Eos Opinie

We verwachten (te) veel van het beetje bos dat ons rest

Hoe zou het nog met onze bossen zijn? It’s complicated. Op Europees niveau tekenen er zich positieve evoluties af, maar in Vlaanderen zijn er toch vooral redenen tot bezorgdheid.

Wie alleen naar Europa kijkt, zou kunnen denken dat het met de bossen de goede kant uitgaat. Het bosareaal neemt er toe en ook verschillende indicatoren voor biodiversiteit verbeteren. Dat heeft veel te maken met het feit dat bossen er minder intensief worden beheerd dan vroeger. Daardoor zie je dat ze ouder worden, dat de leeftijdsstructuur complexer wordt en dat een aantal diversiteitsindicatoren verbeteren. Allemaal positieve zaken.

Maar dat Europese beeld mag niet verdoezelen hoe precair de situatie in Vlaanderen is. Hier hebben we veel te weinig bos voor wat een goede biodiversiteit nodig heeft, maar bijvoorbeeld ook voor recreatie en de mentale gezondheid van onze bevolking.

Met enkele boomplantacties gaan we er niet komen. In Vlaanderen is ongeveer 10 procent bos, terwijl het Europese gemiddelde rond 42 procent ligt. Tegelijk zijn de verwachtingen ten aanzien van bossen de voorbije jaren alleen maar toegenomen. Ze moeten ruimte bieden aan natuur, ontspanning, maar ook de gezondheid bevorderen en de klimaatopwarming bufferen... Daar heeft Vlaanderen gewoonweg te weinig bos voor. Ook dat is niet nieuw. Al decennialang worden er doelstellingen geformuleerd rond bosuitbreiding, maar die zijn niet gehaald.

Kwetsbaardere bossen

Daar komt nog een tweede probleem bovenop: de klimaatverandering. De opeenvolgende droge jaren laten zich voelen in de bossen. Het is niet zo dat bossen plots overal sterven. Wel verliezen ze kwaliteit, veel meer dan we vroeger zagen. Dat lijkt misschien minder spectaculair dan beelden van afgestorven bossen, maar is daarom niet minder ernstig. Bossen worden kwetsbaarder, verliezen vitaliteit en worden gevoeliger voor bijkomende verstoringen.

Bossen zijn geen luxe en ook geen symbolisch klimaatdecor

Het antwoord daarop heet klimaatadaptie, maar hoe die er precies moet uitzien blijft onduidelijk. Ook in de wetenschappelijke wereld is er nog debat over wat er precies moet gebeuren. Een van de belangrijkste zaken waar wel duidelijkheid over bestaat, is de waarde van gemengde bossen. Uit grootschalige experimenten met boomdiversiteit hebben we geleerd dat gemengde bossen altijd beter zijn voor productiviteit, voor stabiliteit en voor multifunctionaliteit. Dat heeft ook gevolgen voor de vele economisch ingerichte aanplantingen die nog sterk op één soort steunen. Die monoculturen zullen zich moeten omvormen, of ze lopen een groot risico. 

Moeilijker is de vraag hoe intensief bossen beheerd moeten worden. Minder bomen per hectare betekent dat de overblijvende bomen meer water kunnen opnemen en hun vitaliteit beter behouden. In drogere regio’s zijn daar goede resultaten mee geboekt. Maar ook daar is het niet simpel. Te sterk ingrijpen kan soorten schaden die gebonden zijn aan gesloten bossen en bomen juist meer blootstellen aan zon en droogte. Te weinig doen is evenmin zonder risico. Het optimum verschilt naargelang het type bos en de omstandigheden.

Inheems, of toch niet?

En zal Vlaanderen in de toekomst beter af zijn met inheemse soorten en herkomsten? Ook dat is een zeer moeilijk te beantwoorden vraag. Lange tijd gold het als vanzelfsprekend dat autochtone, inheemse populaties de beste keuze waren, juist omdat ze een grote genetische variatie vertegenwoordigen. Maar daar zijn grenzen aan. Als het klimaat zodanig verandert dat de soorten of herkomsten die we hier hebben niet meer voldoende aangepast zijn, krijgen we een probleem. In onze streek valt dat voorlopig nog mee, maar zuidelijker zijn de signalen al veel sterker. 400 kilometer ten zuiden van ons, in het Rijnland bijvoorbeeld, gaat het al veel harder. Sommige soorten met zuidelijkere herkomst blijken beter bestand tegen extreme hitte en lange droogteperiodes.

Gemengde bossen zijn altijd beter voor productiviteit, voor stabiliteit en voor multifunctionaliteit

Hoe lang je kunt wachten, luidt het dilemma. Moeten we pas ingrijpen als het bos echt klappen krijgt, of moeten we ons nu al voorbereiden?

Die voorbereiding gebeurt intussen ook in Vlaanderen. In opdracht van het Agentschap voor Natuur en Bos werkte mijn onderzoeksgroep mee aan een beslissingsondersteunend systeem dat bosbeheerders helpt bij de keuze van boomsoorten onder verschillende klimaatscenario’s. Zo wordt in kaart gebracht welke soorten te risicovol worden en welke meer kans maken.

Maar klimaatadaptatie alleen volstaat niet. Ik blijf erop hameren dat Vlaanderen ook gewoon meer bos nodig. Volgens mij moeten we naar een bosindex van 15 procent gaan. Uit studies blijkt dat in laaglandregio’s ongeveer 30 procent bos ideaal zou zijn voor een breed pakket aan ecosysteemdiensten, van menselijke (mentale) gezondheid tot fijnstofcaptatie en klimaatregeling. Vlaanderen zit daar dus ver onder. Andere landen – Ierland, Denemarken, Nederland – zijn veel actiever bezig met bosuitbreiding.

Dat debat botst al snel op landbouw, maar ook daar vallen kanttekeningen bij te plaatsen. Zo is Vlaanderen er in dertig jaar niet in geslaagd om 10.000 hectare bosuitbreiding te realiseren, terwijl tegelijk veel goede landbouwgrond verloren ging aan verstedelijking. En vergeet niet dat een groot aandeel landbouwgrond vandaag dient voor de teelt van veevoeder. Het argument dat er geen ruimte zou zijn voor extra bos is daarom minder vanzelfsprekend dan vaak wordt voorgesteld.

Bossen zijn geen luxe en ook geen symbolisch klimaatdecor. Ze zijn essentieel voor biodiversiteit, gezondheid en klimaat, maar in Vlaanderen blijft de basis te klein. Europa mag dan op sommige vlakken vooruitgaan, hier dringt zich een veel fundamentelere vraag op: hoeveel bos willen we eigenlijk voor de samenleving van morgen?