Insecten op het menu? Niet in prehistorisch Europa

Insecten worden wereldwijd door zo’n twee miljard mensen gegeten en toch blijven veel westerlingen terughoudend tegenover insecten op het menu. Nieuw archeologisch en genetisch onderzoek laat zien dat dit geen nieuw fenomeen is: ook vroeger aten we hier nauwelijks insecten.

Spaanse onderzoekers van de Pompeu Fabra Universiteit analyseerden tandsteen van 745 anatomisch moderne mensen (vroege Homo sapiens) en achttien neanderthalers. Tandsteen, verkalkte tandplak die duizenden jaren bewaard kan blijven, vormt een soort archief waarin resten van voedsel en micro-organismen worden opgeslagen. Op basis daarvan konden wetenschappers reconstrueren wat er vroeger op het menu stond. Met DNA-analyses van die voedselresten konden ze bovendien nagaan of er sporen van insecten in het gebit van onze voorouders aanwezig waren.

Geen onderdeel van het dieet

De resultaten tonen aan dat prehistorische Europeanen zelden insecten consumeerden. In het tandsteen van Homo sapiens werden nauwelijks sporen van insecten-DNA gevonden. En wanneer die wel aanwezig waren, ligt de verklaring waarschijnlijk eerder in besmet voedsel of drinkwater.

Opvallend genoeg vormden neanderthalers een uitzondering. Hun tandsteen bevatte aanzienlijke hoeveelheden DNA van tweevleugeligen, zoals vliegen. Dat ondersteunt de hypothese dat neanderthalers regelmatig vlees aten waarop vliegenmaden aanwezig waren.

Europese uitzondering, geen universele regel

Die conclusie verrast Arnold van Huis, tropisch entomoloog en professor emeritus verbonden aan Wageningen Universiteit, niet. Hij wijst erop dat Europa historisch gezien nooit een regio is geweest waar insectenconsumptie sterk ingeburgerd was.

‘De echte hindernis is walging. Dat is een emotionele reactie, geen rationele’

‘Dat deze studie in Europa weinig bewijs vindt voor insectenconsumptie verbaast me niet zo erg’, zegt Van Huis. ‘In tropische gebieden ligt dat heel anders. Daar zijn insecten het hele jaar door beschikbaar.’

Biologisch verankerde afkeer?

De Spaanse onderzoekers onderzochten ook genen die helpen bij het verteren van chitine, een stof te vinden in insecten. Uit de analyse van meer dan 1.600 oude DNA-stalen blijkt dat veel Euraziatische bevolkingen al minstens 9.000 jaar genetisch niet zo goed aangepast zijn aan het verteren van insecten.

Daaruit zou kunnen volgen dat bij bevolkingsgroepen met Euraziatische voorouders de slechte verteerbaarheid van chitine ertoe heeft bijgedragen dat insecten nooit een belangrijk onderdeel van hun dieet zijn geworden. De huidige terughoudendheid tegenover het eten van insecten lijkt daardoor niet alleen een culturele oorsprong te hebben, maar mogelijk ook deels biologisch verankerd te zijn.

Van Huis neemt die conclusie met een korreltje zout. Hij verwijst naar eerder onderzoek waaruit blijkt dat mensen wel degelijk beschikken over zogenaamde chitinases, enzymen die chitine kunnen afbreken. Mogelijk worden die enzymen minder actief aangemaakt wanneer insecten nauwelijks deel uitmaken van het dieet. ‘Als je regelmatig insecten zou eten, verwacht ik dat die enzymen ook sterker geactiveerd worden’, zegt van Huis.

Walging als grootste hindernis

Volgens Van Huis ligt de belangrijkste verklaring voor de terughoudendheid tegenover insectenconsumptie niet in de genetica, maar in de psychologie. ‘De echte hindernis is walging. Dat is een emotionele reactie, geen rationele.’