"Van fouten leer je." Het is een uitspraak die we vaak horen. Maar klopt dat eigenlijk wel?
Kinderen maken elke dag fouten: ze schrijven een woord verkeerd, kiezen een verkeerde strategie of struikelen over een moeilijke rekensom. Toch blijkt een fout op zich geen garantie om iets bij te leren.
Neem bijvoorbeeld Sofia en Anna. Tijdens hun huiswerk maken ze allebei dezelfde fout bij een moeilijke optelsom. Een dag later in de klas beantwoordt Sofia een gelijkaardige oefening wél juist, terwijl Anna opnieuw hetzelfde verkeerde antwoord geeft. De fout maakten ze gisteren allebei. Waarom bleek die fout voor Sofia dan een leermoment, terwijl Anna er opnieuw in trapte? Wat gebeurde er tussen die twee momenten?
Het antwoord ligt niet alleen in hoeveel de kinderen weten, maar ook in hoe ze omgaan met wat ze nog níét weten. Dit noemen we metacognitie: het vermogen om je eigen denken te volgen en, wanneer nodig, bij te sturen. Simpel gezegd: denken over je eigen denken.
Om uit een fout te leren, moeten er twee dingen gebeuren. Eerst moet je opmerken dat er iets fout ging. Mede-onderzoeker Elien Bellon beschreef het enkele jaren geleden al: hoe beter je je eigen prestaties kan inschatten, hoe beter je schoolse vaardigheden zijn. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar is het allerminst. Mensen zijn zich lang niet altijd bewust van hun fouten.
Beseffen dat je een fout maakt, is dus een cruciale eerste stap in het leerproces. Maar daarmee is het leerproces nog niet voltooid. De volgende stap is minstens even belangrijk: het gedrag moet worden aangepast. Bij Anna en Sofia zou dat kunnen betekenen dat Sofia bij deze rekenoefening in de klas wat voorzichtiger of trager ging werken, haar antwoord opnieuw controleerde of een andere rekenstrategie gebruikte. Dit vermogen om je aanpak bij te sturen bepaalt of je ook echt iets leert uit de fout die je maakte.
Daden zeggen meer dan woorden
Om te onderzoeken hoe kinderen hun eigen leerproces opvolgen en bijsturen, stellen wetenschappers hen vaak vragen over hun denkproces. Hoe zeker ben je van je antwoord? Welke aanpak gebruikte je? Wat zou je anders doen bij de volgende oefening? Dat levert waardevolle informatie op, maar heeft ook beperkingen. Kinderen kunnen niet altijd goed uitleggen wat er in hun hoofd gebeurt.
Daarom kijken wij liever naar gedrag: niet naar wat kinderen achteraf vertellen over hun denkproces, maar naar wat ze echt doen terwijl ze een taak oplossen.
Dat kunnen we verrassend nauwkeurig meten. We laten kinderen schoolse taken maken op een laptop en registreren zeer precies, tot op enkele milliseconden, hoe snel en accuraat de kinderen reageren bij elke oefening. We vergelijken dan wat er gebeurt na een juist antwoord en na een fout.
Reageren ze na een fout iets trager? Kiezen ze voor een andere strategie? Controleren ze hun antwoord zorgvuldiger? Zulke subtiele veranderingen zijn voor een leerkracht in de klas, en vaak ook voor de kinderen zelf, zo goed als onzichtbaar. Met onze metingen worden ze wel zichtbaar.
Wat onthullen deze metingen dan precies? Het valt op dat mensen na een fout vaak iets trager reageren. Dat klinkt misschien als een slecht teken. Trager werken lijkt immers minder efficiënt. Maar die korte vertraging kan juist betekenen dat je extra aandacht besteedt aan de volgende opgave. Het lijkt alsof het brein even op de rem gaat staan om een nieuwe fout te voorkomen.
Iedereen kent dat gevoel. Je typt een verkeerd wachtwoord in en kijkt de volgende keer aandachtiger naar je toetsenbord. Of je neemt bijna de verkeerde afslag met de auto en let daarna extra goed op de verkeersborden. Die kleine aanpassing laat zien dat we onze fouten kunnen gebruiken om ons gedrag bij te sturen. Kinderen doen precies hetzelfde. Meer zelfs, uit ons onderzoek blijkt dat kinderen na fouten sterker vertragen dan volwassenen. Hun brein lijkt dus nog langer op de rem te gaan staan.
Soms is een stap terug een stap vooruit
Maar ons onderzoek toont ook aan dat er na een fout meer gebeurt dan alleen een tijdelijke vertraging.
Neem een eenvoudige optelsom zoals 9 + 4. Jonge kinderen lossen die vaak op door te tellen. Oudere kinderen kennen het antwoord meestal uit het hoofd. Dat ophalen uit het geheugen is sneller en vraagt minder mentale inspanning. Wanneer die snelle aanpak tot een fout leidt, zouden kinderen kunnen terugschakelen naar de tragere strategie. Maar doen ze dat ook?
Fouten zijn niet per definitie slecht, maar ook niet automatisch een leerkans. Wat telt, is wat er daarna gebeurt
Om dat goed te kunnen bestuderen, maakten we gebruik van een speciale rekentraining. In plaats van gewone optelsommen leerden we kinderen rekenen met het alfabet, bijvoorbeeld E + 5 = J. Zulke oefeningen lijken op gewone rekenoefeningen, maar worden niet op school geoefend. Hierdoor starten alle kinderen in hun kennis hierover vanaf nul, en kunnen we nauwkeurig volgen hoe ze in hun leerproces stapsgewijs de overstap maken van tellen naar het rechtstreeks ophalen van het antwoord uit het geheugen.
Dankzij die gecontroleerde taak kunnen we ook zien hoe kinderen reageren wanneer die snelle geheugenstrategie tot een fout leidt. Ons onderzoek toont aan dat de meeste kinderen toch de snelle strategie blijven gebruiken. Maar sommige kinderen schakelen na zo’n fout wél terug naar tellen. En net die kinderen blijken de oefeningen uiteindelijk sneller onder de knie te krijgen.
Goede probleemoplossers zijn dus niet noodzakelijk degenen die altijd de snelste aanpak gebruiken. Misschien zijn het juist de kinderen die weten wanneer ze een stapje moeten terugkeren.
Deze bevindingen zijn niet alleen interessant voor onderzoekers. Ze kunnen ook helpen om leren in de klas beter te begrijpen. Op school ligt de nadruk vaak op het aantal fouten dat een leerling maakt. Een goed antwoord levert punten op, een fout antwoord niet. Maar dit vertelt vaak niet het hele verhaal.
Wat gebeurde er dan tussen die twee rekensommen van Sofia en Anna? Waarschijnlijk niets spectaculairs. Misschien stond Sofia's brein na haar eerste fout even op de rem. Misschien controleerde ze haar antwoord net iets zorgvuldiger of koos ze voor een andere strategie. Deze kleine verschillen blijven in een drukke klas gemakkelijk onopgemerkt, en tóch zijn ze groot in hun gevolgen voor het leerproces.
We zeggen vaak dat je zo weinig mogelijk fouten moet maken, maar even vaak dat je net uit je fouten leert. De wetenschap toont dat geen van beide uitspraken helemaal juist is. Fouten zijn niet per definitie slecht, maar ook niet automatisch een leerkans. Wat telt, is wat er daarna gebeurt.