‘We kunnen ons geen veto’s veroorloven’

De opwarming van de planeet en de achteruitgang van de biodiversiteit een halt toeroepen kan volgens de Leuvense geograaf Gerard Govers enkel met technologische innovatie. En minder koeien. Een gesprek over moedig leiderschap, de steenkool in ons dieet en wat de energietransitie gemeen heeft met de kathedraal van Firenze.

Foto: © Gert Jochems

Meer economische groei, meer energie, meer technologie. Dat is – onder andere – wat we nodig hebben voor een welvarende en duurzamere wereld, betoogt een schare overwegend Nederlandse auteurs in het boek Meer. De meesten onder hen rekenen zichzelf tot de vooruitgangsoptimisten en ecomodernisten. Het ecomodernisme zet zich af tegen de klassieke milieubeweging als een meer pragmatische stroming met een sterk geloof in menselijk vernuft en technologie.

Nieuwbakken lid van de club is geograaf Gerard Govers, samen met filosoof Maarten Boudry de enige Vlaming in het boek. De vicerector bevoegd voor duurzaamheid, wetenschap en technologie aan de KU Leuven mengt zich op Twitter geregeld in het duurzaamheidsdebat en houdt in Meer een warm pleidooi voor ‘moedig leiderschap’ en door de overheid gestuurde technologische innovatie.

© Gert Jochems

Gerard Govers

Gerard Govers (Neerpelt, 1959) is gewoon hoogleraar aan de KU Leuven en vicerector verantwoordelijk voor Wetenschap & Technologie en Duurzaamheid. Hij studeerde geografie aan de KU Leuven, waar hij vandaag onderzoek uitvoert naar onder meer erosie en de impact van veranderingen in bodemgebruik en klimaatverandering op de koolstofhuishouding van de bodem. Zijn onderzoek werd in 2009 bekroond met de Bagnold Award van de European Geoscience Union. Govers zet als vicerector Duurzaamheid onder meer in op een groener reisbeleid. Hij stuurt de groep Wetenschap & Technologie aan, die meer dan vierduizend onderzoekers telt.

Beschouwt u zichzelf als een ecomodernist?

‘Ik sta achter de uitgangspunten van het oorspronkelijke ecomodernistische manifest (in 2015 gepubliceerd door de oprichters van de beweging aan het Amerikaanse Breakthrough Institute, red.). Dat stelt dat we ons ruimtegebruik zoveel mogelijk moeten beperken en dat we om het klimaatprobleem op te lossen moeten inzetten op geavanceerde technologieën, in alle domeinen. We kunnen ons daarbij geen veto’s veroorloven. Of het nu gaat om hernieuwbare energie, kernenergie, koolstofafvang en -opslag … Alles wat helpt om minder koolstof uit te stoten is welkom.’ 

‘Maar de term ecomodernisme raakt steeds meer beladen, en dat vind ik jammer. Ze is stilaan enkel synoniem voor ‘voorstander van kernenergie’.’

Hoe is het zover kunnen komen?

(Lacht:) Daarvoor moeten we naar onze menselijke natuur kijken. We hebben nu eenmaal de neiging bij een groep te willen horen en dat leidt tot sterke stellingnames tegenover anderen. Dat zie je bij uitstek in het energiedebat. Er kruipt helaas veel tijd en energie in het debat over al dan niet inzetten op kernenergie. Tussen mensen die het eens zijn over de kern van de zaak: we moeten minder CO2 uitstoten. Terwijl die discussie op dit moment irrelevant is.’

Hoezo?

‘Hernieuwbare bronnen leveren op dit moment een paar procent van onze energie. Dat aandeel moet sowieso fors omhoog, of kernenergie nu wel of niet deel zal uitmaken van de mix. Laten we ons daarop eerst concentreren. Intussen kunnen we bekijken wat kernenergie kan bijbrengen.’

‘Het zou een goede zaak zijn als kleinere, modulaire kernreactors een deel van onze stroom kunnen leveren tegen een redelijke prijs’

‘Kijk, ik verwacht ook geen snelle en goedkope uitrol van een nieuw nucleair park. Dat is nu eenmaal erg duur. Maar ik vind wel dat we in nucleair onderzoek moeten blijven investeren.’

‘Een technologie van het verleden’, noemde klimaatexpert Jos Delbeke kernenergie onlangs in De Afspraak.

‘Daar ben ik niet zo zeker van. Het wordt moeilijk om nog kolossale kerncentrales te bouwen zoals we die kennen in Europa. Maar het zou een goede zaak zijn als kleinere, modulaire reactors in de toekomst een deel van onze stroom kunnen leveren tegen een redelijke prijs, als aanvulling op hernieuwbare elektriciteit. Bedrijven als NuScale en Rolls Royce doen daar onderzoek naar. Het is onzeker of het zal lukken, maar het lijkt mij een traject dat we moeten verkennen.’

Het techno-optimisme en geloof in innovatie van de ecomodernisten lijkt soms selectief. Gaat het over hernieuwbare energie, dan kan er niet genoeg worden gewezen op problemen, zoals de niet continue beschikbaarheid van zon en wind.

‘Akkoord. Er zijn goede studies die aantonen dat een volledig hernieuwbare elektriciteitsproductie mogelijk is. Maar het zal niet makkelijk zijn en – net als kernenergie – een flinke duit kosten, onder meer aan investeringen in opslag en hoogspanningslijnen over lange afstand. Als we alles een kans geven, eindigen we wellicht met een mix van veel hernieuwbare en een deel nucleaire energie.’ 

‘Laat ons vandaag in de energietransitie volop inzetten op wat we al kunnen, terwijl onze kennis groeit’

‘Ik vergelijk de situatie graag met de kathedraal van Firenze. Toen men in de 13de eeuw met de bouw begon, had men nog geen idee hoe de koepel er uiteindelijk op zou worden geplaatst. De technologie daarvoor was niet beschikbaar. Maar men is eraan begonnen en uiteindelijk heeft Brunelleschi er in de 15de eeuw die koepel opgezet. Laat ons ook in de energietransitie volop inzetten op wat we wél al kunnen, terwijl onze kennis groeit.’

Tegelijk schrijft u dat het een mythe is dat de aanpak van de klimaatverandering louter een kwestie is van de uitrol van beschikbare technologie.

‘Dat is wat onder meer de Canadese auteur Naomi Klein beweert. Maar het klopt niet. Het Internationaal Energie-Agentschap (IEA) identificeerde 45 technologieën die we nodig hebben voor een duurzaam energiesysteem. Slechts voor zeven daarvan, waaronder elektrische auto’s en zonnepanelen, zitten we op schema. Dan zijn er nog sectoren als de cement- en staalproductie en de luchtvaart die moeilijk te vergroenen zijn.’

Om de nodige technologie te ontwikkelen en uit te rollen, kunnen we volgens u niet zonder een sterke overheid.

‘Precies. Door een CO2-taks in te voeren, kan de overheid innovatie stimuleren. Dat kunnen we niet aan de markt overlaten. Dan krijg je innovaties die focussen op winst op relatief korte termijn. De overheid moet echt durven sturen. Dat betekent niet dat ze precies moet zeggen welke technologie er moet worden ontwikkeld, maar ze moet wel een duidelijke visie hebben op wat er nodig is om naar een nuluitstoot te evolueren. Daar moet ook budget voor worden vrijgemaakt. We investeren nu een belachelijk klein bedrag in onderzoek naar de energietransitie.’ 

‘Dat alles vraagt om moedig leiderschap. Niet in het minst om uit te leggen dat die transitie veel geld zal kosten, maar nodig is om onze kinderen en kleinkinderen een leefbare wereld na te laten en hen niet met nog grotere kosten op te zadelen.’

Ziet u voorbeelden die navolging verdienen?

‘Nederland en Duitsland maken respectievelijk 20 en 50 miljard vrij om cruciale sectoren, waaronder hun chemische industrie, te vergroenen. In Vlaanderen is het Moonshotprogramma, gericht op de vergroening van onze industrie en goed voor 400 miljoen tussen 2020 en 2040, een stap in de goede richting. Maar niet op de schaal die nodig is.’

Begrijpt u dat techno-optimisme vaak wordt begrepen als ‘technologie lost alles wel op’?

‘Technologie zal niet alles oplossen. Ik pleit niet voor ongebreidelde consumptie. We moeten nadenken over hoe we energie kunnen besparen, wat verantwoord is, en wat nodig is om een comfortabel en verrijkend leven te kunnen leiden. Pakweg een grote SUV voegt daar weinig aan toe. Dan mag een overheid ingrijpen, voor mijn part door zulke auto’s op basis van gewicht te belasten.’

‘Maar we kunnen er niet omheen dat er om een goed leven te leiden een consumptieniveau nodig is dat grote delen van de wereld nog niet hebben bereikt. Met toegang tot goede gezondheidszorg, informatietechnologie, mobiliteit en een comfortabele woning. Op een groene manier in die behoefte voorzien, dat is de grote uitdaging.’

Waar gaan de pleitbezorgers voor minder groei en consumptie volgens u in de fout?

‘Stel dat we erin zouden slagen om in het Westen 35 procent minder energie te verbruiken – wat al een forse reductie zou zijn. Wanneer we dat als referentie nemen voor de wereldbevolking, hebben we ongeveer vier keer meer energie nodig dan vandaag. We moeten erin slagen meer welvaart te realiseren zonder dat ons grondstofgebruik en onze broeikasgasuitstoot meegroeit. Ik denk dat de visies daarop minder vaak uiteen liggen dan soms het geval lijkt.’

Die ontkoppeling van consumptie en milieu-impact is een cruciaal concept binnen het ecomodernisme. Het interessante is dat enerzijds wordt betoogd dat het proces in volle gang is, terwijl critici verkondigen dat het onmogelijk is, of op zijn minst niet in de mate die nodig is om ons op de juiste klimaatkoers te houden.

‘Er zit een kern van waarheid in beide. Er zijn wel degelijk positieve tekenen. Onze klimaatimpact per persoon ligt vandaag in België beduidend lager dan in de jaren 1970. De industriële productie wordt, per eenheid product, steeds groener. De Chinese staalindustrie stootte in 1995 nog 5 ton CO2 per ton staal uit. Nu is dat minder dan 2 ton. Globaal stoten we per eenheid GDP slechts half zoveel COuit als in de jaren 1970.’

Dat zijn voorbeelden van relatieve ontkoppeling, waarbij de milieu-impact minder snel toeneemt, maar wel nog steeds toeneemt.

‘De critici hebben een punt wanneer ze zeggen dat het niet ver en snel genoeg gaat. De totale broeikasgasuitstoot neemt nog toe omdat de globale consumptie en welvaart toeneemt. Net daarom moeten overheden een fors tandje bijsteken. Want we moeten naar een absolute ontkoppeling: we moeten economische groei kunnen realiseren terwijl onze uitstoot afneemt.  Dat vergt niet alleen rationeel energie- en materialengebruik maar ook innovatie die moet leiden tot  nieuwe, milieuvriendelijkere materialen, industriële processen zonder CO2-uitstoot en  een schoon energiesysteem.

© Gert Jochems

Als het over onze voedselproductie gaat, bent u een vurig voorstander van intensieve landbouw.

‘Ja, een tweede belangrijk uitgangspunt van het ecomodernisme is dat we ons ruimtegebruik moeten minimaliseren. Dat betekent dat we met intensieve landbouw zoveel mogelijk voedsel moeten produceren op een zo klein mogelijke oppervlakte. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat het geen goed idee is om onze landbouw te extensiveren. Omdat studie na studie aantoont dat zelfs bij laagintensieve landbouw de biodiversiteit sterk afneemt. Natuur wil het liefst met rust worden gelaten. Minder intensief boeren betekent minder ruimte voor natuur.’ 

‘In Europa, met een stagnerende bevolking en voedsel in overvloed, kunnen we ons dat hier en daar veroorloven. Maar ik zie met lede ogen aan hoe sommigen ervoor pleiten om het in Afrika eens helemaal anders aan te pakken, omdat het hier zogezegd zo fout is gelopen. In Afrika leven nu ongeveer 1,2 miljard mensen. Dat zullen er tegen 2100 naar schatting 3 miljard zijn. Als die zich moeten voeden met een extensieve landbouw, blijft daar geen plaats meer over voor de natuur die nog rest.’

Sommige milieuverenigingen pleiten voor een landbouw zonder kunstmest. ‘Wensdenken’, schreef landbouwkundige Henk Breman onlangs in de De Volkskrant.

‘Daar heeft hij volledig gelijk in. Ik begrijp niet goed waar die aversie vandaan komt. Optimale bemesting is cruciaal voor een productieve landbouw. Met enkel dierlijke mest kom je nooit aan voldoende nutriënten. Kijk naar de enorme oppervlakte land die boeren vroeger nodig hadden rondom hun akkers, om dieren te laten grazen die mest leverden, of om strooisel te verzamelen en heide af te plaggen. Kunstmest laat toe die cirkel te doorbreken. Het is trouwens een misvatting dat dieren nutriënten zouden produceren. Die hebben ze via hun voedsel opgenomen. Een koe of varken produceert heus geen stikstof of fosfor.’

‘We kunnen niet om de enorme impact van runderen heen’

‘Betekent dat dat we het elders precies moeten doen zoals het hier de voorbije dertig jaar is gegaan? Natuurlijk niet. Er zijn zaken fout gelopen en onze landbouw hééft een impact op het milieu. Maar als je het bekijkt per eenheid product, dan scoort intensieve landbouw het best. We moeten wel proberen uitspoeling van meststoffen beter te reduceren. En eens grondig nadenken over wát we precies willen produceren.’

Eén van uw stokpaardjes is de impact van rundvlees. 

(Lacht:) Ik sta stilaan bekend als een fervent tegenstander van koeien. Maar we kunnen nu eenmaal niet om de enorme impact van die dieren heen. Meer dan de helft van het wereldwijde landbouwareaal staat in dienst van de rundveehouderij, als weidegrond of voor de teelt van voeder.’ 

‘De impact van runderen zit niet alleen in het methaan dat vrijkomt bij hun vertering, maar ook in de koolstof die is ontsnapt bij het vrijmaken van al dat land. Wat vandaag weiland is, was vroeger vaak bos. Die zogenoemde opportuniteitskost wordt vaak over het hoofd gezien: de koolstof die je zou kunnen opslaan door het land waar nu de koe graast terug te geven aan de natuur. Dat allemaal samen zorgt ervoor dat de rundveehouderij niet alleen een grote impact heeft op het klimaat, maar ook op de biodiversiteit. Minder rundvlees eten is zowat het beste wat je kan doen om de natuur meer kansen te geven.’

In het tijdschrift Karakter omschreef u rundvlees als ‘de steenkool in ons dieet’. 

‘De klimaatverandering is de prijs die we betalen voor het aangename leven dat we hebben kunnen uitbouwen dankzij fossiele brandstoffen. Nu moeten we van die brandstoffen af. Herkauwers hebben onze voorouders ook grote diensten bewezen. Ze leverden voedzaam vlees en zuivel op gronden die voor niets anders konden dienen. Maar vandaag zijn het klimaat en de natuur erbij gebaat als we de consumptie ervan afbouwen. Ontwikkelingen als kweekvlees of melk die in reactors door microbes wordt geproduceerd kunnen daar misschien bij helpen.’

‘Stel je eens voor dat al het land dat vandaag in het teken van de rundveehouderij staat nog natuur was, en dat iemand de rundveehouderij zou ‘uitvinden’. Ik denk niet dat we er nog op de huidige schaal mee zouden beginnen.’

Volgens sommigen is regeneratieve landbouw, waarbij landbouwbodems veel koolstof opslaan, net een oplossing voor het klimaatprobleem.

‘Dat potentieel is zéér beperkt. Het lukt hier en daar om veel koolstof op te slaan, op gronden die in het verleden slecht beheerd waren, en voor korte tijd. Dat zijn de studies waarmee wordt geschermd. Meta-analyses laten zien dat het effect verwaarloosbaar is. De beste manier op koolstof op slaan op landbouwgrond, is er natuur van te maken.’