. Zijn vederpak is bont en de soortgenoten communiceren onderling met een luid en kenmerkend: te-piet-te-piet-te-piet. Hij is niet de enige scholekstersoort. Wereldwijd zijn er twaalf. Ze hebben allemaal ongeveer dezelfde look met een oranje-rode, stevige snavel en roze poten. Ze zijn niet allemaal bont. Je hebt ook volledig zwarte soorten. 

De voedselkeuze van onze scholekster beperkt zich niet tot mosselen en kokkels. Zoals hun Engelse naam oystercatcher laat vermoeden, kunnen ze ook leren om oesters te manipuleren. Populaties in het binnenland zijn eerder grasland- dan kustvogels en voeden zich met wormen en insecten. Vorsers van het Vlaams Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek deden enkele jaren geleden een boeiende vaststelling. In de Beneden-Zeeschelde blijkt de vogel in opmars. Daar heeft de bonte piet een nieuw buffet ontdekt: de recent opgedoken uitheemse brakwaterkorfschelp, Potamocorbula amurensis. Soms kent optimaal foerageren geen grenzen.