Met dank aan het toeval: wetenschapsgeschiedenis in de Lage Landen

In 1913 stichtte George Sarton het wetenschapshistorische tijdschrift Isis, dat uitgroeide tot het belangrijkste vakblad ter wereld. Wanneer werd de Nederlandse wetenschapsgeschiedenis naar een hoger niveau getild?

Wondelgem, vlakbij Gent. Voorovergebogen aan een bureau zit George Sarton naarstig aan het eerste nummer van een nieuw wetenschappelijk tijdschrift te werken. De meeste artikels schrijft hij zelf, het geld komt uit zijn – toegegeven, vrij rijkelijke – erfenis. Een academische positie heeft Sarton op dat moment namelijk niet. Een visie wel: ‘Ik heb besloten mijn leven te wijden aan de onbaatzuchtige studie van de wiskundige methodologie en de geschiedenis van de wetenschappen.’ Een jaar later sticht de Gentse natuurwetenschapper en wiskundige vanuit die visie het wetenschapshistorisch tijdschrift Isis. Redactie en vormgeving verzorgt hij samen met echtgenote Mabel. Samen sturen ze exemplaren van de eerste nummers naar duizenden wetenschappers over de hele wereld. Isis moest van bij het begin internationaal gericht zijn. Het blijft de eerste jaren echter bij een paar honderd abonnees.

Meer dan honderd jaar later is Isis uitgegroeid tot het belangrijkste tijdschrift van het wetenschapshistorische vakgebied. Vandaag wordt Isis niet meer samengesteld, nagelezen en vormgegeven aan een Wondelgemse keukentafel, maar uitgegeven door de University of Chicago Press als het tijdschrift van de History of Science Society. Het is een prestigieus vaktijdschrift met wetenschappelijke artikels over de geschiedenis van wetenschappen, geneeskunde en technologie. Hoe heeft het wilde project van die werkloze Sarton het zover kunnen brengen? En wat doen wetenschapshistorici eigenlijk?

Amerika bood meer kansen aan de ambitieuze Sarton

Enerzijds is wetenschapsgeschiedenis de geschiedenis van de ideën en de uitvindingen binnen een bepaalde wetenschapsdiscipline, bijvoorbeeld de wiskunde of de biologie. Anderzijds omschrijft historicus Joris Vandendriessche (KU Leuven) de rol van wetenschapshistorici als ‘kritisch-reflectief’, een discipline die zonder alles te willen deconstrueren ook wel kritisch is over de grenzen van wat wetenschap kan. In die zin leunt wetenschapsgeschiedenis aan bij wetenschapsfilosofie en is er ook wel overlap. Maarten Van Dyck, wetenschapsfilosoof aan de UGent, formuleert het als ‘vragen stellen die wetenschappers zichzelf niet stellen’. Voor Steven Vanden Broecke, historicus aan eveneens de UGent, is wetenschapsgeschiedenis daarboven ‘ook een manier om naar de cultuur, het sociale en het intellectuele leven van een samenleving te kijken’.

Het traject van Sarton

Grote ideeën en ambities om aan een keukentafel over na te denken. Het succes van Sarton is nochtans deels te danken aan toeval. Een jaar na de start van het tijdschrift viel het Duitse leger België binnen. Sarton ontsnapte ternauwernood en moest zijn notities deels verbergen in de tuin. Het gezin vluchtte naar de Verenigde Staten. Daar zagen ze deze oorlogsvluchteling uit Brave Little Belgium graag komen. Het internationalisme van Sarton paste bij het Amerika van de oorlogsjaren. Omgekeerd boden de VS meer kansen aan Sartons historische interesses. De Belg begon – onbetaald – een cursus wetenschapsgeschiedenis te doceren aan Harvard. In 1919 raakte hij vastbenoemd aan het Carnegie Institute in Washington om ten slotte in 1940 hoogleraar wetenschapsgeschiedenis te worden. Zijn benoeming gaf Sarton meer financiële ademruimte. Hij begon aan zijn magnum opus, een vijfdelige Introduction to the History of Science, gepubliceerd tussen 1927 en 1947. Ondertussen stichtte hij nog het jaarblad Osiris en de History of Science Society en stond mee aan de wieg van de Académie Internationale d’Histoire des Sciences. Volgens wetenschapshistoricus Geert Vanpaemel (KU Leuven) was Sarton dan ook ‘niet alleen een uitzonderlijke wetenschapshistoricus maar in de eerste plaats een goede organisator’.

Is het omdat zijn initiatieven vooral in de Verenigde Staten wortel schoten dat we hem hier een beetje uit het oog verloren zijn? In zijn thuisstad Gent, waar hij nooit een positie gehad heeft, liet Sarton lange tijd geen sporen na. Eerder onverwacht kwam er in de jaren 1980 toch een Sartonleerstoel op initiatief van Michel Thiery, gynaecoloog aan het UZ. Vader Leo-Michel Thiery was aan het begin van de eeuw een gangmaker van het intellectuele leven in Gent. Zo raakte hij bevriend met Sarton, die zich in dezelfde kringen bewoog samen met schrijvers als Karel van de Woestijne en Richard Minne. Sarton werd de peter van de zoon van zijn vriend. Die Michel Thiery besliste later dat Gent zijn peter, de onterecht onbekende historicus, meer moest eren. Samen met de leerstoel worden er ook Sartonmedailles uitgereikt ter ere van de in 1956 overleden historicus. ‘Wat men op dat moment totaal niet besefte, was dat de History of Science Society eveneens een prestigieuze Sartonmedaille heeft, wat nog altijd voor enige verwarring zorgt’, lacht Van Dyck.

Van Dyck is samen met Vanden Broecke nauw betrokken bij het Sartoncentrum van de UGent, ook vernoemd naar de illustere Gentenaar maar met een andere ontstaansgeschiedenis. De romanist Fernand Hallyn wilde filologische methodes toepassen op de wetenschapsgeschiedenis en oogstte internationale waardering voor zijn studies over astronoom en wiskundige Johannes Kepler. In 2003 vloeide daar het interdisciplinaire Sartoncentrum uit voort. Het brengt onderzoekers uit verschillende vakgroepen samen, trekt internationaal postdoctorale onderzoekers aan en injecteert een wetenschapshistorische component in doctoraatsonderzoeken. Al blijft toeval een rol spelen, zegt Van Dyck, want een vaste aanstelling met de stempel ‘wetenschapshistoricus’ is er niet: ‘Het centrum kan maar blijven bestaan omdat onderzoekers uit filosofie, geschiedenis of kunstwetenschappen voldoende interesse blijven hebben in het vakgebied en openstaan voor interactie.’

Illustere voorgangers

Nochtans stond Sarton in een rijke Belgische traditie. Adolphe Quetelet, een van de belangrijkste Belgische wetenschappers, deed pionierswerk op het vlak van geschiedschrijving. De wiskundige schreef biografische notities over voorgangers uit de zestiende eeuw zoals Simon Stevin en een groot overzichtswerk over de geschiedenis van de wis- en natuurkunde. Deze publicaties hadden deels politieke motieven: Quetelet wilde hiermee de overheid van de jonge natiestaat België overtuigen dat investeren in wetenschap – naar analogie met Keizer Karel drie eeuwen eerder – cruciaal was. Hij argumenteerde dat zonder de royale steun van de vorst er van klinkende namen als Vesalius en Mercator geen sprake was geweest. Verder meende de vermaarde statisticus dat een overheid maar goed beleid kon voeren gesteund met betrouwbare data, die vice versa enkel legitimiteit verkregen als ze waren ingebed in een betrouwbaar overheidsapparaat. Beleid en wetenschap hadden elkaar nodig.

Volgens Vanpaemel oversteeg de interesse in het eigen wetenschapsverleden wel de politieke sfeer: ‘Wetenschap werd gezien als een graadmeter voor de cultuur van een land en intellectuele ontwikkeling van een volk.’ Quetelet maakte de link tussen het mecenaat van Keizer Karel en de algemene culturele bloei in de zestiende eeuw, ook in de kunsten. In Nederland maakten wetenschappelijke ontwikkelingen deel uit van de zogenaamde Gouden Eeuw. De zeventiende-eeuwse Republiek was evenzeer het land van Rembrandt als van Christiaan Huygens geweest. En wetenschappers als Huygens speelden een patriottische rol: ze lieten zien hoe een klein land groot kon zijn. De geschiedenis functioneerde als leermeester van het heden. Het toonde hoe vroeger wetenschappen succesvol waren geworden én moest aanmoedigen om verder te denken op de inzichten van voorgangers. In de Koninklijke Academiën, het statige classicistische gebouw in Brussel waar Quetelet zijn onderzoek deelde met zijn collega’s, kom je in de hal nog steeds volgend citaat tegen: ‘Wij kiezen steeds met genoegen voor al wat ertoe strekt de voorliefde voor en de studie van nuttige wetenschappen en goede literatuur te prikkelen, in stand te houden en te verspreiden.’ In de statige negentiende eeuw werd kennisnemen van het verleden van je eigen vakgebied gezien als deel van je bildung als wetenschapper.

Het belichten van de erfenis van bijvoorbeeld Stevin werd nochtans niet overal op applaus onthaald. Ook toen al hing het er maar van af aan wie je het vroeg wanneer al die bloeiperiodes en gouden eeuwen juist hadden plaatsgevonden. Vooral de breuklijn tussen katholieken en liberalen zorgde in het jonge België voor vuurwerk. Toen het stadsbestuur van Brugge in 1839 een standbeeld voor Stevin wilde oprichtten, viel dat nogal slecht bij katholieke parlementairen – standbeelddiscussies, niets nieuws. Tegenstanders verweten de zestiende-eeuwse natuurkundige dat hij ten tijde van de reformatie naar het noorden vluchtte en dienst had genomen in het leger. Dit maakte hem zogenaamd ‘anti-Belgisch’ en ‘antikatholiek’. Het standbeeld kwam er uiteindelijk wel en liberalen hieven Stevin op het schild als een slachtoffer van katholieke repressie, toen en nu. Andere populaire onderwerpen die voor controverse zorgden, waren het proces tegen Galileo Galilei en de vraag of de oude katholieke universiteit van Leuven nu een vloek of een zegen was geweest.

Leerstoelen, genootschappen en een weekendje weg

De echte institutionalisering van de discipline begon in de Lage Landen zo rond 1900, maar wel op andere snelheden. In Nederland was de oprichting van Gewina, het genootschap voor wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis, in 1913 een belangrijk ijkpunt. Ad Maas, historicus aan de universiteit Leiden en conservator moderne natuurwetenschappen bij Rijksmuseum Boerhaave, legt uit: ‘Nederland kende in die periode een bloeiperiode voor de wetenschappen, met vijf Nobelprijzen op dertien jaar.’ Gewina haakte in op het succes van de nationale wetenschap en streefde naar erkenning van haar voorgeschiedenis. Er kwamen publicaties, voordrachten en herdenkingsplechtigheden. Al was voor de leden het sociale aspect, een halfjaarlijks weekendje weg onder het mom van een wetenschappelijke vergadering, eveneens belangrijk. Bij de viering van het vijftigjarig bestaan kon er worden gedineerd in het kasteel van Gorinchem – een diner bij kaarslicht, bij gebrek aan elektriciteit.

De Nederlandse wetenschapsgeschiedenis werd doorheen de twintigste eeuw naar een hoger niveau getild met zowel musea als hoogleraarschappen voor bijvoorbeeld Eduard Dijksterhuis. Die won met De mechanisering van het wereldbeeld (1950) zelfs de P.C. Hooft-prijs. Na de bachelor-masterhervormingen kwam er het Descartes Centre in Utrecht en een echte master in de History and Philosophy of Science. Gewina speelt nog steeds een belangrijke rol, al gaan de conferenties niet meer door bij kaarslicht maar wel in congrescentra op verschillende plekken in België en Nederland. Maas, redacteur van Wonderkamer, omschrijft die conferenties als een ‘gemeenschap met veel aardige mensen’, ontstaan ‘vanuit de nood om over de eigen discipline te reflecteren’. Het genootschap publiceert zowel het populairwetenschappelijke tijdschrift Wonderkamer als het peer-reviewed Journal for the History of Knowledge.

Die gestage uitbreiding contrasteert met België. Na een eerste piek verdween de interesse in het verleden van onze wetenschap. Hier en daar werd nog wel een vak wetenschapsgeschiedenis gedoceerd, soms door grote namen als astronoom en wiskundige Georges Lemaître, maar een echt gerespecteerd vakgebied werd het niet. Vooral figuren in de marge deden belangrijk werk. Van Dyck en Vanpaemel wijzen op het belang van de bijna blinde jezuïet Henri Bosmans, leraar wiskunde met een grote belangstelling voor het verleden van zijn vakgebied. Het resultaat? Meer dan tweehonderd (!) artikels over de geschiedenis van de wiskunde. Kenneth Bertrams, historicus aan de ULB en voorzitter van het Nationaal Comité voor Logica, Geschiedenis en Filosofie van de Wetenschappen, haalt dan weer Jean Pelseneer aan. De Brusselaar ging aan Harvard inspiratie opdoen bij Sarton. Terug thuis slaagde hij erin om aan de ULB het vakgebied een vaste plaats te doen verwerven, als enige universiteit in België op dat moment. Pelseneer engageerde zich ook sterk tijdens de jonge jaren van het Nationaal Comité. In Luik richtte Robert Halleux, die naar Parijs had moeten uitwijken om zich te specialiseren in Kepler, in 1982 een centrum voor de geschiedenis van wetenschap en techniek op. Bertrams vertelt: ‘Hij haalde intellectuele prestige uit zijn positie bij het FNRS (de Franstalige tegenhanger van het FWO, red.) maar was ook een bekend figuur in linkse kringen. Hij kon via de metallos van Seraing veel materiaal redden voor zijn centrum.’ Ook de impact van Brigitte Van Tiggelen, opgeleid zowel als historica en als fysica, op de geschiedenis van de chemie is volgens Bertrams niet te onderschatten.

Pas in de jaren 1990 begon er wat te broeien. Halleux organiseerde een groot congres in Brussel. In Gent werd de aanloop naar het Sartoncentrum genomen en in Leuven stuurden historici het onderzoek richting cultuurhistorische domeinen. Eind twintigste eeuw kwamen de historici aan zet. Tot dan toe hadden vooral insiders over hun eigen discipline geschreven. Nu werd wetenschapsgeschiedenis volgens Vanden Broecke ‘minder een aanhangsel van wiskundigen of natuurkundigen met interesse in hun eigen discipline en meer een zelfstandige tak van de wetenschap met eigen netwerken en tijdschriften’. Vakhistorici zetten vaak meer kritische kanttekeningen bij historische ontwikkelingen zoals de opkomst van pseudowetenschappen zoals raswetenschappen of de uitwassen in de vroege psychiatrie. Aan het Sartoncentrum is de overgang van natuurfilosofie naar natuurwetenschappen een belangrijk onderzoeksdomein. In Leuven neemt vooral universiteitsgeschiedenis, medische geschiedenis en gendergeschiedenis van de wetenschap onder professor Kaat Wils een belangrijke plek in, onderzoek dat je kan ontdekken op de expo’s over zeshonderd jaar KU Leuven en binnenkort in het nieuwe Vesaliusmuseum.

Al droomt Vandendriessche, een van de curatoren van de nieuwe expo, nog van verder en breder. Van een geschiedenis van kennis: ‘Wetenschapsgeschiedenis gaat vaak over experten en wetenschappers. Die lijntjes liggen vast. Kennisgeschiedenis wil meer historische actoren betrekken om zo de samenleving te bestuderen – toch nog een andere aanpak.’ Zo blijven wetenschapshistorici bezig.

Wikimedia.

Bestor is een platform over wetenschapsgeschiedenis en -filosofie in België met een rijke databank over ons wetenschappelijk verleden. De website, een initiatief van het Nationaal Comité voor Logica, Geschiedenis en Filosofie van de Wetenschappen, kreeg recent een grondige update van het Ghent Centre for Digital Humanities. Wil je meer lezen over wetenschapsgeschiedenis in België? Neem zeker een kijkje op bestor.be