Tweeduizend jaar geleden woonden er Romeinen in wat we nu de polders aan de kust noemen. Maar het landschap zag er toen helemaal anders uit dan vandaag.
Een landschap dat voortdurend verandert
De polders zijn gebieden die dicht bij zee liggen. Vroeger stroomde het zeewater daar vaak via sloten het land binnen. Soms stond het gebied onder water, soms viel het weer droog. Het was dus een nat en veranderlijk landschap, met kleiige bodems en veel schelpen in de grond.
Leven op klei en schelpen
De Romeinen die daar woonden, moesten zich aanpassen aan die natte, zoute bodem. De kleigrond was lastig om op te bouwen, maar tegelijk rijk aan grondstoffen. Zout was bijvoorbeeld een belangrijk product in de Romeinse tijd, en dat konden de Romeinen makkelijk uit schelpen en zeewater halen.
De grond vertelt het verhaal
De lagen in de bodem van de polders tonen hoe de zee zich verplaatste en hoe mensen in dat veranderende landschap probeerden te overleven.
Openingsbeeld: twee foto's samengevoegd.