Als ouders hun smartphone liever zien dan hun kind

Overmatig smartphonegebruik bij ouders kan een negatief effect hebben op de hechtingsstijl van hun kinderen, volgens onderzoek. Zijn smartphones dan echt zo’n boosdoener in het gezin?

Amerikaanse onderzoekers bestudeerden in een nieuwe studie hoe overmatig smartphonegebruik bij ouders in de weg kan staan van een gezonde hechtingsstijl bij hun kinderen.  Volgens voorgaand onderzoek gaf 46% van de jongeren in 2024 namelijk aan dat hun ouders regelmatig afgeleid zijn door hun telefoon tijdens een gesprek.

Kathleen Beullens, onderzoeker aan het Media Psychology Lab van KU Leuven, geeft wat meer duiding: ‘Als een smartphone voor storing zorgt in een gesprek, omdat je snel een berichtje wil checken, bijvoorbeeld, noemen we dat technoference (van technology en interference, red.) of phubbing (van phone en snubbing (afwijzen), red.).’

‘Onderzoek focust vaak op het smartphonegebruik van jongeren,’ legt Beullens uit. ‘Maar hoe ouders hun telefoon gebruiken is ook heel interessant voor de dynamiek binnen het gezin. De mediacultuur in een gezinscontext werkt immers in twee richtingen.’ Om die reden namen de onderzoekers in deze studie het smartphonegebruik van ouders onder de loep.

Onveilige hechtingsstijlen

De onderzoekers namen een enquête af bij 600 Amerikaanse jongeren tussen de twaalf en zeventien jaar oud. De onderzoekers gebruikten twee vragenlijsten om te peilen naar de ouder-kindrelatie.

Eerst gingen ze na hoe jongeren het smartphonegebruik van hun ouders ervoeren. Daarvoor ontwikkelden ze zelf een tool. Die bestond uit vijftien stellingen, waaronder: ‘Mijn ouder spendeert niet genoeg tijd met mij door zijn/haar smartphone’, ‘mijn ouder negeert mij als hij/zij de smartphone gebruikt’, en ‘mijn ouder en ik hebben conflicten over smartphonegebruik’…

Niet elk soort smartphonegebruik is dus even problematisch

Voor elke stelling moesten de deelnemers aangeven of ze wel of niet herkenbaar was. Het ging dus niet om objectieve cijfers, wel om de perceptie van het kind. Een hoge score impliceerde dat de smartphone, volgens de deelnemer in kwestie, vaak in de weg stond van een goede relatie met zijn of haar ouders.

Daarnaast werd ook met een bestaande test nagegaan welke hechtingsstijl de jongeren hebben in relatie tot hun ouders. Ze moesten daarbij één van de twee ouders uitkiezen waarvoor ze de test invulden. 450 jongeren kozen hun moeder, 125 duidden hun vader aan. De overige 25 kozen een ander ouderfiguur. De hechting die de jongeren met hun gekozen persoon hebben, kan ofwel veilig of onveilig zijn.

Bij een onveilige hechtingsstijl gaan jongeren de interactie met hun ouders aan op een eerder gedesorganiseerde, angstige of vermijdende manier. Dit onderzoek focuste enkel op de laatste twee. Een angstige hechtingsstijl wordt vooral gekenmerkt door verlatingsangst en een hoge nood aan bevestiging. Bij een vermijdende hechtingsstijl zonderen jongeren zich net af om te vermijden dat ze gekwetst worden door hun geliefden. Beide onveilige hechtingsstijlen kunnen, volgens de onderzoekers, gelinkt worden aan mentale problemen zoals depressie, angststoornissen en posttraumatische stresstoornis (PTSS), maar ook aan algemeen wantrouwen, sociale isolering, agressie en meer.

Sterk bereik, slechte verbinding

Volgens de studie vertoonde smartphonegebruik bij zowel moeders als vaders een sterke samenhang met een angstige of vermijdende hechtingstijl. De angstige variant kwam daarbij in beide gevallen het sterkst naar voren. Exact hoeveel uren schermtijd jongeren dan als overmatig ervaren is niet duidelijk.

‘Het is belangrijk om dat te nuanceren,’ meent Beullens. ‘Jongeren kunnen vaak wel een onderscheid maken tussen wat ouders doen op hun smartphone. Als ze weten dat het om een bericht voor het werk gaat, bijvoorbeeld, kunnen ze dat vaak wel relativeren. Gewoon scrollen door sociale media vinden ze dan weer lastiger.’ Niet elk soort smartphonegebruik is dus even problematisch.

Van baby’s tot pubers

Hoewel hechtingsstijlen meestal al bepaald worden op jonge leeftijd, kozen de onderzoekers om adolescenten te bevragen. Dat deden ze omdat gelijkaardig onderzoek voorheen al bij kinderen gebeurd was en de hechtingsstijlen volgens voorgaand onderzoek in de adolescentie toch nog niet volledig vaststaan. Bovendien zijn jongeren zelf ook veel met hun smartphone bezig en is de pubertijd een belangrijke periode voor de ouder-kindrelatie in het algemeen.

Als moeders hun smartphone gebruiken tijdens de borstvoeding, kan dat negatieve effecten hebben voor de baby

‘Kinderen van verschillende leeftijden gaan ongetwijfeld heel anders om met smartphonegebruik in het gezin,’ stelt Beullens. ‘Voor jonge kinderen, zo onder de twaalf jaar ongeveer, is het nog helemaal niet nodig om zelf een smartphone te hebben. De interactie met ouders die wel een smartphone gebruiken, is dus heel anders als de interactie die adolescenten ervaren.’ Er bestaat zelfs al onderzoek naar de relatie tussen moeders en baby’s. Als zij hun smartphone gebruiken tijdens de borstvoeding, bijvoorbeeld, kan dat ook al negatieve effecten hebben voor de baby.

Toch hoeven de effecten van smartphones in het gezin niet allemaal negatief te zijn. Volgens Beullens kunnen smartphone- en tv-schermen immers ook positief bijdragen aan de gezinssfeer. ‘Met jonge kinderen weet je als ouder vaak beter wat te doen. Als je die loslaat in een speeltuin zijn ze gelukkig. Maar bij pubers is dat al wat lastiger. Technologie en media kunnen daar dan bij helpen. Als je bijvoorbeeld elke zondag samen naar De Mol kijkt en dan met je smartphone stemt op jouw hoofdverdachte, kan technologie zelfs als een tool werken voor verbinding,’ zegt ze. Een smartphone is dus zeker niet altijd slecht nieuws, als je er maar bewust mee omgaat.