Hadden er tijdens de coronacrisis ook geschiedkundigen moeten plaatsnemen in de nationale expertencommissies? Als het van sommige historici afhangt, is het antwoord ja. Met enkele recente doctoraten en een nieuwe studierichting zet ‘toegepaste geschiedenis’ zich meer op de kaart. Werkt het concept ook?
Historia magistra vitae, luidt een uitdrukking van de beroemde Romeinse filosoof Cicero, ‘de geschiedenis als leermeester voor het heden’. Het idee dat je inzichten uit het verleden kan gebruiken om te handelen in het heden, is zo oud als het vak geschiedenis zelf.
Maar wat als historici nu eens effectief beleidsmakers zouden beginnen adviseren, rond hot topics zoals klimaat, energie, diplomatie of de publieke ruimte? Precies dat is de belofte van applied history.
‘Onder applied history, of toegepaste geschiedenis, verstaan we de poging om historische analogieën en onderzoeksmethodes te gebruiken om hedendaagse vraagstukken te helpen beantwoorden’, vertelt Violet Soen, professor vroegmoderne geschiedenis aan de KU Leuven. Samen met haar voormalige doctoraatsstudent dr. Bram De Ridder is ze in Vlaanderen een van de grootste pleitbezorgers voor het prille onderzoeksveld.
Het gaat dus nog een stap verder dan het bredere veld van publieksgeschiedenis. ‘Het komt vaak in twee gedaantes voor’, legt De Ridder uit. ‘Je hebt om te beginnen de bekendste vorm van applied history: als historicus mee aan de beleidstafel zitten als raadgever. Dat idee is erg recent weer gegroeid.’
Een van de strafste voorbeelden hiervan komt uit Duitsland. ‘Net als bij ons stelde het land expertencommissies aan om de regering van raad te voorzien tijdens de coronacrisis’, vertelt Soen. ‘Maar in Duitsland zaten er naast virologen en biologen ook enkele humane wetenschappers bij, waaronder historici. Naast het puur medische verhaal komen er bij het virusbeleid allerlei maatschappelijke overwegingen kijken.’ Het werk van die commissies leidde tot een belangrijk rapport met aanbevelingen, waarvan er veel door de Duitse overheid werden toegepast.
Daarnaast verschijnt toegepaste geschiedenis volgens De Ridder vooral in hybride vormen, afhankelijk van specifieke contexten. ‘Het Centrum voor Agrarische Geschiedenis in Leuven, bijvoorbeeld, voert historisch onderzoek uit naar alles wat met landbouw en omgeving te maken heeft’, vertelt hij. ‘Zulk werk heeft vaak rechtstreekse bruikbaarheid in het heden, maar het is geen beleidsadvies.’
Een nog bekender voorbeeld is de bijzondere commissie voor koloniaal verleden van het federaal parlement. ‘Historici die hun vaardigheden inzetten in opdracht van de politiek – zij het in de regel inhoudelijk onafhankelijk – zijn dus al veelvoorkomend’, stelt De Ridder.
Populairst in het Verenigd Koninkrijk
‘Na de Tweede Wereldoorlog had het toepassen van historische analogieën een nogal negatieve bijklank, denk aan hoe de nazipartij haar beleid legitimeerde door terug te grijpen naar een historisch narratief’, legt Soen uit. ‘Maar net zoals vele andere wetenschapsdomeinen ging ook geschiedenis zich meer richten op de bredere samenleving, lange tijd onder de noemer publieksgeschiedenis.’
Rond de eeuwwisseling ontstond in het Verenigd Koninkrijk de belangrijkste voorloper van het huidige onderzoeksveld: het History and Policy-project aan de University of Oxford. Die organisatie, opgericht in 2002, vormt een netwerk van meer dan vijfhonderd professionele historici, met als doel academisch historisch onderzoek toe te passen in publiek beleid. Voor het project worden papers geschreven en beleidsadviezen afgeleverd, bijvoorbeeld voor de Britse nationale gezondheidsdienst.
Lange tijd bleef het veld echter beperkt tot het Verenigd Koninkrijk. ‘In 2016 kreeg toegepaste geschiedenis een internationale boost met de oprichting van het Applied History Project’, vertelt De Ridder. Die afdeling binnen het Belfer Centre for Science and International Affairs aan de Harvard Kennedy School zette toegepaste geschiedenis op de kaart in de academische wereld.
Professoren Graham Allison en Niall Ferguson schreven in datzelfde jaar immers een toonaangevend manifest voor Applied History, met daarin de krachtlijnen van wat toegepaste geschiedenis moet zijn. Het ging onder andere om ethische richtlijnen, zoals het bewaren van politieke onafhankelijkheid. De visie van dat manifest vormt sindsdien de standaard in het onderzoeksveld.
De voorbije jaren zijn heel wat onderzoeksafdelingen het voorbeeld van Harvard gaan volgen. In de Verenigde Staten bieden steeds meer instellingen gespecialiseerde opleidingen in toegepaste en/of publieksgeschiedenis aan, volgens overheidscijfers zijn er dat al tientallen. Zo kwamen er initiatieven aan onder meer King’s College in Londen, het Cambridge Centre for Geopolitics en de Stockholm School of Economics.
Casus vertrouwen
In juni 2025 behaalde Julie Wynant aan de KU Leuven het eerste Vlaamse doctoraat in de toegepaste geschiedenis, onder de titel Bridging trust gaps through applied history. Wynant werkte rond vertrouwen in publieke instellingen. Ze wilde om te beginnen onderzoeken hoe een aantal publieke organisaties nu al het verleden verwerkt in hun organisatie. Vervolgens zou ze nagaan hoe historische inzichten kunnen helpen dat beleid aan te scherpen.
‘Maar ik merkte al snel dat ik bij dat eerste aspect langer wilde stilstaan’, vertelt Wynant. ‘Meestal betekent applied history dat je historische analogieën gebruikt om beleidsvoorstellen te doen, maar ik wilde zelf meer focussen op de historische narratieven van deze organisaties.’ Dat zulke narratieven immers een invloed hebben op het beleid van organisaties – of het nu publiek of privaat is – is een bekend gegeven dat econoom Robert J. Shiller narrative economics noemt.
Wynant werkte voor haar onderzoek samen met vier publieke instellingen: het Vlaams Parlement, de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat en de Vlaamse Justitiehuizen. ‘Het zou je verbazen hoeveel organisaties – bewust of onbewust – naar het verleden verwijzen’, vertelt Wynant.
‘Voor de VMM was het verleden van milieubeleid louter een verhaal van cijfers, namelijk dat het in Vlaanderen alsmaar droger wordt en het landschap verandert’, legt ze uit. ‘Maar nergens vertelden ze hoe verschillende gemeenschappen in Vlaanderen – op uiteenlopende wijze – weerbaarheid hebben getoond tegenover zulke veranderingen. In 1976 werd België geconfronteerd met twee natuurrampen: een uitzonderlijke droogte en, in scherp contrast, een ernstige overstroming in Ruisbroek. De droogte was extreem, maar de overheid hanteerde niet de beste aanpak. Haar beleid was ‘reactief’: vooral brandjes blussen en symptomen bestrijden. Het is door de inzet van de gewone boer dat de crisis vermeden is. De overheid vertrouwde immers grotendeels op de inzet van de burgerbevolking, die gehoor gaf aan oproepen tot waterbesparing. Mensen volgden nauwgezet de beperkende maatregelen, zoals sproeiverboden en andere waterbesparende acties. Minister van Volksgezondheid Jos De Saeger riep zelfs op om groentetuinen te begieten met vuil badwater – en mensen deden dat dan ook. Interessant is dat de collectieve herinnering aan deze periode uiteindelijk vaak positief is (‘de beste zomer ooit’), wat ertoe bijdraagt dat het besef van droogte als een ernstig risico, vandaag minder sterk aanwezig is.’
‘In hetzelfde jaar werd het land ook getroffen door een overstroming in Ruisbroek, die een heel ander type weerbaarheid aan het licht bracht. Waar droogte om individuele discipline vroeg, bracht de overstroming een sterke gemeenschapszin teweeg. Ongeveer 925 hectare land kwam onder water te staan, en de ramp kreeg veel media-aandacht. De inwoners van Ruisbroek toonden een indrukwekkende collectieve weerbaarheid: er ontstond een sterke solidariteit, zowel binnen de gemeenschap als daarbuiten. De gebeurtenis werd als een grote ramp ervaren en groeide uit tot een belangrijk onderdeel van de lokale herinneringscultuur.’ Precies dat ‘narratief’ zou voor meer draagvlak kunnen zorgen bij de brede bevolking. ‘Bovendien zouden de concrete historische voorbeelden ook het beleid kunnen inspireren’, vindt ze.
‘Je kan het verleden niet als rechtstreekse inspiratie gebruiken om hedendaagse vraagstukken mee op te lossen’
Maar komt haar beleidsadvies dan wel neer op meer dan marketingadvies? ‘Daar lijkt het inderdaad op’, geeft ze toe. ‘Maar er is een belangrijk verschil: mijn historisch onderzoek biedt nieuwe perspectieven en inspiratie, het levert niet één pasklaar antwoord op, dat is ook niet de bedoeling.’
Wynant deed hetzelfde voor het Vlaamse Notariaat. ‘Een veel oudere instelling, die soms worstelt met haar identiteit en het imago van een grijze, traditionele organisatie’, legt ze uit. ‘Ik merkte dat hun communicatiestrategie vooral focuste op recente moderniseringspogingen, alsof ze hun ‘stoffige’ verleden wilden goedmaken’, zegt Wynant. ‘Maar historisch gezien heeft het notariaat juist een belangrijke rol gespeeld en genoot het veel vertrouwen. Ik heb hen daarom aangeraden om trots te zijn op dat verleden en die concrete voorbeelden narratief in te zetten als kracht.’
Nederland gidsland
Toegepaste geschiedenis staat sowieso nog in haar kinderschoenen, maar in Nederland staat applied history als vakgebied al wat verder dan in Vlaanderen. Sinds 2022 bestaat er aan de Erasmusuniversiteit van Rotterdam immers een gespecialiseerde masteropleiding in Applied History. Sinds de aanvang van dat masterprogramma schreven in totaal 51 studenten zich in. ‘We groeien geleidelijk aan, dat is normaal met zo’n nieuw veld’, zegt opleidingshoofd Maarten van Dijck.
Professor politieke geschiedenis Harm Kaal van de Radboud Universiteit geldt in Nederland als vroege pionier van toegepaste geschiedenis. ‘Toen ik in 2009 als visiting fellow in Cambridge werkte, zag ik dat ze daar al veel verder stonden’, vertelt hij. Eenmaal thuis wilde hij applied history ook in Nederland voet aan de grond geven. Hij besloot zich erin te gaan specialiseren en vakgenoten warm te maken, wat uitmondde in de oprichting van het eerste internationale academisch tijdschrift voor het vakgebied, The Journal of Applied History.
Net als Wynant in Vlaanderen, onderzoeken ook Kaal en postdoctoraal onderzoeker Floris van Berckel Smit samen toepassingen van geschiedenis in publieke instellingen. In hun huidige project, gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, doen ze onderzoek bij diverse ministeries, waaronder het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Op welk gebied heeft toegepaste geschiedenis plaatsgevonden bij deze organisaties? ‘Diplomatie is een goed voorbeeld’, steekt Van Berckel Smit van wal. ‘Diplomaten baseren zich voortdurend op historische analogieën en narratieven in hun werk. Dat biedt inspiratie, maar je moet natuurlijk wel kritisch blijven om het verleden niet als een glazen bol te gaan zien waarmee je de toekomst kunt voorspellen.’
Een concreet voorbeeld is volgens hem de invasie van Oekraïne. ‘Verschillende historische analogieën werden aangehaald in de discussies: zo werd de vraag opgeworpen of Rusland al tevreden zou zijn met een bevroren conflict. Aan de andere kant werd gezegd: ja, maar let ook op het imperialisme – dat gaat nog veel verder terug in de Russische geschiedenis. In allerlei strategische overwegingen komen historische inzichten dus terug, en dan is een deskundige kijk op de zaken zeer belangrijk.’
Al is het maar om discussies voldoende breed te houden, vindt Kaal. ‘Op momenten dat er gesprekken plaatsvinden over het te voeren beleid kunnen wij kritische reflectie bieden met behulp van historisch onderzoek. We moeten beleid dus niet in één richting sturen, wel nuances leveren. Dat is ook een ethische opdracht.’
De historische consultant
Veel afgestudeerde geschiedenisstudenten gaan bij consultancybureaus werken. Hun onderzoeksvaardigheden sluiten immers goed aan bij divers advieswerk. De voorbije jaren duiken er echter steeds meer initiatieven op waarbij historici specifiek geschiedkundig werk verrichten als consultant.
Historical consultancy – waarbij een historicus werkzaam is als zelfstandige of als deel van een privébedrijf – is vooral bekend uit de entertainment- en erfgoedsectoren. In de filmwereld zijn ze misschien nog het meest bekend. Consultants geven vaak adviezen in verband met de juiste weergave van historische verhaal- en decor- elementen. In veel gevallen zijn het dan wel professionele academische historici die die adviserende rol in bijberoep doen.
Volwaardige zelfstandige consultants vind je momenteel vooral in de erfgoedsector. Die zijn populair in Nederland. ‘Zij geven bijvoorbeeld advies over het gebruik of de restauratie van onroerend erfgoed’, legt Kaal uit. Ondernemingen zoals Historic Interiors Consultancy maken daar hun specialisatie van. Kaal verwacht dat die nichesector zal groeien door een recente wetswijziging die lokale gemeenten verplicht om erfgoedplannen op te stellen voor het onroerend erfgoed op hun grondgebied.
In Vlaanderen was het Corvus Historical Consultancy-project van De Ridder en Soen het eerste in zijn soort. De Ridder heeft daarnaast sinds dit jaar ook een eigen onderneming, Branwen Advisors, die bedrijven wil bijstaan met strategisch advies op basis van historisch onderzoek.
Kritieken en risico’s
Toch is er ook veel kritiek op het concept, niet in het minst bij collega-historici. Legt applied history wel degelijk zoden aan de dijk, en is het bovendien zelfs wenselijk om op die manier met historisch onderzoek aan de slag te gaan?
Kaat Wils, hoogleraar cultuurgeschiedenis na 1750 aan de KU Leuven, is sceptisch. ‘Een historisch perspectief biedt zeker inspiratie voor het heden in sommige gevallen’, legt ze uit. ‘Maar je kan het verleden niet als rechtstreekse inspiratie gebruiken om hedendaagse vraagstukken mee op te lossen. Daarvoor zijn zowel heden als verleden te complex, en ingebed in hun eigen context.’
Precies die wetenschappelijke bezorgdheid zette Wynant ertoe aan om een ethisch kader te ontwerpen voor haar onderzoek. ‘Je mag je als onderzoeker niet voor de kar laten spannen van bedrijven of politieke actoren’, legt ze uit. ‘En het is inderdaad belangrijk dat je voorzichtig bent met het extrapoleren van historische voorbeelden in het heden.’
‘Toegepaste geschiedenis is absoluut een interessant concept om te onderzoeken’, benadrukt Wils. Maar tussen de belofte en de praktijk ervan, gaapt volgens haar nog een grote kloof. ‘Het aantal geslaagde pogingen, en de meerwaarde van die voorbeelden, valt momenteel nogal mager uit.’
Dat erkennen toegepaste historici zelf ook, al wijzen zij wel op het feit dat het veld nog jong is. ‘Bedrijven kennen het concept nog onvoldoende en staan er nog niet altijd voor open’, denkt Wynant. ‘De terugkoppeling van onze theoretische adviezen is een werkpunt.’
Toch klinkt de oproep aan wetenschappers om zich sterker op de brede maatschappij te richten steeds luider. Wereldwijde besparingen in de zogenoemd ‘niet-zinvolle’ domeinen van het hoger onderwijs – vooral in de Verenigde Staten – illustreren dat duidelijk. Is toegepaste geschiedenis dan niet juist een kans om precies dat te doen: historisch onderzoek rendabeler maken?
‘Natuurlijk hechten we – zoals alle academici – veel waarde aan de manier waarop onderzoek wordt vertaald’, zegt Wils. ‘Ik heb niet de indruk dat historici zich in een ivoren toren opsluiten. Maar om goed onderzoek te kunnen doen, moet je daar wél de tijd voor krijgen.’
‘En dat hoeft niet altijd te vertrekken vanuit zogenoemde wicked problems, vanuit de grote maatschappelijke vragen. Het is minstens zo belangrijk dat onderzoek ook vanuit zichzelf kan groeien. Tegelijk vind ik niet dat ons dat ontslaat van de plicht om aan publieksgeschiedenis te doen.’