De Helixnevel werd in 1824 ontdekt door de Duitse astronoom Karl Harding. Het is een zogeheten planetaire nevel: een min of meer bolvormige schil van gas, uitgestoten door een ster die aan het eind van zijn leven is gekomen. De nevel staat op ongeveer 650 lichtjaar afstand in het sterrenbeeld Waterman en heeft een diameter van circa 2,5 lichtjaar.
Sterren zoals onze eigen zon zwellen aan het eind van hun leven op tot gigantische rode reuzen die hun buitenste gaslagen de ruimte in blazen. De ster zelf krimpt daarna ineen tot een kleine, hete dwerg. De energierijke straling van die witte dwergster brengt het eerder weggeblazen gas tot gloeien.
De witte dwerg in het centrum van de Helixnevel bevindt zich buiten beeld, aan de bovenzijde van de Webb-foto. De nevel ontstond ruim 10.000 jaar geleden, en dijt nog steeds uit met een snelheid van zo’n 30 kilometer per seconde. In het afkoelende gas zijn tienduizenden ‘klontjes’ gevormd waarin moleculen van waterstof en andere elementen ontstaan. In de allerkoudste delen condenseert het gas zelfs tot microscopisch kleine stofdeeltjes.
De moleculaire ‘klontjes’ – stuk voor stuk ongeveer zo groot als ons hele zonnestelsel – verdampen langzaam maar zeker onder invloed van een krachtige maar ijle wind van heet gas, afkomstig van de witte dwergster. Zo ontstaan de ‘komeetstaartjes’, die allemaal van de witte dwerg af wijzen, in een radiaal patroon.
Onze eigen zon zal over ongeveer vijf miljard jaar ook opzwellen en een planetaire nevel produceren. Het gas en stof in de resulterende uitdijende schil gaat in de verre toekomst deel uitmaken van het bouwmateriaal van nieuwe sterren en planeten. Ook de James Webb-foto van de Helixnevel toont een momentopname in die kosmische kringloop.