Chimpansees slikken ruwe bladeren door om parasieten te verwijderen en verzorgen wonden met fijngewreven insecten. Dat mensapen dit intelligent gedrag vertonen, verbaast ons niet meer. Maar nu blijkt dat ook hommels aan een vorm van zelfmedicatie lijken te doen.
Foto: © Rob Stevens
Eind jaren tachtig volgde primatoloog Michael Huffman in Tanzania een chimpanseevrouwtje dat er slecht aan toe was (Huffman & Seifu, 1989). Ze at niet, ze bewoog nauwelijks en ze had last van diarree. In plaats van te rusten, zocht ze een struik op waar chimpansees normaal met een grote boog omheen lopen: de bittere Vernonia amygdalina. Ze schilde de scheuten en zoog het merg uit. Een dag later liep ze weer mee met de groep. Wat bleek? In die bittere plant zitten bioactieve stoffen die helpen tegen infectie met gastro-intestinale wormen.
Wat Huffman zag, is intussen een volwaardig onderzoeksveld met zijn eigen (moeilijke) naam: farmacognosie, afkomstig van het Griekse pharmakon (geneesmiddel) en gnosis (kennis). Wanneer dieren zelf de medicijnkast van de natuur opentrekken, spreken we over zoöfarmacognosie.
Maar vanaf wanneer kunnen we nu écht over zelfmedicatie spreken? Een dier dat iets bijzonders eet, is niet automatisch een patiënt met een voorschriftje van de dokter. Daarom hanteren onderzoekers een strenge checklist. Drie vinkjes zijn nodig. 1) Het dier zoekt de stof actief op: het mag geen toevallige hap zijn. 2) De stof schaadt de ziekteverwekker of parasiet. 3) Voor een gezond dier heeft het een zekere kost: tijd, energie, een vieze smaak of het kan zelfs wat toxisch zijn. Die laatste verklaart meteen waarom er in de titel van onze paper een vraagteken staat, maar daarover later meer.
Vogels met een sigaret in het nest
Een ander primaten voorbeeld is Rakus, een orang-oetan met een grote snee in zijn gezicht. Hij kauwde bladeren van Fibraurea tinctoria (een klimplant die in de lokale traditionele geneeskunde tegen ontstekingen wordt gebruikt) en smeerde de pulp gericht op zijn wonde. En Rakus leek goed te weten wat hij deed: vijf dagen later was zijn snee goed genezen (Laumer et al., 2024).
Klim je verder van de intuïtie weg om ook eens buiten de mensapen te kijken, dan wordt het pas leuk. Zo blijkt uit onderzoek dat stadsmussen en huisvinken in Mexico-Stad opgeraapte sigarettenpeuken verwerken in hun nest (Suárez-Rodríguez et al., 2013). De nicotineresten blijken mijten te weren: ‘hoe meer peuk, hoe minder jeuk’ zullen de vogels denken.
Spreeuwen doen iets vergelijkbaars met verse aromatische kruiden (Gwinner et al., 2018), en tientallen vogelsoorten gaan aan het “mieren”: ze wrijven levende mieren door hun verenkleed, waarschijnlijk om het mierenzuur als ongediertebestrijder te gebruiken.
Hoe kleiner het brein, hoe straffer het gedrag
En zo komen we bij de insecten, waarbij niet iedereen zomaar direct een link zou leggen naar intelligent gedrag, zoals zelfmedicatie. Maar ook bij hen zijn er al enkele leuke studies terug te vinden. Rupsen van de beervlinder die geparasiteerd zijn door sluipvliegen bijvoorbeeld. Zij schakelen over op planten vol giftige alkaloïden: het gif remt de parasiet, maar gezonde rupsen doen het slechter op deze planten (Singer et al., 2009).
Een ander voorbeeld zijn fruitvliegjes. Wanneer ze parasitaire wespenlarven in hun lijf hebben zitten, zoeken ze alcoholrijk rot fruit op. De wespenlarven verdragen de alcohol slechter dan de vlieg zelf en bezwijken sneller (Milan et al., 2012). In dit geval kan je misschien stellen ‘Alcohol schaadt de gezondheid… niet altijd’.
Monarchvlinders gaan nog een stap verder: geïnfecteerde vrouwtjes leggen hun eitjes bij voorkeur op zijdeplanten met een hoog gehalte aan medicinale stoffen. Zij hebben er zelf niets meer aan, maar hun nakomelingen (rupsen) wel. Medicatie voor de volgende generatie (Lefèvre et al., 2010).
Sociaal ziek zijn
Bij sociale insecten wordt het verhaal nog net iets anders, want daar is ‘het individu’ niet de juiste eenheid. Wespen, mieren, bijen… ze wonen in een kolonie en delen dezelfde omgeving met honderden tot (tien)duizenden individuen, een ideale broedplaats voor ziektekiemen. Het antwoord dat de evolutie daarop gevonden heeft is sociale immuniteit, en soms sociale medicatie.
Bosmieren slepen harskorrels van naaldbomen hun nest in en verlagen zo de kiemdruk voor de hele kolonie. Mieren van de soort Formica fusca drinken waterstofperoxide, wat puur gif is in normale omstandigheden, wanneer hun kolonie besmet is met een schimmel (Rissanen et al., 2022).
Honingbijen doen iets vergelijkbaars. Wanneer hun broed last heeft van de schimmel Ascosphaera apis, veroorzaker van de zogeheten ‘kalkbroedziekte’, halen de bijen meer plantenhars binnen. Van dat hars maken ze propolis, een kleverige, antimicrobiële stof die ze normaal gebruiken om scheuren en gaten in hun nest te dichten. Bij een schimmelinfectie zetten ze die propolis dus in als natuurlijk desinfectiemiddel (Simone-Finstrom & Spivak, 2012).
Onze robotbloemen
Dat brengt ons bij dit nieuwe onderzoek. Ze zijn dik, harig, luidruchtig, en hebben een brein ter grootte van een rijstkorrel, maar zouden hommels ook aan zelfmedicatie doen?
Om dat te testen gebruikten we robotbloemen. Deze kunstbloem serveert automatisch nectar en registreert voor elk bezoek van een hommel wanneer en hoelang ze kwam drinken. We werkten met achttien hommelkolonies (Bombus terrestris). Eén derde van de kolonies stelden we bloot aan de schimmel Ascosphaera apis (die de larven ziek maakt), een derde aan de bacterie Serratia marcescens (die de volwassen werksters treft), en het overgebleven derde deel bleef gezond. Daarna kregen de kolonies telkens twee weken lang de keuze tussen twee soorten robotbloemen: een versie met gewone nectar of eentje met nectar waar quercetine aan toegevoegd werd. Quercetine is een bioactieve stof die van nature in nectar en stuifmeel voorkomt en een antimicrobiële werking heeft, dus we hadden hoge verwachtingen.
Het resultaat: de kolonies met de schimmelinfectie verschoven hun voorkeur duidelijk naar de medicinale nectar. Over vijf dagen bezochten ze de medicinale bloemen steeds vaker, en ze bleven ze er ook langer aan drinken. Bij de gezonde kolonies en de kolonies met de bacterie zagen we geen significante effecten, al was er wel een lichte trend om quercetine te vermijden zichtbaar.
Extra eigenaardig: in de kolonies die we infecteerden met Ascosphaera apis waren het niet de hommels die vlogen, dronken en kozen die zelf ziek waren. Zoals eerder bij de honingbijen al vermeld, treft de schimmel vooral de larven, thuis in het nest. De werksters lijken dus hun bloemkeuze aan te passen om medicatie te vinden voor hun jonge familieleden, niet voor zichzelf. Precies wat je zou verwachten bij sociale medicatie.
Dat hommels voor de medicatie kiezen is dus geen algemene strategie bij ziekte, maar lijkt afhankelijk te zijn van het type ziekte. Misschien is het net zoals bij mensen, want wij nemen ook niet zomaar elk medicijn voor elke ziekte.
Waarom “hints of self-medication?”
Terug naar de checklist. Vinkje één en twee hebben we: de hommels zoeken de stof actief op, en quercetine heeft gekende antimicrobiële werking. Alleen vinkje drie kunnen we niet bevestigen. We zagen wel een trend, maar er was geen significant negatief effect op de gezonde kolonies in ons experiment.
Bovendien hebben niet kunnen meten of de zieke larven door die quercetine-nectar ook effectief beter werden. Zolang deze bewijzen er niet zwart op wit liggen, blijft ‘zelfmedicatie’ een hypothese die we serieus mogen nemen maar (nog) niet helemaal kunnen bevestigen.
Tot slot
We zijn geneigd complex gedrag te reserveren voor dieren met een groot brein die dichtbij de mens staan. Een orang-oetan die een wonde verzorgt, daar kijken we al niet meer bij op. Een hommel die haar bloemkeuze bijstelt omdat er thuis larven ziek liggen, dat lijkt misschien al iets verder gegrepen.
En nochtans zijn er de laatste jaren al heel wat andere studies over slimme hommels uitgekomen (zie kaderstuk). Een klein brein, weinig neuronen en geen enkel bewustzijn over wat een schimmel is… en toch tonen hommels gedrag dat verdacht veel op een doordachte beslissing lijkt. Niet omdat de hommel nadenkt zoals wij, maar omdat evolutie ook met bescheiden hardware verrassend elegante oplossingen bouwt. Wat is de natuur toch mooi, hé?!
Dus: doen hommels aan zelfmedicatie? Ik zeg het voorzichtig, want daar zijn vraagtekens voor uitgevonden. Maar de volgende keer dat er eentje tegen je keukenraam bonkt, mag je gerust denken: die weet misschien beter wat ze doet dan ze eruitziet.
Een hommelbrein telt zo’n miljoen neuronen. Het onze telt er meer dan tachtig miljard (86 000 keer meer). Toch blijft de lijst met complex gedrag bij hommels groeien.
Touwtrekken
Hommels leren aan een koordje trekken om een bloem van onder een plaatje te halen en kijken dat trucje van elkaar af. (Alem et al., 2016)
Voetballen
Ze leren een balletje naar een doel rollen voor een suikerbeloning. Hommels die eerst een voorbeeld zagen, werden er daarna nog beter in. Binnenkort nog een miljoenentransfer? (Loukola et al., 2017)
Spelen
Zonder enige beloning rollen jonge hommels houten balletjes rond. Gewoon omdat het blijkbaar leuk is. (Galpayage Dona et al., 2022)
Samen puzzelen
Ze leren een puzzel oplossen, wat nooit alleen zou kunnen. Daarna geven ze de oplossing door aan nestgenoten. (Bridges et al., 2024)
Gereedschap gebruiken
Staat de bloem te hoog? Rol dan een balletje eronder om erop te klimmen. Dit doen ze zonder training, ook wanneer de bloem uit het zicht is. (Loukola et al., 2026)
Ter nagedachtenis aan Alejandro, die alles voor dit werk over had, beten en steken inclusief. Hij had nog zoveel meer willen betekenen voor het behoud van biodiversiteit.