‘Vogelgriepvirussen vormen een constante dreiging’

De grootschalige pluimveehouderij is een broeihaard voor vogelgriepvirussen. Volgens viroloog Thijs Kuiken moet dat een keer fout gaan en is het tijd om het roer om te gooien.

Foto: Esther Morren

Terwijl een coronavirus nog steeds het nieuws beheerst, slaagt het vogelgriepvirus H5N8 er nu en dan toch in onze aandacht op te eisen, met uitbraken in pluimveebedrijven in verschillende Europese landen. Eind februari maakte het virus een sprong naar de mens, toen zeven Russische werknemers op een kippenboerderij besmet bleken. Volgens vogelgriepexpert Thijs Kuiken (Erasmus MC Rotterdam) zullen we in de toekomst nog vaak over H5N8 horen. ‘Het virus slaagt er steeds beter in zich aan te passen aan circulatie in wilde vogelpopulaties. Zo kan een constante dreiging ontstaan die we steeds moeilijker kunnen afweren.’

Vogelgriepvirussen maken wel vaker de sprong naar de mens. Dat gebeurde in 2003 nog in Nederland met het H7N7-virus, en in 1997 met H5N1 in Hongkong. Wanneer het virus er na zo’n sprong in slaagt om zich ook van mens tot mens te verspreiden, kan dat verstrekkende gevolgen hebben. De Spaanse griep die in 1918 naar schatting 20 tot 100 miljoen doden maakte, was waarschijnlijk een H1N1-vogelgriepvirus. Ook de Aziatische griep in 1957 en de Hongkonggriep in 1968 waren aan vogelgriepvirussen te wijten. Beide maakten naar schatting 1 miljoen dodelijke slachtoffers. Om het risico op een pandemie te reduceren, zit er volgens Kuiken niets anders op dan de pluimveehouderij grondig te herdenken.

Eerst wat achtergrond bij die variatie aan vogelgriepvirussen. Op het oppervlak van de virussen zitten twee eiwitten: hemagglutinine (H) en neuraminidase (N). Er zijn zestien varianten van hemaglutinine en negen types neuraminidase. De virussen kunnen die varianten met elkaar uitwisselen. Zo kunnen nieuwe vogelgriepvirussen ontstaan.

‘Watervogels vormen het oerreservoir van vogelgriep’, legt Kuiken uit. ‘Het gaat dan om zogenoemde laagpathogene vogelgriep. De watervogels hebben er zelf geen last van, en in pluimvee veroorzaken de virussen enkel milde luchtweg- en darminfecties. Maar door willekeurige mutaties kunnen wel hoogpathogene virussen ontstaan, die bij pluimvee tot 90 procent sterfte veroorzaken. De intensieve pluimveehouderij is de belangrijkste bron van die hoogpathogene virussen.’

Foto: Esther Morren

Thijs Kuiken

Thijs Kuiken is hoogleraar aan de afdeling Viroscience van het Erasmus MC in Rotterdam. Hij voert onderzoek uit naar opkomende virusziektes volgens het One Health-principe, dat de verbanden tussen de gezondheid van mens, dier en milieu centraal stelt. Hij is lid van de EFSA Standing Working Group on Avian Influenza en heeft tientallen publicaties over vogelgriep op zijn naam.

 

 

 

 

Hoe komt dat?

‘In de intensieve pluimveehouderij zitten grote aantallen kippen dicht op elkaar. Raakt een laagpathogeen virus daar binnen, dan vormt die omgeving een uitgelezen kans voor het virus om te circuleren en te muteren. Daarbij kan een hoogpathogene variant ontstaan. Als dat in de natuur gebeurt, kan het virus zich moeilijk verspreiden. De zieke vogel kan zijn soortgenoten niet volgen en hij sterft. Maar in een kippenstal kan het een tijdje duren voor zo’n dier wordt gevonden. Intussen zitten de andere kippen ernaast en kunnen ze ook besmet raken. Dat verklaart waarom er in de voorbije zestig jaar van de 37 bekende mutaties tot hoogpathogene vogelgriep liefst 34 in de intensieve pluimveehouderij plaatsvonden.’

Wanneer wordt zo’n hoogpathogeen virus gevaarlijk voor de mens?

‘Sommige mutaties kunnen ervoor zorgen dat het virus ook mensen kan besmetten. Dat is gewoon een kansspel: meer dieren betekent meer kansen op mutaties, en een groter risico dat daar een mutatie tussenzit die een sprong naar de mens mogelijk maakt. Het is spelen met vuur.’

‘Enkel met kleinere pluimveebedrijven – met minder dieren en minder dicht op elkaar – kun je het risico op uitbraken beperken’

‘Het aantal dieren is de voorbije decennia ook spectaculair gegroeid. Wereldwijd produceren we zeven keer meer pluimveevlees dan zestig jaar geleden. In Nederland is de productie in dezelfde periode vertwaalfvoudigd. We zien dat besmettingen van mensen sinds eind jaren 1990 vaker plaatsvinden. Dat komt omdat vogelgriepvirussen endemisch geworden zijn in de pluimveehouderij, en dan voornamelijk in Azië. Daar worden niet alleen veel kippen gehouden, maar leeft er ook een grote gedomesticeerde eendenpopulatie. Dat biedt de virussen de mogelijkheid om constant onderling genetisch materiaal uit te wisselen.’

Toch gebeurt het vrij zelden dat zo’n virus er ook in slaagt om van mens op mens over te springen. Hoe komt dat?

‘Vermoedelijk doordat vogelgriepvirussen zich vooral in de diepe luchtwegen vermenigvuldigen. Vandaar is het moeilijker om andere personen te infecteren. Vogelgriepvirussen verschillen daarin van onze seizoensgriepvirussen, die zich hebben aangepast aan vermenigvuldiging in de bovenste luchtwegen.‘

Het H5N8-virus dat de Russische arbeiders besmette kon dat niet?

‘Het virus had niet de juiste mutaties voor efficiënte transmissie tussen mensen. In dat opzicht maken we ons daar geen grote zorgen om. Maar het is wel een virusvariant die we nog niet eerder in mensen hadden gezien. Op basis van de genetische eigenschappen dachten sommige experts dat hij niet in staat was mensen te infecteren.’

Dat toont aan dat die inschattingen niet feilloos zijn?

‘Klopt. Een virus kan zich in principe ook op manieren die we nog niet kennen aanpassen aan replicatie in mensen.’

Als een vogelgriepvirus wél in staat blijkt om zich onder mensen te verspreiden, zijn we daar dan op voorbereid?

‘Wereldwijd zijn er surveillancesystemen. Die proberen de uitbraken vast te stellen en de verspreiding te beperken. Daarbij wordt ook het virusgenoom in kaart gebracht en gescreend op mutaties die het virus gevaarlijk maken voor de mens. Wanneer zo’n virus ontstaat en het een aantal mensen infecteert, hopen we dat we die individuen kunnen isoleren en zo de verspreiding kunnen stoppen. Het probleem bij influenzavirussen is dat mensen het virus al verspreiden nog voor ze symptomen hebben. Het risico bestaat dus dat we een epidemie niet vroeg kunnen inperken. Dan is het zaak zo snel mogelijk vaccins te ontwikkelen, zoals dat is gebeurd bij de Mexicaanse griep in 2009. Dat was een combinatie van een vogel-, varkens- en humaan griepvirus. Een vaccin ontwikkelen kan snel gaan, maar het virus gaat vaak sneller.‘

Maken we ons daar te weinig zorgen over?

‘Ik stel vast dat onze maatstaf verandert. Toen er in 2005 in Europa voor het eerst uitbraken waren van hoogpathogene vogelgriep die door wilde vogels was meegebracht, kreeg dat veel aandacht. In 2016 vonden we het al minder bijzonder, hoewel het om de grootste Europese uitbraak ooit ging. En nu besteden we er nog minder aandacht aan. Hoewel het virus sindsdien jaarlijks opduikt, veel sterfte onder pluimvee en wilde vogels veroorzaakt, en nog steeds een risico voor onze gezondheid vormt.’

Onze veehouderij behoort tot de veiligste en meest gecontroleerde ter wereld, stellen landbouworganisaties gerust.

‘Ik denk nochtans niet dat we gerust kunnen zijn. Onze huidige vorm van veehouderij brengt wel degelijk een risico op zoönosen met zich mee. Ook in de Europese pluimveehouderij ontstaat hoogpathogene vogelgriep. Het meest recente voorbeeld daarvan is H7N7, dat in de Nederlandse pluimveehouderij is ontstaan uit een laagpathogeen virus. Dat virus besmette duizend mensen en leidde alleen al in Nederland tot het ruimen van 30 miljoen kippen. Het verspreidde zich naar België en Duitsland voordat het tot staan kon worden gebracht door ruimingen en een transportstop.’

‘Er wordt sterk ingezet op maatregelen zoals surveillance en een hoge bioveiligheid. In het verleden zijn die vrij effectief gebleken, maar in de huidige context volstaat dat niet meer.’

Waarom niet?

‘In 2005 gebeurde er iets bijzonders. We zagen toen voor het eerst hoe wilde vogels hoogpathogene vogelgriep over grote afstand verspreidden. Tot dan droegen wilde vogels enkel laagpathogene virussen met zich mee, en speelden ze geen rol bij de verspreiding van hoogpathogene virussen. Vandaag zien we dat wilde vogels wél een belangrijke bron van besmetting met hoogpathogene griep zijn. Het virus lijkt een nieuwe niche te hebben gevonden vanwaaruit het pluimveepopulaties kan besmetten.’

‘Je kunt zo’n virus wel proberen te weren, maar je kunt kippen niet hermetisch afsluiten van de omgeving. Er zullen altijd gaten zitten in het bioveiligheidssysteem. Dat zie je ook aan de recente uitbraken. Die vonden plaats bij bedrijven met een hoge bioveiligheid, waar de dieren binnen zitten. Doordat pluimveebedrijven dicht bij elkaar liggen, is het bovendien moeilijk om verspreiding van het ene bedrijf naar het andere te vermijden. Dat komt ook doordat het huidige beleid er in de eerste plaats op is gericht om virussen buiten te houden, niet om in het geval van een besmetting het virus binnen te houden.’

‘Vandaag produceren we wereldwijd zeven keer meer pluimveevlees dan zestig jaar geleden. En meer pluimvee betekent meer kans op virusmutaties’

De beste oplossing is volgens u om de sector te herdenken.

‘Ik pleit voor kleinere bedrijven, die minder dieren houden en minder dieren per vierkante meter. Daarmee zou je het risico beperken dat hoogpathogene varianten ontstaan en zich verspreiden. Daarnaast zou het slim zijn om die bedrijven niet te dicht bij elkaar te vestigen, en niet in gebieden waar veel watervogels voorkomen.’

In welke mate zouden we het risico op een gevaarlijke vogelgriepuitbraak reduceren als we dat allemaal doen?

‘Als je de dichtheid op een bedrijf halveert, krijg je vier keer minder transmissie. Epidemiologen kunnen soortgelijke berekeningen maken voor de impact van een grotere afstand tussen bedrijven. Al blijft het moeilijk om exacte cijfers op het risico te plakken. De vraag is ook of dat nodig is. Met wat we nu weten over het ontstaan en verspreiden van hoogpathogene virussen is het aannemelijk dat veel dicht op elkaar gepakte dieren en grote, dicht bij elkaar gelegen bedrijven dat risico vergroten. En dus is het evengoed aannemelijk dat we het risico verlagen door het omgekeerde te doen.’

Uw voorstel impliceert dat we minder kip moeten eten. Kijken we naar onze gezondheid en het klimaat, dan krijgen we precies het omgekeerde advies: eet minder rood vlees, en meer kip.

‘Ik denk dat we onvoldoende gewicht toekennen aan het risico op zoönosen. Ik vind ook dat we niet alleen naar zoönosen maar naar het totaalplaatje moeten kijken. Het klopt dat de klimaatimpact van kip in vergelijking met ander vlees per kilogram product relatief beperkt is, omdat kippen voer efficiënt in vlees omzetten. Maar doordat de sector zo groot is geworden, is de impact toch aanzienlijk. Er is veel grond nodig om al dat voer te telen, en we weten dat verdwijnende natuur een van de belangrijkste oorzaken is van biodiversiteitsverlies. Daarnaast heeft de sector als bron van stikstof en fijnstof ook een impact op de natuur en onze gezondheid.’

Kunnen we kippen niet gewoon vaccineren?

‘Vaccins zijn voor mij slechts een deel van de oplossing, want ze veranderen niets aan die andere problemen. En in de Europese Unie is beslist om pluimvee niet te vaccineren. Om kippenvlees te mogen exporteren moet je namelijk kunnen aantonen dat er geen vogelgriep voorkomt. Zonder vaccinatie merk je infecties snel op, wanneer vogels sterven. In gevaccineerde vogels kan het virus sluimeren.’

De vaccins zijn dus niet zo effectief?

‘Dat klopt. Tegelijk is het niet interessant om onderzoek te doen naar betere vaccins, want er is beslist dat we die toch niet zullen gebruiken. Als knappe koppen daar wél werk van maken, ben ik ervan overtuigd dat we goede vaccins kunnen ontwikkelen.’

Een soort catch 22?

‘Inderdaad. En we kunnen daaruit raken wanneer landen er bij de Europese Commissie op aandringen om het beleid te wijzigen.’

Zal de interesse in vaccinatie niet toenemen naarmate uitbraken vaker voorkomen? Die oplossing zou de sector toelaten om alles zoveel mogelijk bij het oude te laten.

‘Dat is precies wat ik verwacht. Wellicht zal ook de politieke interesse groeien. Als kippen te vaak moeten worden geruimd, springt de overheid – en dus de belastingbetaler – immers bij om de schade te vergoeden. Maar ik zou het betreuren als we enkel inzetten op vaccins zonder iets aan de omvang van de veestapel te doen.’

Wat is volgens u een aanvaardbare omvang van de pluimveestapel?

‘Daar moeten we als maatschappij zien uit te komen. Ik concludeer alleen dat de huidige omvang grote problemen veroorzaakt op verschillende gebieden. Het is eigenlijk onbegrijpelijk dat we het zo ver hebben laten komen.’