Eos Blogs

Zijn mensen geboren om te lopen?

In het dierenrijk zijn we opvallend slecht uitgerust: niet snel, niet sterk, geen klauwen of tanden. Maar toch slaagden we erin om stand te houden tussen al dat fysiek geweld. Ons geheim? Uithouding.

Stel je het volgende even voor: een hongerige Homo erectus staat een kleine twee miljoen jaar geleden op een grote vlakte in wat nu de Kalahari woestijn is. Een beetje verderop staat een groepje antilopen rustig te grazen. Hij heeft zelf al een tijdje geen vlees meer gegeten en ook de rest van de stam ziet een stukje antilope wel zitten als lunch. Onze verre voorouder heeft wel nog een paar problemen: speren en bogen bestaan nog niet, een antilope neerhalen in een spurt lukt nooit en een beetje verderop een karkas afsnoepen van een troep leeuwen lijkt een slecht plan. Hoe gaat hij er toch voor zorgen dat zijn familie eten heeft? Het antwoord: lopen.

Persistence hunting of renjacht was een techniek waarbij jagers een dier tot uitputting achtervolgden. Niet in één lange sprint, maar stap voor stap en uur na uur. Het plan was simpel:

  1. Laat een smakelijk uitziende prooi schrikken (het liefst een kwetsbaar of zwak exemplaar)
  2. Laat het dier in paniek wegspurten
  3. Volg de sporen in lichte looppas tot het dier weer in zicht is
  4. Herhaal stap 1-3 tot je prooi neervalt van hitte-uitputting
  5. Geniet van een heerlijke lunch met de rest van de stam

Het was zeker niet onze belangrijkste manier om aan voedsel te komen en na de opkomst van “lange afstandswapens” (zoals pijl en boog, speren, enz.) gebeurde het waarschijnlijk ook nog amper, maar het was wel mogelijk. Vandaag de dag zijn er nog een paar stammen die het doen. Maar deze techniek roept ook een paar interessante vragen op: waarom zijn wij als mensen zo goed in afstandslopen? Waarom valt de antilope neer van de hitte? En belangrijker, waarom wij niet?

De inefficiëntie van spieren

Het is voor iedereen wel duidelijk dat spieren essentieel zijn om te kunnen lopen. Maar jammer genoeg zijn onze spieren daar eigenlijk helemaal niet zo goed in. Wanneer onze hersenen het signaal geven aan een spier om samen te trekken, zal ATP (adenosine-tri-fosfaat), dé chemische energie bij uitstek, één fosfaatgroepje afsplitsen en aan de spier doneren. De binding van die fosfaatgroep op de spier (myosine om specifiek te zijn) zorgt ervoor dat delen van de spier in elkaar schuiven, waardoor de spier verkort en dus bijvoorbeeld onze benen doet bewegen.

Van alle energie die in dit proces vrijkomt, gaat amper een kwart naar die effectieve beweging. De rest, vaak zo’n 75-80%, verdwijnt gewoon als warmte. Onze spieren zijn dus eigenlijke kleine kacheltjes die toevallig ook kunnen bewegen.

Het doet een beetje denken aan een gloeilamp. Die werd uitgevonden om licht te geven, maar geeft in werkelijkheid vooral warmte af. Onze spieren doen net hetzelfde maar dan met beweging. Het verwondert dus niet dat onze antilope in de woestijn, na een paar keer te spurten voor haar leven, oververhit begint te raken.

Mobiele airconditioning

Maar waarom valt de antilope dan neer maar wij niet? Het toeval wil (of misschien eerder de evolutie) dat mensen enorm goed kunnen afkoelen.

Ten eerste is er onze vacht, of eigenlijk meer het gebrek eraan. Terwijl de antilope een dikke laag haar met zich meesleurt, lopen wij er quasi kaal bij. Lucht kan ongehinderd over onze huid stromen om zo de warmte, geproduceerd door onze spieren, mee af te voeren. Bij een dier met veel vacht blijft die warmte voor een deel gevangen in een jas die ze niet uit kunnen trekken.

Ten tweede: waar de antilope vooral hijgt, zweten wij, een fundamenteel verschil in strategie. Hijgen, zoals een hond op een hete zomerdag, kost minder water dan zweten, maar het levert ook minder afkoeling op. Zweten daarentegen is bijzonder efficiënt: het is niet zo zeer het zweet zelf dat ons afkoelt maar de verdamping ervan. Wanneer zweet verdampt, onttrekt het warmte aan de huid, en koelt ons op die manier zeer goed af.

Waar onze prooien moesten kiezen tussen vluchten of afkoelen, moesten wij dat nooit

Ten derde helpt onze lichaamsbouw ook mee. Mensen zijn lang, slank én lopen rechtop. Dit betekent dat we een iets gunstigere verhouding hebben tussen onze massa en ons huidoppervlak, wat zweten voor ons nog efficiënter maakt. Daarnaast zorgt ons rechtop lopen ervoor dat wij, wanneer de zon ’s middags op zijn hoogst en warmst staat, een veel kleiner oppervlak hebben voor de zon om op te schijnen. Daardoor hebben we minder last van de stralingswarmte van de zon dan een dier dat op vier poten loopt.

Tot slot nog een belangrijk verschil. Een antilope, die dus vooral hijgt om warmte te verliezen, moet vertragen of stoppen om dit te kunnen doen. Haar ademhaling zit letterlijk vast aan haar stapfrequentie. Mensen die lopen kunnen dit volledig loskoppelen. Wij kunnen perfect hijgen, zweten én doorlopen tegelijkertijd. Waar onze prooien moesten kiezen tussen vluchten of afkoelen, moesten wij dat nooit.

Onze echte superkracht is misschien niet zo zeer het lopen zelf (er zijn ontelbare dieren die hiervoor beter geschikt zijn), maar eerder het enorme vermogen van mensen om af te koelen. Waar onze spieren dan misschien gloeilampen zijn, kan je de mens vergelijken met een wandelende airconditioning.

Lopen definieert ons

Waarom is dit nu zo belangrijk en interessant? Dit is niet zomaar iets waar wij toevallig goed in zijn. Wanneer we het hebben over de overgang van Australopithecus naar het geslacht Homo (onze tak van de familie), denken we automatisch aan ons grotere brein, platter gezicht, minder “aap-achtig” lichaam enzovoort. Allemaal zeer terechte puzzelstukken die het verschil maken. Maar ergens in die overgang kregen we ook een lichaam dat niet meer gemaakt was om te klimmen, maar om te lopen. Dat zegt misschien wel iets over wie we toen waren en wie we nu geworden zijn: van lopers die toevallig goed konden denken, naar denkers die misschien wat vaker zouden moeten lopen.