Wanneer ik een beademingsmasker bovenhaal tijdens een therapiesessie, kijken patiënten meestal even vreemd op. Begrijpelijk. De meeste mensen associëren zo'n masker met een operatiezaal, intensieve zorg of misschien met de coronapandemie. Niet met logopedie.
En eerlijk? Als iemand mij tien jaar geleden had verteld dat ik ooit een beademingsmasker zou gebruiken om spraakproblemen te behandelen, had ik waarschijnlijk even verbaasd gereageerd. Toch begon precies daar het onderzoek dat mij momenteel bezighoudt.
Ik werk met mensen die geboren zijn met een schisis, beter bekend als een gespleten lip, kaak en gehemelte. Hoewel een operatie de anatomische afwijking in het verhemelte kan corrigeren, ervaren sommige patiënten ook op volwassen leeftijd nog problemen tijdens het spreken. Zo kan er tijdens het spreken lucht via de neus ontsnappen terwijl die eigenlijk via de mond zou moeten passeren. Daardoor klinkt hun spraak soms nasaal en missen bepaalde klanken kracht en verstaanbaarheid.
Het probleem zit niet altijd in de anatomie
Tijdens het spreken moeten het zachte gehemelte en de zij- en achterwanden van de keel samen een soort sluitspier vormen tussen de mond- en neusholte. Bij sommige patiënten werkt dit sluitmechanisme niet altijd even consequent. De ene keer sluit het goed af, de andere keer minder goed. Dat noemen we een inconsistente velofaryngeale dysfunctie.
Het meest opvallende resultaat was niet wat wij maten, maar wat de deelnemers zelf ervaarden
Precies die inconsistentie maakt de behandeling moeilijk. Wanneer de anatomie onvoldoende is om een goede afsluiting te maken, kan een chirurgische ingreep soms helpen. Maar wat doe je wanneer de anatomie eigenlijk in orde is en het probleem vooral ligt in de timing en coördinatie van de spieren? Die vraag bracht me onverwacht naar een heel ander onderzoeksdomein: de stemtherapie.
Binnen de stemtherapie worden al jaren zogenaamde semi-occluded vocal tract-oefeningen gebruikt. Dat klinkt ingewikkeld, maar het principe is eenvoudig. Je creëert tijdens het stemgeven een gedeeltelijke weerstand in het spraakkanaal, bijvoorbeeld door stemgeluiden te produceren in een buis. Daardoor stijgt de druk in de mondholte. Voor de stem blijkt dat gunstig te zijn: de stemplooien kunnen efficiënter trillen en patiënten ervaren vaak minder inspanning.
Toen ik die techniek bestudeerde, begon ik me iets af te vragen. Als zo'n oefening de druk in de mond verhoogt, zou ze dan ook invloed kunnen hebben op de spieren die mond- en neusholte van elkaar scheiden? Het deed me denken aan fietsen tegen de wind. Zodra de weerstand toeneemt, moeten je spieren harder werken. Zou hetzelfde principe ook kunnen gelden voor de spieren die tijdens het spreken verantwoordelijk zijn voor de afsluiting tussen mond- en neusholte? Met andere woorden: zou een verhoogde monddruk het verhemelte kunnen stimuleren om consistenter te sluiten?
Dat idee vormde het vertrekpunt van mijn onderzoek.
Om dat mechanisme te kunnen testen, moesten we een manier vinden om die weerstand gecontroleerd toe te passen tijdens het spreken. Daarbij was het belangrijk om spontane spraak te trainen zonder het natuurlijke proces te verstoren. Dit principe heet taakspecificiteit. Dat betekent dat je een functie het best traint onder omstandigheden die zo dicht mogelijk aansluiten bij de natuurlijke uitvoering ervan. Een los buisje in de mond zou de articulatie van spraakklanken sterk hinderen. Mensen zouden niet meer normaal kunnen spreken en dan meten we eigenlijk iets anders dan wat we willen onderzoeken. De uitdaging was dus om een manier te vinden waarbij de luchtstroom gecontroleerd beïnvloed kan worden, terwijl de spraakproductie zelf zo natuurlijk mogelijk blijft. Die oplossing vonden we verrassend genoeg in een beademingsmasker dat oorspronkelijk gebruikt wordt in de operatiezaal en bij anesthesie.
Aan dat masker wordt tijdens de logopedische therapie een buis gekoppeld. Die buis zorgt ervoor dat de uitgeademde lucht niet zomaar kan ontsnappen, maar een gecontroleerd traject moet passeren. Daardoor ontstaat al een zekere weerstand en stijgt de druk in de mondholte tijdens het spreken. Om die weerstand nog groter te maken, wordt het uiteinde van de buis in water geplaatst. Dat werkt zoals uitblazen door een rietje in een glas water: hoe dieper de buis in het water zit, hoe moeilijker het wordt om lucht eruit te blazen. Die waterkolom zorgt dus voor een extra tegendruk.
Onze verwachting was dat die verhoogde druk de betrokken spieren meer zou activeren. Om dit te onderzoeken keken we niet alleen naar hoe patiënten klonken, maar ook naar wat er fysiologisch gebeurde tijdens het spreken. Zo konden we onderzoeken of het mechanisme achter de spraakproductie daadwerkelijk veranderde.
De proef op de som
Een goed idee op papier betekent nog niet dat het ook werkt in de praktijk. Daarom testten we de methode eerst bij enkele volwassenen met een schisis en een inconsistente velofaryngeale dysfunctie.
Om zeker te zijn dat eventuele veranderingen echt door de oefeningen veroorzaakt werden, bouwden we een extra controle in. De deelnemers gebruikten eerst hetzelfde masker en dezelfde opstelling, maar zonder stemgeving. Ze bliezen enkel lucht door het systeem. Met andere woorden: dezelfde materialen, dezelfde tijdsinvestering, maar zonder de verhoogde monddruk die ontstaat tijdens het spreken.
Die fase leverde geen veranderingen op, net zoals we verwacht hadden. Pas toen de deelnemers de oefeningen uitvoerden mét spraak, begonnen we verschillen te zien. Hun spraak werd beter verstaanbaar en de nasaliteit verminderde. Bovendien werden spraakklanken die voor de therapie zwak of nasaal klonken, krachtiger uitgesproken. Ook objectieve metingen van het percentage lucht dat via de neus ontsnapt, bevestigden wat we gehoormatig vaststelden. Bovendien bleven die verbeteringen ook enkele weken na afloop van de behandeling aanwezig.
Dat is interessant, omdat het erop wijst dat we meer doen dan een tijdelijk oefeneffect te creëren. De resultaten suggereren dat de onderliggende coördinatie van het sluitmechanisme tussen mond- en neusholte daadwerkelijk verandert.
Meer dan alleen spraak
Maar misschien was het meest opvallende resultaat niet wat wij maten, maar wat de deelnemers zelf ervaarden.
Mensen met een schisis die problemen ervaren tijdens het spreken, botsen vaak dagelijks op kleine frustraties. Ze moeten woorden herhalen. Mensen begrijpen hen niet altijd meteen. Sommigen worden onzeker over hun spraak of vermijden bepaalde situaties.
Misschien ligt de oplossing voor sommige spraakproblemen niet altijd in een nieuwe operatie
Na de therapie gaven de deelnemers aan dat ze minder hinder ondervonden van hun spraakproblemen in het dagelijks leven. Ze voelden zich comfortabeler tijdens gesprekken en rapporteerden een duidelijke verbetering van hun gezondheidsgerelateerde levenskwaliteit.
Dat is uiteindelijk waar het om draait. Niet om cijfers op een grafiek, maar om mensen die zich gemakkelijker verstaanbaar kunnen maken.
Een eerste stap, geen eindpunt
Betekent dit dat we een nieuwe standaardbehandeling hebben gevonden? Nee.
Dit onderzoek was bewust kleinschalig. We onderzochten slechts vier deelnemers. Dat is voldoende om te kijken of een idee potentieel heeft, maar niet om definitieve conclusies te trekken. Daarvoor zijn grotere studies nodig met meer deelnemers en langere opvolging en dat is exact waar wij momenteel in het Universitair Ziekenhuis van Gent mee bezig zijn.
Toch geven de resultaten een interessante aanwijzing. Misschien ligt de oplossing voor sommige spraakproblemen niet altijd in een nieuwe operatie, maar soms ook in het trainen van spieren die anatomisch gezien wél kunnen sluiten, maar dat niet altijd op het juiste moment doen.
En dat brengt ons terug naar het vertrekpunt van dit onderzoek. Soms ontstaat een nieuw idee niet binnen je eigen vakgebied, maar door over de grenzen ervan heen te kijken. In dit geval bracht een techniek uit de stemtherapie in combinatie met een hulpmiddel uit de operatiezaal ons een stap dichter bij een nieuwe behandeling voor mensen met schisis. Misschien schuilt innovatie wel vaker in het onverwachte dan we denken.