Een bepaald soort immuuncellen kan verklaren waarom vrouwen meer last hebben van chronische pijn dan mannen.
Beeld: Graham Beards via Wikimedia.
Vrouwen hebben meer last van chronische pijn dan mannen. Dat betekent niet dat vrouwen een lagere pijngrens hebben dan mannen. Een verklaring voor het verschil ligt bij monocyten. Dat zijn witte bloedcellen die een belangrijke rol spelen in het immuunsysteem en gereguleerd worden door hormonen.
Onderzoekers aan de Michigan State University ontdekten dat een subgroep monocyten moleculen afgeeft die pijn uitschakelen. Bij mannen zijn die monocyten actiever door het hogere testosterongehalte in hun bloed. De cellen produceren interleukine-10, dat een rol speelt bij ontstekingsremming. Wanneer de onderzoekers de mannelijke geslachtshormonen bij muizen blokkeerden, zagen ze dat de productie van interleukine-10 daalde.
Hoe dat precies zit, blijft onduidelijk. ‘Pijn is complex’, vertelt Guy Hans, algoloog bij het Universitair Ziekenhuis Antwerpen. ‘Er komen verschillende elementen bij kijken. Het is al lang geweten dat meer vrouwen chronische pijn ontwikkelen. Dat keert in alle statistieken terug. In het laatste decennium zijn de hormonale factoren prominent naar voren gekomen als oorzaak van die hogere intensiteit bij vrouwen.’
Van acuut naar chronisch
‘Recent zijn er ook gegevens verschenen die zeggen dat er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen in het perifeer zenuwstelsel, het centraal zenuwstelsel en het hormonaal stelsel’, vervolgt hij. ‘Testosteron heeft een dempende invloed op pijn en in het immuunsysteem. Daar werden interleukine-6 en interleukine-10 al geïdentificeerd als dempers van pijn. Het unieke van deze nieuwe studie is dat er is aangetoond dat die interleukine-10 geproduceerd wordt door monocyten.’
Omdat chronische pijn zo complex is, is het moeilijk om het te meten. Ondanks pogingen om die meting te objectiveren, blijft het vrij subjectief. ‘Er is de NRS-score, waarbij we de pijn op een schaal van nul tot tien plaatsen’, vertelt Niels Eijkelkamp, hoogleraar neuroimmunologie aan de Universiteit Utrecht. ‘Daarnaast is er ook de VAS-schaal, waarbij de patiënt een lijn moet aanduiden waar de pijn zich bevindt. Dat is hetzelfde principe.’
Als een pijnklacht drie maanden aanhoudt, is er sprake van een chronische pijnklacht. Inzetten op preventie is dus van groot belang. ‘In de periode tussen het optreden van de acute pijn en de grens van drie maanden, is het essentieel om de pijn volledig proberen te onderdrukken’, aldus Hans. ‘Eens een pijnklacht chronisch wordt, is genezing of terugdraaiing van die pijn bijna onmogelijk. Er treden namelijk veranderingen op in de bouw van het zenuwstelsel en in de biochemie. Dat gebeurt op allerlei plaatsen, zelfs in de hersenen. Bij ons leggen we daarom de focus op de periode van de acute en subacute pijn, om te voorkomen dat het chronisch wordt.’
Ontstekingscomponent
Deze bevinding zou kunnen leiden tot een nieuwe therapie waarbij immuuncellen gemanipuleerd kunnen worden om meer van de ontstekingsremmende interleukine-10 te produceren en zo pijn te verzachten. Of dat op langere termijn een mogelijkheid is, valt nog af te wachten. Het opent alvast de weg voor behandelingen zonder ontstekingsremmers of opioïden zoals morfine of oxycodon.
‘Ik denk dat het haalbaar is, omdat het ook wordt toegepast bij reumatologische aandoeningen’, stelt Hans. ‘Er is meer en meer bewijs dat die ontstekingscomponent ook een belangrijke rol speelt bij het ontstaan en het onderhouden van chronische pijn. Dus zo’n ziektemodificerende aanpak biedt wel perspectief. Daar hoort wel een grote maar bij. In het verleden merkten we bij dergelijke behandelingen dat de bloedparameters wel verbeteren, maar de pijnklachten amper tot niet. Het kan een belangrijk gegeven zijn in de overgangsfase van acute- naar chronische pijn. Als je daar kan ingrijpen, zie ik daar een grote toegevoegde waarde in.’
‘Het zou een mogelijkheid zijn, maar het zal getest moeten worden’, voegt Eijkelkamp daaraan toe. ‘Cellulaire therapieën worden wel vaker toegepast. Het belangrijkste is dat dit soort studies meer inzichten biedt, want dan heb je meer aangrijpingspunten waarop je kan inspelen. Eenmaal mensen chronische pijn hebben ontwikkeld, werken medicijnen die bedoeld zijn voor acute pijn zoals opioïden en ontstekingsremmende pijnstillers niet zo effectief en geven ze vaak bijwerkingen. In dat opzicht geven die monocyten mogelijk ook inzicht in hoe je dat die interactie zou kunnen gebruiken om de chronische pijn op te lossen.’