Ondanks hun bondgenootschap met bladluizen, en hun vervelende neiging om terrastegels uit hun voegen te graven, zijn mieren onmisbaar in een gezonde tuin.
Op de aarde leven minstens twintig biljard mieren. Dat is een twintig met vijftien nullen. Voor elke mens op aarde lopen er ongeveer 2,5 miljoen mieren rond, verdeeld over een zestienduizendtal soorten. Als je een mier in de tuin ziet, dan is de kans groot dat het een gele weidemier (Lasius flavus), gewone steekmier (Myrmica rubra) of een zwarte wegmier (Lasius niger) is. Alleen die laatste durft ook je huis binnen te komen, en dan nog alleen als er iets te rapen valt.
Mieren zijn als kleuters. Ze willen alles zien, ruiken en voelen en zijn voortdurend op ontdekking. Als zo’n nieuwsgierige mier een plakkerige honingpot vindt, dan legt hij – of beter: zij, want als je een vleugelloze mier ziet, dan is dat altijd een vrouwtje – een geurspoor aan terug naar het nest: een feromoonpad. Andere mieren volgen dat spoor. Als zij het voedsel ook vinden, dan versterken ze het spoor. Zo ontstaat er snel een drukke mierensnelweg recht naar de honingpot in je keuken.
Hou je nu vooral even in. Voor je naar gif of een schoen grijpt, loont het de moeite om even door je knieën te gaan en te kijken. Mierenverkeer is ontzettend interessant. ‘Mieren staan bijvoorbeeld nooit in de file’, begint Thomas Parmentier, myrmecofiel aan de Université Libre de Bruxelles. ‘Ze botsen wel constant. Zo wisselen ze informatie uit over de verkeersdrukte of kwaliteit van het voedsel. Als het te druk wordt, dan maken de mieren de weg breder, of lopen ze in aparte rijstroken.’ Er gelden ook voorrangsregels. ‘Mieren met een kostbare prooi hebben voorrang. Ze gebruiken dan drie rijstroken: de trage werksters met een zware buit op hun rug in het midden en de snellere werksters zonder bagage aan de zijkant.’
Als je toch van de mieren in je keuken af wil, bestaat er maar één oplossing: haal de voedselbron weg. Maak die honingpot schoon en sluit hem goed af. Zonder eten hebben mieren niets in je keuken te zoeken. Het wissen van hun geursporen door te poetsen helpt maar beperkt. ‘Mieren vertrouwen niet alleen op geur, maar ook op visuele herkenningspunten. Ze onthouden waar voedsel ligt en keren daar zelfstandig naar terug.’
In de tuin vult een mier haar maagje meestal met honingdauw, een suikerrijke stof die bladluizen uitscheiden terwijl ze traag maar zeker het leven uit de bloemknoppen zuigen. Dat mieren hun bladluizen zo koesteren, is frustrerend voor plantenliefhebbers. ‘Tegelijk bestrijden mieren andere schadelijke insecten’, verdedigt Parmentier. ‘Sommige planten, zoals de kers, lokken mieren met nectar buiten hun bloemen. En terwijl de mieren daar toch zijn, verdedigen ze de plant tegen schadelijke insecten.’
Dat mieren bladluizen houden als vee, vindt Parmentier wat overdreven, maar bij de gele weidemier begint het er wel op te lijken. ‘Je kent de soort misschien als de bouwer van vervelende zandhoopjes in het gazon. De gele weidemier leeft onder de grond, en voedt zich daar met de honingdauw van wortelluizen. Als de mieren dat niet doen, dan plakken de wortelluizen letterlijk dicht en sterven ze. De gele weidemier zorgt bovendien voor de eitjes van de wortelluizen alsof het de hare zijn. En in voedselnood doen de mieren wat arme boeren ook zouden doen: ze eten hun melkvee op.’
Ondanks hun bondgenootschap met bladluizen, en hun vervelende neiging om terrastegels uit hun voegen te graven, zijn mieren onmisbaar in een gezonde tuin. ‘Ze verbeteren de bodem en houden plaaginsecten onder controle. Hun nesten vormen kleine ecosystemen waar andere soorten, zoals springstaarten en mierenpissebedden, van afhankelijk zijn. Mieren helpen ook zaden te verspreiden. Sommige planten, zoals witte dovenetel en bernagie, produceren zaden met een voedzaam aanhangsel, een zogenoemd ‘mierenbroodje’. Mieren nemen het mee naar hun nest, eten het smakelijke deel op en laten het zaad achter in ideale omstandigheden: losse grond, veel zuurstof en voedingsstoffen.’
Mieren voeren vaak oorlog. Veel mieren die je ziet, zijn gewond. Geen wonder dat mieren ook oorlogsgeneeskunde onder de knie hebben. ‘Ze produceren stoffen die bacteriën en schimmels bestrijden en gebruiken die om wonden te reinigen. Zieke mieren gaan vaak in quarantaine om besmetting te voorkomen. Sommige soorten, zoals de Camponotus floridanus, een bruin-gele mier die voorkomt in het zuidoosten van de Verenigde Staten, gaan nog verder en amputeren beschadigde ledematen om infecties te stoppen.’
Als je intussen nog steeds gehurkt naar een rij mieren zit te kijken, besef dan nog dit: van alle dieren die je huis binnenkomen, zijn mieren wellicht de minst ongewenste gasten. Ze halen wat ze nodig hebben en verdwijnen weer. Vliegen daarentegen blijven hangen en laten overal uitwerpselen achter. Mieren zijn van nature ontzettend netjes.