Eos Pipet 2026

Teun Everts gebruikt DNA-onderzoek om bestrijding van exotische kikker naar hoger niveau te tillen

De Amerikaanse stierkikker teistert sinds de jaren 1990 de dierenwereld in en rond de Grote Nete, in de provincie Antwerpen. Maar met Teun Everts heeft deze invasieve exoot een geduchte vijand gekregen. De ecoloog helpt met zijn DNA-onderzoek de bestrijding van de kikker vooruit. Daarmee toont hij ook het potentieel aan van dit soort onderzoek voor het beheer van exoten in Vlaanderen.

Stemmen op Teun Everts of een van de andere laureaten kan via de poll onderaan dit artikel. Of klik hier om direct naar de poll te gaan.

Beluister de podcast, of lees het portret hieronder.

De biodiversiteit in Vlaanderen staat niet alleen onder druk door klimaatverandering en milieuvervuiling. Ook de introductie van exotische (uitheemse) soorten kan lokale ecosystemen danig ontwrichten. De Amerikaanse stierkikker is zo’n invasieve exoot. Vooral in de provincie Antwerpen, meer bepaald in het stroomgebied van de Grote Nete, zorgt deze kikker de afgelopen twee decennia voor grote verstoringen. Door zijn formaat (als hij zijn poten uitstrekt is hij een armlengte lang) en zijn omnivoor dieet is hij een ernstige bedreiging voor inheemse amfibieën, die vaak een stuk kleiner zijn. Maar de stierkikker eet ook kuikens van (water)vogels en ongewervelden, zowel in het water als op het land. Bovendien heeft hij zelf hier weinig natuurlijke vijanden. De kikkers kunnen trouwens in heel dense populaties voorkomen, met meer dan honderdduizend dikkopjes (kikkerlarven) op één hectare of vijf volwassen kikkers op een honderd meter lang stuk oever. En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, verspreiden de kikkers ook ziekten die andere amfibieën nog meer in verdrukking brengen.

Tachtig procent van de vijvers in het stroomgebied van de Grote Nete is vandaag ‘bezet’ door de stierkikker

Beheerinstanties proberen de aanwezigheid en verdere verspreiding van de stierkikker in te dijken met onder meer fuikvallen en afschot. Jaarlijks worden er tienduizenden dikkopjes gevangen, en worden er honderden kikkers afgemaakt. Ook loopt er een proefproject met het oog op het uitzetten van steriele, onvruchtbare mannetjeskikkers.

Ondanks bestrijdings- en bewustmakingsmaatregelen is het rijk van deze amfibische invasieve exoot nog lang niet uit. Maar beheerinstanties hebben nu wel versterking gekregen. Ecoloog Teun Everts (KU Leuven en INBO) reconstrueerde in zijn doctoraatsonderzoek de introductie en verspreiding van de stierkikker in Vlaanderen. Dat deed hij aan de hand van DNA, zowel verzameld bij de kikkers zelf als in af- en uitscheidingen zoals slijm en schubben.

De tweede soort DNA, dat indirect wordt verzameld, wordt omgevings-DNA of eDNA genoemd. De methode laat toe om de aanwezigheid en de verspreiding van soorten alsook de densiteit van populaties in kaart te brengen. Dat gebeurt door stalen van bijvoorbeeld oppervlaktewater te nemen. Om de kracht van de methode te illustreren: eDNA-analyses zijn zo gevoelig dat ze de aanwezigheid van één dikkopje in een vijver met afmetingen van een Olympisch zwembad kunnen detecteren.

Bodemschimmels

Everts was al vertrouwd met eDNA toen hij in 2020 aan zijn doctoraat begon. Zijn masterthesis aan de KU Leuven ging niet over kikkers maar over bodemschimmels, meer bepaald schimmels die in het Zoniënwoud in symbiose met beukenbomen leven. Via eDNA-onderzoek bracht hij de schimmelgemeenschappen in kaart. ‘Onze hypothese was dat de schimmels een rol speelden in de crisis die het bekende beukenwoud toen doormaakte’, vertelt Everts. ‘De verjonging van het bos stokte, omdat nakomelingen minder vaak overleefden. We dachten dat dit mogelijk kwam doordat de schimmelgemeenschappen verstoord waren, bijvoorbeeld door verhoogde stikstofdepositie.’ Doordat het onderzoek in de tijd beperkt was, kon de hypothese evenwel niet worden bevestigd. Vandaag lijkt het probleem trouwens van de baan: het Zoniënwoud verjongt weer.

In zijn doctoraatsonderzoek naar de stierkikker in Vlaanderen bekwam Everts wel duidelijke resultaten. Met eDNA-onderzoek bracht hij de aanwezigheid en de verspreiding van de kikker in kaart – en dus de mogelijke impact op de natuur in en rond de Grote Nete. Hij kon zo onder meer hotspots identificeren, dense populaties waar zich veel kikkers voortplanten. Via ‘normaal’ DNA-onderzoek, gebaseerd op genetisch materiaal verzameld bij kikkers zelf, kon hij vervolgens reconstrueren hoe de huidige situatie in de loop der jaren tot stand is gekomen.

Dat laatste onderzoek, een vorm van populatiegenetica, bracht het bestaan van verschillende kikkerpopulaties aan het licht. Hun leefgebieden bleken van elkaar gescheiden door kanalen, het Albertkanaal en het kanaal Dessel-Kwaadmechelen, die onoverkomelijke barrières vormen. ‘De Grote Nete en enkele van haar zijrivieren (andere ‘Netes’ zoals de Kleine Nete en de Molse Nete, red.) duiken onder de kanalen door, maar de kikkers overleven die ondergrondse passages niet. Dat betekent dat er minstens drie verschillende populaties zijn, maar ook dat de Amerikaanse stierkikker meerdere keren is geïntroduceerd geweest in deze regio.’

Over die introducties bestaat nog veel onduidelijkheid. Everts verwijst naar speciaalzaken, dierenmarkten en kermissen waar de kikkers (of hun dikkopjes) in de jaren 1980 en 1990 werden verkocht. Aanvankelijk waren ze geliefd bij eigenaars van buitenverblijven in de Kempen, die ze in hun tuinvijvers uitzetten. Dat was een grote vergissing, want kijk tot wat het heeft geleid: vandaag is naar schatting tachtig procent van de vijvers in het stroomgebied van de Grote Nete ‘bezet’ door de stierkikker. En de exoot dreigt zelfs op te rukken naar het westen, zo werd hij al gesignaleerd in de Rupel. Volgens Everts werd de stierkikker bij zijn verspreiding geholpen door overstromingen, zowel natuurlijke als kunstmatige.

‘Een volwassen kikker legt normaal niet meer dan anderhalve kilometer in een jaar af. Maar als een vijver overstroomt, kunnen kikkers of dikkopjes door afspoeling via de rivier opeens wel grote afstanden afleggen. Tijdens ons onderzoek waren we heel verrast toen we een naaste verwantschap ontdekten tussen twee kikkers die zich tientallen kilometers van elkaar bevonden.’ Everts pleit ervoor dat beheerinstanties het ecologische totaalplaatje bekijken. ‘Natuurherstellende ingrepen zoals vernatting van een gebied kunnen, als ze onbezonnen gebeuren, de verspreiding van exoten dus nog versterken. Ze hebben dus niet noodzakelijk een netto-positief effect op de natuur.’

De resultaten van Everts’ onderzoek dragen bij aan de bestrijding van de stierkikker in Vlaanderen. ‘Voordien dacht men dat het om één genetisch homogene populatie ging, die was voortgekomen uit een enkele introductie in de buurt van Balen-Olmen. Nu blijkt het om minstens drie verschillende, kleinere populaties te gaan, elk het gevolg van een aparte introductie. Deze kennis verhoogt de kansen om de Amerikaanse stierkikker effectief te bestrijden, want bij kleinere populaties gaat dat gemakkelijker.’

Everts heeft er goede hoop op dat zijn resultaten ook effectief door beheerinstanties zullen toegepast worden. ‘Hoe wij de problematiek van de stierkikker onderzocht hebben, met behulp van innovatieve genetische technieken waarbij we rekening hielden met de ruimtelijke context van het dichtbebouwde Vlaamse landschap, is uniek in Europa. Het onderzoek is niet vrijblijvend, het heeft als doel het beheer te verbeteren. Dat is elders in Europa niet altijd het geval.’ De onderzoeksresultaten kunnen helpen bij het prioriteren van beheeracties, als er bijvoorbeeld meerdere plekken worden gemeld waar stierkikkers aanwezig zijn. ‘Als uit DNA-analyses dan bijvoorbeeld blijkt dat er een hotspot met veel voortplanting tussen zit, dan kunnen we meteen een team daarheen sturen.’

Teun Everts

Teun Everts (1996) studeerde biologie aan de KU Leuven. In zijn doctoraatsonderzoek bestudeerde hij de introductie, verspreiding en ecologische impact van de Amerikaanse stierkikker in Vlaanderen. De resultaten van het onderzoek dragen bij aan een meer efficiënte bestrijding van deze invasieve exoot.