Waarom mensen geen kannibalen zijn

Een mens bevat zo'n 143.771 calorieën aan eetbaar weefsel, goed voor 65 maaltijden. Toch is het idee om een soortgenoot op te eten voor de meeste mensen ronduit afstotelijk. Is dat gewoon een cultureel taboe, of zit die afkeer dieper? Volgens een nieuwe studie komt de weerzin voort uit een evolutionair voordeel.

Kannibalisme is een van de grootste taboes ter wereld. Toch tonen archeologische en historische vondsten aan dat mensen hun soortgenoten doorheen de geschiedenis wel degelijk hebben gegeten. Meestal gebeurde dat in uitzonderlijke omstandigheden, zoals tijdens een hongersnood, oorlog of in het kader van rituele praktijken.

Calorieën versus risico’s

Een team Poolse onderzoekers bekeek kannibalisme vanuit een opvallend nuchter perspectief. In plaats van het uitsluitend als een sociaal of moreel fenomeen te beschouwen, analyseerden ze het menselijk lichaam als een potentiële voedselbron. Daarbij vergeleken ze de voedingswaarde van mensenvlees en keken ze naar de kosten en risico's die aan kannibalisme verbonden zouden zijn.

Volgens hun berekeningen bevat een gemiddeld mens ongeveer 32.376 calorieën aan eetbaar spierweefsel. Wanneer ook organen en andere eetbare lichaamsdelen worden meegerekend, loopt dat op tot ongeveer 143.771 calorieën. Op het eerste gezicht lijkt dat een aanzienlijke hoeveelheid, maar de onderzoekers concluderen dat de mens geen efficiënte voedselbron is. Een mens is moeilijk te doden en wie actief op een soortgenoot zou jagen, verbruikt daarbij bijna evenveel energie als de uiteindelijke voedselopbrengst oplevert.

Grootste nadeel

Het echte probleem zit hem niet in de energiebalans, maar in het risico op ziekteoverdracht. Omdat mensen genetisch en fysiologisch sterk op elkaar lijken, kunnen ziekteverwekkers zich makkelijk verspreiden tussen soortgenoten. Dat geldt niet alleen voor zeldzame en dodelijke ziekten, maar ook voor andere infectieziekten.

Dus als kannibalisme op grote schaal zou voorkomen, neemt ook het risico op epidemieën aanzienlijk toe. Volgens de onderzoekers kan de afkeer van kannibalisme daarom een evolutionair voordeel hebben opgeleverd. Individuen en groepen die mensenvlees vermeden, hadden een grotere kans om besmettelijke ziekten te ontwijken en te overleven. Culturele normen zouden zo zijn uitgegroeid tot een biologisch gunstig beschermingsmechanisme.

In uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld tijdens extreme hongersnood, kon kannibalisme een tijdelijke overlevingsstrategie zijn

Dat betekent niet dat kannibalisme nooit voorkwam. In uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld tijdens extreme hongersnood of wanneer iemand al een natuurlijke dood was gestorven, kon het een tijdelijke overlevingsstrategie zijn. Maar zodra er opnieuw andere voedselbronnen beschikbaar waren, wogen de gezondheidsrisico's veel zwaarder door dan de voedingswaarde van mensenvlees.

Geschiedenis

De onderzoekers plaatsen ook kanttekeningen bij historische verhalen over kannibalisme. Europese kolonisten beschuldigden inheemse volkeren geregeld van kannibalisme om hen als barbaars af te schilderen en koloniale overheersing of geweld te rechtvaardigen.

Volgens de onderzoekers maakt de combinatie van een lage energetische opbrengst en hoge gezondheidsrisico's het onwaarschijnlijk dat grootschalig en langdurig kannibalisme ooit een levensvatbare levenswijze was. Zo’n historische verslagen verdienen daarom een kritische benadering.