Gaat het brein van een auteur anders om met herinneringen?

Als schrijvers volledige verhalen kunnen neerpennen over hun jeugd, moeten ze zich heel wat details kunnen herinneren. Hoe doen ze dat, vraagt literatuurwetenschapper Emma-Louise Silva zich af. Om die vraag te beantwoorden, roept ze de hulp in van de neurowetenschappen.

 

 

Doorheen ons leven bouwen we herinneringen op. Sommigen plakken foto’s in een fotoboek, anderen schrijven er verhalen over. Emma-Louise Silva bestudeert auteurs die herinneringen uit hun jeugd vastleggen in verhalen. Hoe ze details oproepen over hun kindertijd, die vaak al ver achter hun ligt, interesseert haar al enkele jaren.

Om daar meer inzicht in te krijgen, gaat ze te rade bij de neurowetenschappen, een discipline waar de meeste literatuurwetenschappers koud zweet van krijgen. Zij niet. Silva is het immers gewend om over het muurtje te kijken: “Mijn vader is Chileens en mijn moeder Brits. Op mijn dertiende zijn we naar België gekomen, en voordien zijn we ook vaak verhuisd over taalgrenzen heen”, vertelt ze. “Ik werd daarbij geregeld in het diepe gegooid zonder de taal te spreken of iemand te kennen. Daardoor heb ik geleerd om creatief te zijn en te roeien met de riemen die ik heb.”

In die mindset start ze nu een lab op aan de universiteit van Namen, op het kruispunt van literatuur- en neurowetenschappen. “Het Neuroliterary Lifespan Lab brengt mensen uit de literatuurwetenschappen, de neurowetenschappen, de psychologie en het schrijversveld samen. We willen onderzoeken hoe het geheugen werkt doorheen ons leven. Ik wil weten of literair schrijven het brein kan stimuleren om herinneringen op te roepen en creatief te verwerken.”

Had u voor de oprichting van uw lab al onderzoek gedaan naar het geheugen?

“Jazeker. Voor mijn proefschrift bestudeerde ik cognitie in de werken van James Joyce. Aan de hand van zijn bekendste werk, Ulysses, heb ik onderzocht hoe hij het menselijk denken verwoordt. Ik heb daarbij vooral gelet op zijn schrijfproces: hoe heeft hij die gedachtes gaandeweg opgebouwd?”

“Bij zijn protagonist, bijvoorbeeld, Leopold Bloom, is er een fragment dat eerst vrij droog beschreven wordt in 1918, maar dat na heel wat schrijfsessies over vier jaar heen erg verandert. Joyce voegt dan sensorische elementen toe waardoor je echt Blooms gedachtestroom kan volgen. Het is bijna alsof Joyce doorheen zijn kladversies een soort injectie van het brein geeft in wat anders maar een banale passage zou zijn. Van daaruit is mijn interesse in cognitie alleen maar groter geworden.”

“Na dat onderzoek ben ik me in de jeugdliteratuur gaan verdiepen. Ook daar bestudeerde ik archiefmateriaal om te begrijpen hoe auteurs op oudere leeftijd de belevingswereld van een kind proberen te beschrijven. Zelf zijn zij al lang geen kind meer, dus hoe kunnen ze dan nog weten hoe een kind zou denken? Ik focuste daarbij op het kruispunt van de herinneringen uit hun eigen kindertijd, waar ze een beroep op doen, en de toegevoegde verbeelding die hun boeken literair maakt.”

“In de eerste manuscripten zie je vaak een brainstorm ontstaan op basis van herinneringen. Later in het proces vormt verbeelding die herinneringen dan om tot een verhaal. Het fascineerde me hoe auteurs zich soms zoveel details kunnen herinneren uit zo’n ver vervlogen tijd en daar vervolgens zulke intrigerende verhalen mee schrijven.”

“Ik kon dat deels reconstrueren aan de hand van hun notities en kladversies van hun verhalen, hoe een herinnering veranderde van de eerste droedel tot het uiteindelijke boek. Toch wilde ik graag verder gaan dan dat: ik wil niet alleen weten hoe het zit op papier, maar ook hoe het werkt in iemands hoofd.”

Hoe bent u tot die neuroliteraire benadering gekomen?

“In mijn vorig onderzoek bestudeerde ik de notities van onder meer (kinderboekenschrijver) David Almond, die een boek schreef over zijn jeugd met een moeder die artrose had. Hij had daarvoor een mindmap gemaakt met in het midden ‘her legs’, en daarrond allemaal minutieuze details over zijn ervaringen van toen.”

“Ook Roald Dahl had zo’n blad vol details over de herinneringen die hij uitschreef in zijn autobiografie Boy. Zo kon hij nog perfect beschrijven hoe de curette eruitzag waarmee de dokter zijn neusamandel verwijderde. De Amerikaanse auteur Jacqueline Woodson kon zich dan weer details van haar verleden herinneren die ze dacht helemaal vergeten te zijn in het schrijfproces voor Brown Girl Dreaming.”

“Die gave om details te kunnen oproepen na zo’n lange tijd kon ik niet verklaren aan de hand van gevestigde theorieën zoals de Theory of Mind, waarbij je probeert te ontcijferen wat de ander denkt. Dus ben ik in de neurowetenschappen gedoken.”

“Al snel moest ik denken aan een studie met taxichauffeurs in Londen. Zij moeten een kennistest doen voor ze officieel cabbies kunnen worden. Dan moeten ze aantonen dat ze zo efficiënt mogelijk van A naar B kunnen rijden zonder gps. Ze moeten dus alle straten van Londen uit het hoofd kennen. Uit dat onderzoek bleek dat hun hippocampus, het geheugencentrum van ons brein, een stuk groter is dan gemiddeld omdat ze zich zoveel details moesten herinneren.”

“Ik vroeg me af of bij de auteurs die ik bestudeerde ook delen van het brein groter worden als ze zo actief met hun geheugen werken. Ik ben dan met het archiefmateriaal van de auteurs naar het Center for Lifespan Psychology van het Max Planck Institute for Human Development in Berlijn getrokken, waar ze het geheugen over de levensloop heen bestuderen. Zij waren echt onder de indruk. Dat je pakweg zeventig jaar bent en nog zoveel kan reconstrueren van toen je zeven of acht was, vonden ze echt speciaal.”

“Pas tijdens mijn onderzoeksverblijf daar leerde ik wat een enorme skill het is om je verleden zo gedetailleerd te kunnen oproepen. Ik leerde daar ook enkele onderzoekers kennen die nu in mijn team zitten. En op dat moment, als literatuurwetenschapper in een wereld van neurowetenschappen, voelde ik me echt gezien en begrepen, misschien wel voor het eerst op die manier in mijn academische carrière. Vanaf dan begon ik te denken: hier moet ik echt iets mee gaan doen.”

Welke methodes gaat u gebruiken?

“We hebben al interviews met auteurs gedaan om een basis te leggen voor verder onderzoek. Zij vertellen dan wat hen dreef om zulke verhalen te schrijven en hoe ze daaraan begonnen. Daarbij ben ik me als literatuurwetenschapper natuurlijk wel bewust van the author image. Auteurs die over hun werk spreken, construeren een beeld van zichzelf waar zij mee akkoord gaan. Dat tonen ze dan aan de buitenwereld. Maar dat beeld is niet altijd helemaal accuraat.”

“Na de interviews willen we ook een enquête uitvoeren om ons bereik te vergroten. Dan kunnen we peilen naar wat auteurs zelf voelen als ze met details aan de slag gaan tijdens het schrijven. Aanvullend denken we dan aan een Think Aloud Protocol, zoals weleens met schilders wordt gedaan. Ze moeten daarbij beschrijven wat ze denken terwijl ze het aan het schilderen zijn. Misschien is dat exacte format niet zo handig voor schrijvers, maar het is zeker niet uitgesloten.”

“In een tweede fase denken we eraan om eeg (electro-encefalogram, meet de elektrische activiteit van de hersenen, red.) of MRI (magnetic resonance imaging, brengt de bloedtoevoer naar hersengebieden in kaart, red.) te gebruiken om echt de breinactiviteit in kaart te brengen. MRI zou kunnen als de auteurs gewoon iets moeten aanklikken, bijvoorbeeld, maar schrijven is nog geen optie op dit moment.”

“Toch willen we liefst zo’n natuurlijk mogelijke werkcontext vinden voor de auteurs. Een eeg-cap, waarbij alleen een muts met elektrodes op je hoofd wordt gezet, is bijvoorbeeld minder ingrijpend dan MRI (bij MRI word je in een nauwe buis geschoven, red.). Dat is al eens gebeurd in een experimenteel onderzoek met de Nederlandse auteur Arnon Grunberg. Initieel wilden de onderzoekers zijn emoties tijdens het schrijven registreren, maar hij bleek de emoties waarover hij schreef niet altijd zelf te voelen. Het onderzoek toonde aan dat er een verschil te zien is in breinfunctie wanneer de auteur wel of niet aan het schrijven is. Een eeg kan dus wel degelijk hersenactiviteit meten in een schrijfsetting, al zal het niet zonder enige ruis zijn.”

“Maar we beginnen met de basisvragen, zoals: over welk soort geheugen hebben we het eigenlijk? Wanneer noemen we een herinnering bovenmatig gedetailleerd? Hoe definiëren we dat? In onze eerste brainstorm merkten we al snel dat het vooral om het episodisch geheugen draait - de persoonlijke herinneringen, gebonden aan een specifieke context. Daar kunnen we alvast mee verder.”

Kunnen de neuro- en de literatuurwetenschappen elkaar ook in de weg lopen?

“Mmm, ja. De neurowetenschappen vertrekken van een objectieve onderzoeksvraag, terwijl wij in de literatuurwetenschappen natuurlijk wel onderzoeksvragen formuleren, maar iets meer in een grijze zone zitten van individuele ervaringen en interpretaties. Daarnaast is de literatuurwetenschap ook wel meer van het contextueel denken. De neurowetenschappen proberen hun onderzoek in een afgesloten setting te doen met zo weinig mogelijk externe invloeden om duidelijke resultaten te bekomen. Bij literatuur kan dat eigenlijk niet, dus betrekken we die context in ons onderzoek.”

Wat denkt u te vinden in uw onderzoek?

“Mensen die dit al vaker gedaan hebben, zeiden heel terecht: ‘je moet niet zomaar verwachten dat je iets gaat vinden. Misschien zit de vernieuwing net waar je het niet verwacht had.’ Ik probeer mezelf dus niet te veel op te leggen.”

“Wat ik wel stiekem hoop te vinden, is een verschil tussen met de hand schrijven en typen. Ik geloof echt dat slordig zijn, dingen neerschrijven, doorhalen, omcirkelen en verbinden belangrijk kan zijn voor het schrijfproces. Er zijn auteurs die net daarom op papier blijven werken. De brainstorm van Almond was in essentie ook maar wat gekrabbel op papier, maar het vormde wel de basis voor zijn boek.”

“Daarnaast zou mijn onderzoek misschien ook meer inzichten kunnen bieden voor de behandeling van trauma. De auteurs die ik bestudeerd heb, schreven namelijk vaak over jeugdherinneringen die negatief of zelfs traumatisch waren. Ze hoefden geen boeken meer te schrijven om rond te komen, maar ze voelden het als een verplichting aan zichzelf en aan jongere generaties om toch nog een boek over hun jeugd te schrijven, als een soort verwerkingsproces en een hoopvolle boodschap. Als zij hun trauma kunnen verwerken door erover te schrijven, kan dat voor anderen misschien ook nuttig zijn.”

“Ik heb eens een les creatief schrijven gegeven aan kinderen in Newcastle. Ik vroeg hen om een herinnering te kiezen en daar een verhaal mee te schrijven. Zelfs na één middag gingen die verhalen al heel diep. Die ervaringen als therapie van je af kunnen schrijven, daar zit echt een kracht in. Dat wordt nu ook al in de praktijk toegepast, dus nog meer preciseren hoe dat juist werkt, lijkt me niet onlogisch.”

En nog een laatste, persoonlijke vraag. Als u geen onderzoeker was geworden, wat was u dan geweest?

“Miserabel (lacht). Na mijn master wou ik echt op de universiteit gaan werken. En nu mag ik dit fantastische project leiden. Ik ben enorm dankbaar dat ik dit mag doen en ook heel benieuwd naar wat er nog mag komen.”

Gedicht : ‘Lotus Eaters’, 5.260-267

He tore the flower gravely from its pinhold smelt its almost no smell and placed it in his heart pocket. Language of flowers. They like it because no-one can hear. Or a poison bouquet to strike him down. Then walking slowly forward he read the letter again, murmuring here and there a word. Angry tulips with you darling manflower punish your cactus if you don’t please poor forgetmenot how I long violets to dear roses when we soon anemone meet all naughty nightstalk wife Martha’s perfume. Having read it all he took it from the newspaper and put it back in his sidepocket.

Ulysses