In 250 jaar tijd hebben de Verenigde Staten 46 presidenten versleten. Voordat deze uitverkorenen de politiek ingingen, waren zij pindaboer, winkelbediende of herenmodespecialist. Maar een aantal zaken bleef hetzelfde: de Amerikaanse president is man, ambitieus en heeft heel wat over om die ambities waar te maken.
Beeld: George W. Bush, de 43ste president van de VS, cultiveerde zijn volkse imago met een cowboyhoed en Texaans accent.
In 2000 moet de slimme George W. Bush het in de verkiezingsstrijd opnemen tegen Al Gore. Bush heeft gestudeerd aan Yale en Harvard, maar daarmee gaat hij niet winnen van Gore, die door de Amerikanen als een betweterige schoolmeester wordt gezien. Peter van der Heiden is politicoloog en doceert North American Studies aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij verhaalt hoe Bush handig inspeelt op het intellectuele, maar stoffige imago van Gore. ‘Bush gooide het over een totaal andere boeg. Hij stak zich in een paar stoere cowboylaarzen en zette een hoed op. Om het plaatje af te maken, leerde hij zichzelf ook nog een Texaans accent aan. Flauwekul natuurlijk, hij kwam uit de gegoede kringen van Connecticut, maar hij groeide wel op in Houston, de grootste stad van Texas. Tot slot strooide hij nog met wat simpele oneliners en ja hoor, hij won de verkiezingen met zijn toneelstukje.’
De opkomst van het moderne presidentschap
Bush was bepaald niet de eerste die handig gebruik maakte van imago en profilering. Die eer komt Theodore Roosevelt toe die in 1901 aantrad als president. ‘Door de Amerikanen werd hij ook wel liefkozend Teddy genoemd. Hij was een echte mediaman. De persoonlijkheid spatte ervanaf en de film en kranten waren dol op hem, vanwege zijn uitstraling. Hij was de eerste die het electoraat bespeelde via de media en dat lukte hem prima. Hij was populair bij de kiezers, maar werd in levende lijve vaak als dominant en nogal intens omschreven. Roosevelt sprak met harde stem en als je in zijn nabijheid was geweest, moest je na afloop meteen even je eigen persoonlijkheid uitwringen, zó aanwezig was de man’, aldus Van der Heiden.
Met Theodore Roosevelt breekt de Verenigde Staten voorgoed met presidenten die veelal als zetbaas van het Congres functioneerden in plaats van als leider van het land. Vóór Roosevelt was de president eerder een uitvoerder van wetten, die weinig in de melk te brokkelen had. Zelfs nuchter zijn was strikt genomen geen noodzaak om de presidentiële taken uit te voeren. Zo stond Franklin Pierce (1853-1857) bekend als een grote drinkebroer, onder wie de spanningen rond slavernij en territoria al behoorlijk begonnen te rommelen in met name Kansas. Pierce stond zelfs zo slecht te boek, dat bij het kiezen van zijn opvolger de leus Anyone But Pierce, ofwel Als het maar geen Pierce is, een gevleugelde uitspraak werd. De lat was dan ook bijzonder laag voor de volgende president James Buchanan. Hij dronk zich door de aanloop van de Burgeroorlog heen met liters aan whiskey en Madeira per dag.
Wereldlijke macht
Maar de eisen en vaardigheden rond het presidentschap werden snel bijgesteld, concludeert Van der Heiden. ‘Het ambt veranderde door de eeuwen heen nogal. Vroeger moest je vooral de boel bij elkaar houden in eigen land, ervoor zorgen dat bedrijven goed konden werken en er geld verdiend werd. Maar de VS werd een wereldmacht. Als president werd je al snel meer dan de leider van je land, je werd het baken van de vrije wereld en de export van vrije idealen.’
Het veranderde takenpakket vergde andere vaardigheden en persoonlijkheden. Presidenten werden mediapersoonlijkheden in plaats van slechts politici en wie het goed deed op televisie, kreeg meteen een stevige voet in het Witte Huis. ‘Ronald Reagan was als voormalig acteur natuurlijk ook al een showman en John Kennedy kon er ook wat van. Die heeft Richard Nixon nog flink genaaid. Nixon en Kennedy zouden tijdens de verkiezingsstrijd een live televisiedebat doen. Kennedy had voor zijn komst naar de studio al stiekem make-up op gedaan en zag er stralend uit. Stoer zei hij tegen de visagist dat hij wel zonder grimage kon. Nixon wilde niet onderdoen voor zijn rivaal en al helemaal niet minder mannelijk overkomen, dus zei hij hetzelfde. Met desastreuze gevolgen. Nixon bleek tijdens de opnames nogal koortsig. Hij stak zweterig en bleek af naast de gezond ogende Kennedy. Nixon maakte geen beste indruk en kon het stokje meteen aan Kennedy doorgeven.’
Niets nieuws onder de zon
Publiciteitstrucjes horen dus al decennia bij het Witte Huis. Maar ook polarisatie is niet zo’n nieuw verschijnsel als we misschien denken. De eerste sporen van polarisatie zijn al te vinden onder Nixon. De Amerikanen zijn klaar met de oorlog met Vietnam, maar na het Watergate-schandaal in 1972 liepen de gemoederen helemaal hoog op. De republikeinse Nixon bleek betrokken te zijn bij een inbraak door vijf man in het hoofdkantoor van de Democraten, dat toen gevestigd was in het Watergate Hotel in Washington. De medewerkers van Nixon werden betrapt terwijl ze afluisterapparatuur plaatsten en documenten probeerden te stelen. Nixon bleek wel vaker deze zogenaamde White House Plumbers te hebben gebruikt. De spreekwoordelijke loodgieters waren aanvankelijk aangesteld om informatielekken binnen het Witte Huis tegen te gaan. Al snel liepen de activiteiten van de loodgieters uit de klauwen en waren geheime surveillances en stiekeme afluisterpraktijken schering en inslag. Tot overmaat van ramp bleken overheidsdiensten als de CIA onder druk gezet te zijn mee te werken en de activiteiten te verdoezelen.
De emoties tussen Republikeinen en Democraten laaiden op en namen nog verder toe onder de democratische presidenten Bill Clinton (1993-2001) en Barack Obama (2009-2017), die veel te progressief waren naar republikeinse smaak. In 1996 werd dan ook Fox News in het leven geroepen, die de berichtgeving vanuit specifiek rechtse hoek benaderde en vooral de Obamacare-plannen als maatregelen van reinste communisme zagen.
Expansiedrift en verhoogde invoerrechten
Marion Huibrechts is als onderzoeker en docent verbonden aan de KU Leuven en is gespecialiseerd in de geschiedenis van de Verenigde Staten. Ze constateert dat ook expansiedrift een thema is dat altijd belangrijk bleek in de Amerikaanse politiek. ‘Theodore Roosevelt keek al met bijna koloniale ogen naar het buitenland, vooral naar Panama, dat hij steunde in een opstand tegen Colombia in 1903. Hij wilde er namelijk het Panamakanaal aanleggen en dat beheren. Maar voor hem had Ulysses S. Grant al tussen 1869 en 1871 geprobeerd de Dominicaanse Republiek (toen Santo Domingo) te annexeren vanwege de strategisch militaire ligging, maar daar stak het Congres een stokje voor.’
Vooral president William McKinley (1897-1901) was hebberig. Zo annexeerde hij in 1898 Hawaii om de invloed van de Amerikaanse rijke suikerplantage-eigenaren aldaar veilig te stellen. Sowieso was het een druk jaartje voor McKinley, want in april van 1898 verklaarde hij de Spanjaarden de oorlog om hen Cuba, Puerto Rico en de Filipijnen te ontfutselen. Het werd een korte oorlog, Spanje gaf op en McKinley maakte van Puerto Rico een zogenaamde territory. In Cuba en de Filipijnen was het voor hem genoeg om de landen onder grote invloed van de VS te zetten.
Verhoogde invoertarieven tegen buitenlandse producten waren meer dan een eeuw geleden ook al een feit
President William Taft (1909-1913) zette de lijn van zijn voorgangers door en zorgde ervoor dat Honduras aan de Amerikaanse leiband liep. Daar zat namelijk het Amerikaanse bedrijf United Fruit Company en onder het mom van het bewaren van de stabiliteit, beschermde Taft de immense bedrijfsbelangen door zijn mariniers naar Honduras te sturen. Maar ook zijn opvolger Woodrow Wilson (1913-1921) wilde de Amerikaanse invloed graag uitbreiden en ging in 1915 over tot het militair bezetten van Haïti en in 1916 vervolgens alsnog de Dominicaanse Republiek. De Dominicanen waren in 1924 weer van de Amerikanen af, maar Haïti bleef bezet tot 1934. Overigens waren verhoogde invoertarieven tegen buitenlandse producten meer dan een eeuw geleden ook al een feit: zowel Taft als McKinley waren grote motoren achter de verhoging van invoerrechten over industriële goederen uit vooral Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië, die zij als bedreiging zagen voor de binnenlandse productie.
Anti-immigratiebeleid was altijd al heet hangijzer
Daarnaast is, volgens Huibrechts, tevens in het huidige anti-immigratiebeleid van het Witte Huis een parallel te trekken met vorige presidenten. ‘Anti-immigratie is altijd de mentaliteit van de VS geweest en de massale deportatie van migranten is ook niet nieuw. Volgens statistieken zette Obama jaarlijks meer migranten uit dan Trump. Obama gebruikte daar wel procedurele maatregelen voor en minder spierballenvertoon. Maar anti-immigratiebeleid is al van ver voor de Burgeroorlog, toen de stroom migranten uit Duitsland en Ierland op gang kwam. De Amerikanen waren bang dat hun banen gestolen werden en het katholicisme van de Ieren zat hen ook niet lekker. Snel werd de zogenoemde American Party opgericht om de belangen van de ‘geboren Amerikanen’ te beschermen.’
De beweging groeide als kool en werd in de volksmond steeds vaker de Know Nothing-partij (Ik weet niets-partij) genoemd, omdat deze ontstaan was uit het racistische genootschap The Order of the Star-Spangled Banner, dat doorspekt was met geheime rituelen en bijeenkomsten. Leden die gevraagd werden naar de rituelen, antwoordden standaard ‘I know nothing’ ofwel ‘ik weet niks’. Tussen 1854 en 1856 werd de American Party verrassend groot en wonnen zij belangrijke Congres- en deelstaatverkiezingen. Ze hadden al een presidentskandidaat klaar staan, namelijk Millard Fillmore, die al eerder president van de VS was geweest. Maar met de aanstormende Burgeroorlog ging de partij ten onder aan interne onenigheid over slavernij en de maatschappelijke spanningen.
Het nativisme bleef echter opduiken in het Witte Huis, legt Huibrechts uit. ‘We kregen in 1881 president Chester Arthur die de Chinese Exclusion Act ondersteunde. Die wet verbood eigenlijk vrijwel volledig de immigratie van Chinese arbeiders. En in 1924 werd de Immigration Act getekend door president Calvin Coolidge. Het bleek een van de meest ingrijpende anti-immigratiemaatregelen in de Amerikaanse geschiedenis, die immigratie uit heel Azië voortaan bijna onmogelijk maakte en immigratie uit landen in Zuid- en Oost-Europa, zoals Italië en Polen, sterk beperkte.’
Populisme van oudsher populaire strategie
Politiek die zich presenteert als de stem van het volk tegen elites of gevestigde macht, is geen uitvinding van Donald Trump. ‘Andrew Jackson is de grote held van Donald Trump en een van de eerste populistische presidenten van de VS. Hij ontslaat ambtenaren, voert strijd tegen de nationale bank en werpt zich op als kampioen van de gewone man. Tijdens zijn inauguratie in 1829 kwamen er zoveel mensen opdagen dat het een compleet zooitje werd en de menigte zelfs het Witte Huis binnendrong. Jackson schijnt op zijn paard gesprongen te zijn en zo het Witte Huis naar binnen te hebben gegaloppeerd. Een apart figuur dus’, aldus Huibrechts.
Maar ook in de twintigste eeuw lieten Amerikaanse presidenten zich erop voorstaan de gewone man te willen helpen. Nixon sprak graag over de stille meerderheid die zich niet gehoord voelde, en Franklin D. Roosevelt (1933-1945) had het tijdens de Grote Depressie over de economische koningen van de VS en presenteerde de New Deal in de vorm van banen en noodhulp aan de gewone burgers.
Al met al concludeert Huibrechts dat veel ontwikkelingen die we als nieuw zien als we naar het Witte Huis kijken, altijd al cruciaal waren in de Amerikaanse politiek, alleen in een andere context. ‘We vinden het nu allemaal ernstig en belangrijk. Maar een boer die hier in 1900 op zijn patattenveld stond, kon het echt niets schelen wat er allemaal plaatsvond in Amerika. Kranten in België of Nederland besteedden er toen amper aandacht aan en we waren lang niet zo betrokken bij de Verenigde Staten van Amerika als nu. De VS is echter veranderd. En onze band met de VS dus ook.’
De rol van de first lady in het Witte Huis is in de loop van de tijd sterk veranderd. Waar Martha Washington en Dolley Madison vooral als gastvrouwen en sociale organisatoren optraden, groeide de functie later uit tot een publiek en soms politiek platform. Eleanor Roosevelt speelde hierin een sleutelrol door zich actief uit te spreken over mensenrechten en door persconferenties te geven. Later zetten onder anderen Lady Bird Johnson en Betty Ford (foto) maatschappelijke thema’s als milieu en vrouwenrechten op de agenda. Tegenwoordig combineren first ladies publieke zichtbaarheid vaak met eigen beleidsprioriteiten. Zo speelde Hillary Clinton een actieve rol in de gezondheidszorg en maakt Melania Trump zich sterk voor fatsoenlijk gedrag online.