Zo'n 1,8 miljoen jaar geleden schakelden enkele muggensoorten over op mensenbloed. Dat gebeurde toen onze voorouder, Homo erectus, zich in Zuidoost-Azië wist te vestigen.
Van de om en nabij 3500 soorten muggen is er maar een handvol dat een voorkeur heeft voor mensenbloed. Toch hebben die enkele muggen een enorme impact op de gezondheid van de mens. Een muggenbeet is vervelend, maar valt in het niets in vergelijking met de consequenties van de ziektes die muggen overgedragen, met malaria op kop.
Een groep internationale onderzoekers verzamelden DNA van elf soorten muggen uit Zuidoost-Azië. Op basis van dat genetisch materiaal en een schatting van de snelheid waarmee mutaties mogelijk hebben plaatsgevonden in het verleden, stelden ze een reconstructie van de evolutionaire geschiedenis van muggen uit deze regio op.
Soendaland
Gewapend met deze reconstructie kwamen ze tot de inschatting dat muggen ergens tussen 2,9 en 1,6 miljoen jaar geleden een voorliefde voor mensenbloed hebben ontwikkeld. Dat gebeurde in Soendaland, een regio die ongeveer samenvalt met Maleisië, Borneo, Sumatra en Java. De periode overlapt met de komst van de Homo erectus, zo'n 1,8 miljoen jaar geleden. Hiervoor voedden de muggen zich waarschijnlijk met het bloed van andere primaten.
Overschakelen van de ene naar de andere prooisoort is evolutionair gezien dus absoluut geen evidentie
Dat betekent dat muggen de smaak van mensenbloed al lang te pakken hadden voor de komst van de moderne mens naar Zuidoost-Azië, wat pas ergens tussen 76 000 en 63 000 jaar geleden gebeurde. De Aziatische muggen leerden ook veel eerder ons bloed drinken dan Afrikaanse muggensoorten zoals Anopheles gambiae en Anopheles coluzzii. Deze twee Afrikaanse soorten, de voorouders van muggensoorten die malaria overbrengen, schakelden pas 509 000 en 61 000 jaar geleden over op mensenbloed, zo bleek uit eerder onderzoek.
Eerdere onderzoek liet al zien dat wijzigingen in voedingsvoorkeuren bij muggen verschillende veranderingen in hun DNA vereisen, voornamelijk in de genen die de receptoren van lichaamsgeur coderen. Overschakelen van de ene naar de andere prooisoort is evolutionair gezien dus absoluut geen evidentie. Dat dit twee miljoen jaar geleden toch gebeurde in Zuidoost-Azië, is volgens de publicatie indirect bewijs dat het aantal individuen van de Homo erectus groot genoeg geweest moet zijn. Dat gegeven was niet direct af te leiden valt uit de schaarse fossielen uit de regio.