Eos Blogs

Er lag een krokodil in de kast

125 jaar geleden kocht de KU Leuven een collectie fossielen die ze nooit meer heeft bekeken. Voor het eerst is een groep studenten op zoek gegaan naar krokodilachtige botten. Zij vonden aanwijzingen voor Diplocynodon, de oudste alligatorachtige.

125 jaar geleden kocht Professor Henry de Dorlodot, stichter van het Leuvense kolenmuseum, een collectie fossielen uit Frankrijk. Nu hebben jonge onderzoekers deze collectie voor het eerst onderzocht. Zij zijn op zoek gegaan naar de resten van krokodilachtigen om ze te identificeren en meer over hun verwantschap te leren. Honderden stukken zijn met de hand schoongemaakt en beschreven, en de mooiste stukken zijn gefotografeerd.

Het blijkt dat de collectie ongeveer 800 fragmenten van krokodilachtigen bevat, meer dan in veel andere collecties wereldwijd. Ze komen uit St-Gérand-le-Puy en Ronzon in Zuid-Frankrijk, bekende gebieden met goed bewaarde fossielen. Diplocynodon, een uitgestorven groep van alligatorachtigen die 40 miljoen jaar lang in Europa leefden, werd daar voor het eerst terug gevonden. Diplocynodon wordt vaak de oudste alligatorachtige genoemd, hoewel er recent twijfels zijn opgetreden of Diplocynodon misschien toch bij een hele andere groep hoort. Huidige alligators en krokodillen leven enkel in de tropen en zijn vooral aangepast aan leven in het water. Maar hun voorouders waren een veel grotere groep die overal op de wereld voorkwamen en veel diversere levensstijlen kenden.

Dat er vroeger krokodillen in Europa leefden, vertelt ons veel over het klimaat van die tijd. Het was er warmer en vochtiger dan vandaag. Krokodillen zijn immers koudbloedige dieren die niet goed tegen langdurige temperaturen onder het vriespunt kunnen. Bovendien hadden ze voldoende water nodig om te overleven. Nu hebben we geen krokodillen meer in Europa, maar zouden ze door de huidige klimaatopwarming opnieuw voet aan de grond kunnen krijgen? Waarschijnlijk niet. Hoewel de temperaturen stijgen, zijn er nog heel wat andere factoren die bepalen of een soort ergens kan overleven. Of krokodillen ooit opnieuw deel zullen uitmaken van de Europese fauna, zal de toekomst moeten uitwijzen.

We kunnen dus veel leren als we weten dat er vroeger krokodillen rondliepen, maar hoe identificeren we de fossielen als we ze vinden? Dat is niet zo eenvoudig. Niet elk dier dat sterft laat fossielen achter en de fossielen zijn vaak beschadigd. Bijkomend moet het fossiel materiaal ook kenmerken tonen die het van andere groepen onderscheidt. Welke kenmerken zijn dat?

Onderzoekers bepalen welke kenmerken uniek zijn voor een groep of soort door heel veel materiaal te vergelijken. Telkens als er nieuwe fossielen worden ontdekt, beschrijven ze deze heel gedetailleerd en bespreken ze de kenmerken. Hieruit beslissen ze of het mogelijk is om het fossiel materiaal aan een soort of groep toe te wijzen. Door dat heel vaak te doen voor heel veel fossielen leren we dus welke dieren er miljoenen jaren geleden rond liepen op aarde.

Het onderzoek naar fossielen is als het oplossen van een puzzel. Hoe meer stukken ontbreken, hoe moeilijker het is. Daarom is het belangrijk om paleontologische collecties toegankelijk te maken voor de wetenschap. Vaak is er ergens al materiaal dat open vragen kan oplossen. Nu kunnen toekomstige onderzoekers ook deze collectie van de KU Leuven gebruiken om nieuwe vraagstukken op te lossen.