De afgelopen weken werden Vlaanderen en grote delen van West-Europa getroffen door een langdurige periode van warmte en droogte, met ingrijpende gevolgen voor mens en natuur. Lage waterstanden, mislukte oogsten, hittestress, oversterfte en natuurbranden maakten duidelijk dat mooi zomerweer ook een keerzijde heeft. Hydroloog Patrick Willems en doctoraatsonderzoeker Laurens Breugelmans van de KU Leuven trekken vijf lessen voor de toekomst.
1. We zijn op de goede weg
Laten we positief beginnen: we hebben het eigenlijk niet slecht gedaan. Ja, er waren heel wat problemen, maar de waterbeheerders zijn erin geslaagd om erger te voorkomen. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is het Vlaams reactief afwegingskader droogte. Je vraagt je nu misschien af wat dat precies inhoudt. Het is een plan dat bepaalt wie bij dreigend watertekort voorrang krijgt om water te gebruiken en wie zijn waterverbruik moet beperken. Het vormt daarmee de leidraad voor waterbeheerders om het beschikbare water zo efficiënt mogelijk te verdelen.
Daarenboven krijgen de waterbeheerders steeds meer ervaring met het beheren van droogte. In tegenstelling tot eerdere droge periodes kan men beter voorspellen welke problemen zich zullen voordien en wordt er gerichter ingegrepen waar nodig. Tot slot verhoogt ook de Blue Deal, die tot doel heeft om de natuurlijke sponswerking van ons landschap te herstellen, onze weerbaarheid tegen droogte. Er is dus al heel wat werk verricht, maar dat neemt niet weg dat ons nog een grote uitdaging voor ons ligt.
2. Droogte kan leiden tot overstromingen
Toegegeven, dat klinkt als een grote tegenstelling. Maar het zit zo: ook een dijk kan uitdrogen. Daardoor kunnen scheuren ontstaan en kan de dijk instabiel worden of zelfs verschuiven. Zo bezweek in augustus 2003 in het Nederlandse Wilnis een dijk als gevolg van de toenmalige droogte. Dat soort ongelukken zijn gelukkig zeldzaam, maar beschadigingen aan de dijken kunnen wel voor problemen zorgen in de winter of wanneer er opnieuw stevige regenval optreedt.
Vooral in Nederland maakt men zich daar grote zorgen over, maar ook in Vlaanderen is het belangrijk om het waterpeil in de rivieren zo hoog mogelijk te houden en de dijken goed te controleren en, indien nodig, te herstellen voordat de winter begint.
3. Internationale samenwerking
Rivieren laten zich niet tegenhouden door landsgrenzen. Zo is Nederland, als meest afwaarts gelegen land, erg afhankelijk van het waterbeheer in haar buurlanden zoals Duitsland en België. Vlaanderen is op zijn beurt dan weer sterk afhankelijk van Wallonië en Frankrijk. Het afstemmen van het beheer tussen landen en regio’s is dus essentieel om elkaar niet te benadelen.
Een mooi voorbeeld van een dergelijke afspraak is het Maasafvoervedrag tussen Vlaanderen en Nederland. Dat verdrag bepaalt hoeveel water beide partijen tijdens droogte uit de Maas mogen gebruiken. Dergelijke afspraken en samenwerkingen moeten verder versterkt en structureel verankerd worden. Waar dergelijke samenwerking vandaag nog niet operationeel is, moet ze zo snel mogelijk opgestart worden om toekomstige conflicten te vermijden.
4. Droogte is ook en vooral een kwaliteitsprobleem
Droogte leidt op vele plaatsen niet zozeer tot een tekort aan water, maar eerder tot kwaliteitsproblemen met het beschikbare water. Denk maar aan de vele locaties waar niet gezwommen mocht worden omwille van de aanwezigheid van blauwalgen, die gezondheidsproblemen kunnen veroorzaken. Een ander voorbeeld is de verzilting van de havens van Antwerpen en het kanaal Gent-Terneuzen. Op beide locaties is er in principe genoeg water, alleen gaat het dan wel om zout water uit de Schelde. Dat leidt tot verzilting en kan problemen veroorzaken voor de industrie, onder meer door corrosieschade, maar ook voor de natuur en de drinkwaterproductie. Het massaal binnentrekken van dat water zou het kwantiteitsprobleem onmiddellijk oplossen, maar zou tegelijk ook heel wat andere problemen veroorzaken.
5. Preventief in plaats van reactief
Het waterbeheer tijdens droogte focust zich vooral op het verminderen van de watervraag om die op die manier in balans te brengen met het beschikbare aanbod. In Vlaanderen beschikken we momenteel over weinig reserves en kunnen we dus geen alternatieve waterbronnen aanspreken. Mogelijke alternatieve bronnen zoals de zee of de Westerschelde zijn, zoals hierboven al vermeld, niet meteen bruikbaar omwille van de hoge zoutconcentratie en het risico op verzilting.
Daarnaast valt op dat een aantal structurele problemen bij elke droge periode terugkeren. Zo leidt de afnemende aanvoer vanuit de Leie en Boven-Schelde naar het kanaal Gent-Terneuzen telkens opnieuw tot beperkingen voor de scheepvaart van en naar de haven van Gent en tot een toenemende verzilting van het kanaal. Dergelijke structurele problemen vereisen een preventieve en systeemgerichte aanpak. De Blue Deal speelt hierbij een belangrijke rol. De natuurlijke sponswerking van ons landschap moet hersteld worden zodat er veel meer water aanwezig is op het moment dat de droogte begint. Indien nodig moet dat aangevuld worden met actieve buffering van regenwater in bassins voor de landbouw, industrie en drinkwaterproductie.
Blik op de toekomst
Droogte is geen probleem van de toekomst, maar een fenomeen dat vandaag al onze samenleving onder druk zet. Door klimaatverandering verwachten we dat dergelijke droge periodes vaker zullen voorkomen en we dus meer van dit soort problemen zullen meemaken. Zoals gezegd zijn we niet slecht bezig, maar het is dan ook enorm belangrijk om het pad dat we met onder andere de Blue Deal zijn ingeslagen, verder te volgen en op te schalen, zodat we beter voorbereid zijn op de volgende droogte. Want dat die er komt, staat vast.