Nachtvlinders hebben niet bepaald het positieve imago van hun flamboyante vrienden die overdag vliegen. Onterecht. Hoog tijd om de mot van zijn mottige imago te verlossen.
Motten doen iets met me. Het is niet dat ik bang van ze ben, maar ik ben toch op mijn hoede wanneer ik een mot die hysterisch tegen het plafond van de slaapkamer beukt probeer te vangen. Hun onvoorspelbare holderdeboldermanier van fladderen zal er wel iets mee te maken hebben. Net als het feit dat ze alleen in het donker actief zijn, en hun harige, grijsbruine lijven doen denken aan de mantels die bij Pietje de Dood in de kleerkast hangen.
Als je de huismoeder ook eens wil bewonderen, serveer dan zoete wijn.
Uiteindelijk vang ik wel elke mot die naar binnen is verdwaald voorzichtig om hem buiten weer vrij te laten. Een echte mottenfobie kan ik het dus niet noemen. Die zal er zeker ook niet meer van komen, want ik ging op consult bij nachtvlinderexpert Wim Veraghtert van Natuurpunt.
Stap 1 in de therapie: noem de mot geen mot. De naam ‘nachtvlinder’ is correcter en klinkt ook gewoon minder mottig. ‘Eigenlijk is ‘vlinder’ nog beter,’ vervolledigt Veraghtert, ‘want het is vreemd dat we zo nadrukkelijk een onderscheid maken tussen dag- en nachtvlinders. Dat doen we ook niet voor zoogdieren of vogels. Er is één grote insectenorde, de Lepidoptera, de vlinders.’
Stap 2: nachtvlinders zijn niet gewoon de grijze neven van de meer flamboyante dagvlinders. ‘Kijk eens goed naar de huismoeder, een vrij grote nachtvlinder die af en toe ons huis binnen dwaalt. Als de huismoeder stil zit, dan is het inderdaad eerder een lelijk eendje. Maar als hij opvliegt, verschijnen van onder zijn grijze bovenvleugels geel gekleurde ondervleugels. Die kleuren dienen vermoedelijk om roofdieren af te schrikken of in de war te brengen.’
Ook de Zweedse natuuronderzoeker Carl Linnaeus liet zijn gedachten vermoedelijk wat afdwalen toen hij deze nachtvlinders in de achttiende eeuw hun soortnamen gaf. Linnaeus is de wetenschapper die de moderne indeling en naamgeving van planten en dieren introduceerde, met de bekende tweedelige Latijnse soortnamen. Bij het bedenken van namen kon Linnaeus behoorlijk speels uit de hoek komen. Zo gaf hij heel wat grijze nachtvlinders met kleurrijke achtervleugels namen die naar vrouwen verwijzen. De Latijnse naam van de huismoeder is Noctua pronuba: noctua betekent nacht en pronuba bruidsmeisje. Het karmozijnrood weeskind kreeg de naam Catocala nupta, wat ‘getrouwde vrouw’ betekent, en het bruin weeskind heet Catocala sponsa, ofwel ‘bruid’. Er wordt gefluisterd dat Linnaeus bij die felgekleurde ondervleugels, verscholen achter een grijze mantel, aan vrouwenondergoed moest denken.
Als je de huismoeder ook eens wil bewonderen, serveer dan zoete wijn. Meng een liter rode wijn met een kilogram suiker en smeer het goedje op een boomstam. Daar kan geen enkele huismoeder aan weerstaan. Zodra het donker wordt, zie je de ene na de andere nachtvlinder verschijnen. En ze zijn met veel. In België komen ongeveer 2.600 vlindersoorten voor. Minder dan 120 daarvan vliegen overdag. De rest wacht tot het donker wordt.
Stap 3: waardeer hun bijdrage. Onbekend is onbemind. Dat geldt zeker voor nachtvlinders. Veraghtert: ‘Dagvlinders zijn wereldwijd de best onderzochte insectengroep. Niet alleen omdat ze mooi zijn, maar ook omdat ze gemakkelijk te bestuderen zijn. Ga in de lente naar een wei vol pinksterbloemen en je kunt gewoon zitten kijken hoe een oranjetipje haar eitjes aflegt. Bij nachtvlinders die ’s nachts hoog in de toppen van eiken hetzelfde doen, ligt dat een stuk minder voor de hand. Zo ontzettend veel we weten over dagvlinders, zo bitter weinig weten we daardoor over de nachtvlinders.’ We weten wel dat ze een belangrijke rol vervullen in de natuur. ‘Zonder hen zouden de koolmees, pimpelmees, bonte vliegenvanger en een hele reeks andere zangvogels het heel moeilijk krijgen. Zij voeren hun jongen voor ongeveer negentig procent met rupsen. En omdat er zoveel meer nachtvlinders zijn dan dagvlinders, zijn er ook veel meer rupsen.’
Nachtvlinders zijn ook goede bestuivers. ‘We denken snel aan bijen en hommels als we het over bestuiving hebben, maar ook nachtvlinders leveren een belangrijke bijdrage. In 2023 voerden Nederlandse wetenschappers een onderzoek uit bij een aardbeienkwekerij. Ze dekten bepaalde plantenrijen enkel ’s nachts af met netten, andere rijen enkel overdag en nog andere rijen de hele tijd. Planten die niet werden bestoven leverden het minst aardbeien op. Planten die enkel ’s nachts werden bestoven leverden evenveel aardbeien als planten die enkel overdag bezoek kregen. De planten die dag en nacht werden bestoven leverden het meest op.’
Stap 4: het zijn fascinerende beesten. De groot avondrood (Deilephila elpenor) kan ’s nachts kleuren zien, terwijl dat overdag niet lukt. Hij begint dus pas echt goed te kijken wanneer de schemering valt. En dan is er nog hun verbluffende reukvermogen. Vrouwtjes verspreiden feromonen om mannetjes te lokken. Bij sommige soorten kan een mannetje die geur over kilometers afstand oppikken. Vervolgens volgt hij het geurspoor heel precies, alsof zijn toekomstige een broodkruimelpad voor hem heeft uitgestrooid.
En klaar: het is niet omdat huismoeders wat slordig door de slaapkamer fladderen en zich graag in een gothic outfit hullen, dat ik ze met argwaan moet bekijken.